Jeugdwerkloosheid Zuid-Europa is lager dan vaak gesuggereerd

ACHTERGROND - Het is slecht gesteld met de jeugdwerkloosheid in Zuid-Europa, maar niet zo slecht als media ons doen geloven.

‘De jeugdwerkloosheid blijft wereldwijd stijgen. De VN schat dat volgend jaar 73 miljoen jongeren geen baan hebben. Vooral in Europa gaat het de verkeerde kant op; in Griekenland en Spanje is meer dan de helft van de jongeren inmiddels werkloos. En de VN is bang dat dat voor veel onrust in de maatschappij gaat zorgen.’ Dat meldde NOS op 3 op 8 mei jongstleden.

Soortgelijke mededelingen worden regelmatig gedaan in het nieuws. Ze kloppen echter niet. De helft of meer van de Griekse en Spaanse, maar ook Italiaanse en Portugese jongeren, gaat naar school of is student. De jeugdwerkloosheid heeft niet betrekking op ‘de jongeren’, maar op die jongeren die op de (witte) arbeidsmarkt participeren. Dat zijn de niet-studerende/schoolgaande jongeren die een baan hebben of actief ernaar zoeken (als werkloos staan ingeschreven) plus de studenten/scholieren die een bij­baan hebben of actief ernaar zoeken.

Exacte data

De actief zoekende jongeren zijn degenen die we tegen­ko­­men in de werkloosheidspercen­ta­ges. De arbeidsmarktproblemen in de mediterrane EU-landen zijn reusachtig en leiden tot protest en onrust. Voor doeltreffend beleid zijn echter wel zo exact mogelijke data vereist. Tabel 1 toont de rele­vante percentages van participatie op de arbeidsmarkt, werkgelegenheid en werkloosheid voor de ja­ren 2000 (voordat de euro kwam), 2009 (het eerste jaar van de crisis), 2011 (het laatste jaar waar­voor alle gegevens beschikbaar zijn) en januari 2013 (alleen werkloosheid).

arbeidsmarktdata
Klik voor groter beeld

Wat we zien is dat de participatie in Griekenland, Italië en Portugal tussen 2000 en 2009 aan­zienlijk is gedaald en vervolgens nog eens lichtelijk, terwijl de participatie in Spanje (evenals in Neder­land) eerst vanaf 2009 begon te dalen. Waarschijnlijk zit er een mix achter van toene­men­de deelna­me in het secundair en tertiair onderwijs en, sinds 2008, ontmoediging als gevolg van de financiële crisis. In de­zelfde tijd zijn in Zuid-Europa (in tegenstelling tot Duitsland en Nederland) de percentages werkende jon­geren veel sterker gedaald en, als gevolg, de percentages werkloze jongeren gestegen.

In relatie tot de gehele groep van jongeren was de officiële werkloosheid in 2011 in Italië circa 8%, in Por­­tu­gal 12%, in Griekenland 13% en in Spanje 21% – inclusief scholieren/studenten die actief op zoek waren naar een bijbaan. De percentages zijn nog steeds zeer hoog, in het Spaanse geval zelfs ex­treem hoog. En de werkloze, maar niet actief werkzoekende jongeren moe­ten nog erbij wor­den op­geteld. Kijkend naar de ontwikkeling van de arbeidsmarktparticipatie zou dat, afhankelijk van het niveau van de participatie, nog eens 3 à 4 procent kunnen zijn.

Zwarte arbeidsmarkt

Aan de andere kant mogen de per­cen­­tages werkloosheid weer wat omlaag omdat de zwarte arbeidsmarkt in de mediterrane EU-landen zeer omvangrijk is – onder meer in de horeca waar veel jogeren werken. 19% (Spanje/Portugal) à 24% (Griekenland; Italië iets minder) van het BBP is de om­vang ervan (F. Schnei­der, Size and Development of the Shadow Eco­nomy in 31 European and 5 other OECD Coun­tries 2003 tot 2013). Dat is dubbel zoveel als in Nederland en Duitsland en biedt werk voor 20 à 40 procent van de beroepsbevolking (inclusief hen die zowel in de witte als de zwarte markt actief zijn).

De factor school en studie is ook belangrijk. Jongeren zijn immers in de eerste plaats scholie­ren en studenten. Een scholier of student die zijn bijbaantje kwijtraakt is in een andere situatie dan ie­mand die met 16/17 jaar (laag opleidingsniveau) of 22/23 jaar (HBO- of WO-diploma op zak) de oplei­ding heeft afgerond, maar geen baan kan vinden. In dit laatste geval gaat het meer dan in het eerste geval niet alleen om inkomen, maar ook om ergens bij te behoren en om perspectief.

Realistischer

Terwijl de OECD-statistie­ken over de arbeidsmarkt jongeren als de groep van 15 t/m 24 jaar definiëren, werkt dezelfde instel­ling in haar Education at a Glance 2012 met de groep van 15 t/m 29 jaar, onderverdeeld in 15 t/m 19 en 20 t/m 29 jaar. Van de eerste groep volgden in 2010 in de vier lan­den +/- 85% een opleiding (inclusief praktijkgebonden beroepsopleiding), in de laatste groep was het nog steeds 20 à 25% (Italië, Por­tu­gal, Spanje) of zelfs 40% (Griekenland), waarbij de percentages van de 20- t/m 24-jarigen onge­twijfeld aanzienlijk hoger zouden liggen.

De OECD (Employment Outlook 2012, p. 23) schat ook de NEET, de groep jongeren ‘not in employment, education or training’, en komt tot de volgende waar­den voor 2011: Portugal 12,8%, Spanje 17,6%, Griekenland 18,2% en Italië 19,5%. Hier zijn de werk­lozen verrekent die niet actief naar een baan zoeken, maar gegeven de hoge per­centages van jonge­ren in opleiding lijken deze schattingen aan de hoge kant. En zwart werk blijft buiten beschouwing. Per­centages in het midden tussen de NEET-schattingen en de data in de laatste column van de tabel lijken realistischer.

Beleid vereist

De groep jongeren die niet meer in opleiding is en tevens geen baan heeft is dus kleiner dan media-berichten doen vermoeden, maar met 10 à 15% toch relatief groot. Hier nestelt, vooral als de werkloosheid langdurig is (in onze landen bij 40-60% van de werklozen), de inkomens- én uit­zichts­loos­heid. En hier is beleid vereist dat de situatie verbetert, ook vanuit de EU.

Het is goed als de Noord-Eu­ropese landen goed opgeleide mensen uit het zuiden een kans op werk geven, en desbetreffende inspanningen kunnen waarschijnlijk nog verbeterd worden. Werk­lo­ze jongeren met een lagere opleiding biedt dit echter nauwelijks perspectief. Voor hen zouden EU-ge­finan­cier­de, be­taalde plaatsen voor vervolgonderwijs en stages misschien tijdelijk uitkomst kunnen bie­den; EU-gefi­nan­cierd, omdat men van landen die fors moeten bezuinigen dergelijke stappen niet mag ver­wachten. Jongeren gaan de straat op om de bezuinigingen te stoppen, maar dat zou hen nau­welijks helpen. Wel dienen deze landen te zorgen dat hun economieën concurrerend worden. En misschien dat in Griekenland, Portugal en Spanje een specifieke flexibilisering van tijdelijke werk de kansen van jongeren op een baan verbetert (in Italië heeft het vooralsnog niet geholpen).

  1. 2

    Wat een gebagatelliseer van een schrijnende situatie. Wanneer we het over werkloosheid hebben, hebben we het over het aantal werklozen t.o.v. de arbeidsparticipatie. Om daar studerende jongeren bij te gaan slepen is gewoon misleidend. Laat professor Becker dan maar eens laten zien, waar al die studerende jongeren aan de slag kunnen, wanneer ze vandaag hun studie stoppen en aan de slag willen. Als dat gebeurt stijgen de toch al bedroevende percentages enorm. Dan is er geen sprake meer van 50% jeugdwerkloosheid in de zuidelijke landen, maar spreken we van 90% werkloosheid.

    Ook de opmerkingen over de zwarte arbeidsmarkt zijn volledig uit de lucht gegrepen. De omvang van de zwarte markt zegt helemaal niets over de arbeidsparticipatie van jongeren, want het grootste deel van de zwarte markt is in handen van criminelen. Dan blijft over, dat jongeren zwart in de horeca werken, maar dat doen jongeren in ons land ook.

    Wat een slecht artikel van Becker (alweer…).

  2. 3

    Ik merk hier in Spanje juist dat een hoop werkloze jongeren weer gaan studeren om toch maar wat te doen. In dat geval vind ik het wél juist om hen als werkloos te beschouwen. Zij zouden véél liever gaan werken (i.p.v. weer een Master opleiding).

  3. 4

    @3: de professor in zijn artikel wil die jongeren juist bij de werkenden optellen om zo het werkloosheidspercentage naar beneden te praten. Dat is absurd.

  4. 5

    @3 Dat is wel een element waarmee rekening gehouden moet worden. Ik ben benieuwd hoe belangrijk deze factor is, maar ik betwijfel of ergens gekwantificeerd is hoeveel jongeren gaan studeren juist omdat ze geen baan kunnen vinden.

  5. 6

    Ik heb daar ook uiteraard geen cijfers over, maar voor mijn gevoel heeft het een behoorlijke impact.

    Daarnaast is er nóg iets wat een grote impact heeft: de zzp-ers die geen opdrachten binnenkrijgen. Ik heb veel vrienden in de architectuur-sector die wel als “autónomo” ingeschreven staan, maar geen opdrachten hebben. Ook verborgen werkloosheid.

  6. 7

    Voor Portugal is er een groot verschil tussen 2011 en 2013. In 2011 was de crisis iets wat de gemiddelde burger nog niet zo raakte en veel bedrijven keken nog of dit zou overwaaien. Daar is in 2012 wel verandering in gekomen. En in 2013 ging Portugal over de fiscal cliff en de effecten daarvan beginnen duidelijk te worden. Ik denk dat data uit 2011 niet meer gebruikt kunnen worden voor de onderbouwing van de stelling (wat niet betekent dat die niet waar is).

  7. 9

    weer gaan studeren of een marginaal baantje hebben zonder pensioenopbouw lijkt mij niet beter dan werkloos thuis zitten (en in veel gevallen slechter – je verliest de binding met de witte arbeidsmarkt).

  8. 10

    De hooggeleerde heer belazert de boel een beetje.

    (a) De cijfers over 2012 zijn er wel, zie Eurostat, geraadpleegd door mij op 17 mei 2013. Omdat de OESO die Eurostat-cijfers gebruikt, zoals ze zelf ook aangeven, is het vreemd om in mei niet even naar de bron te gaan, in plaats van te citeren uit een rapport van januari 2013.

    (b) Het gaat er niet om hoe je werkloosheid definieert, maar wat de trend is als je binnen die definitie blijft. Dus 20.9 in 2011 voor Spanje zegt niets (vergeleken met die 46.4), het gaat er om ze te vergelijken met andere jaren. Zetten we de gegevens van 2000 op 100%, dan is de progressie 2000-2009-2011 voor de werkloosheid (als % participatie ) 100% – 149% – 183% en voor de werkloosheid (als % alle jongeren) 100% – 152% – 169%.

    En in 2013 wordt dat dus meer dan 200%, ofwel meer dan het dubbele, hoe je ook telt. Leuk is het niet en leuker kun je het niet maken door met definities te rommelen.

  9. 11

    @10:
    En dan is het nog zo dat de Eurostat definities een lagere werkloosheid tot gevolg hebben dan de CBS definities.

  10. 13

    @12: Ja, in jaren van crisis zijn er jongeren die vanwege slechte uitzichten op de arbeidsmarkt langer naar school gaan of een (vervolg-)studie beginnen. Dit valt onder de (in mijn stukje aangestipte) categorie ontmoediging en wordt gereflecteerd in de achteruitgang van de partipatie op de arbeidsmarkt. Een aardverschuiving bewerkstelligt dit gedrag echter niet (zie de ontwikkeling van de aantallen scholieren en studenten in OECD, Education at a Glance 2012). Exacte data erover bestaan echter net zo min als over het aantal jongeren dat zwart werk verricht.

  11. 14

    @13: Exacte data erover bestaan echter net zo min als over het aantal jongeren dat zwart werk verricht.

    De onzekerheid van de data komt niet overeen met de stelligheid van de titel.