Institutioneel racisme in Nederland

LONGREAD - Institutioneel racisme wordt wel gedefinieerd als een vorm van racisme die zichtbaar wordt in de praktijken van politieke en sociale instituties. Het is een vorm van onzichtbaar racisme die zich manifesteert naast openlijk of alledaags racisme. In deze empirische verkenning probeert Jan de Jonge institutioneel racisme zichtbaar te maken aan de hand van cijfers op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt en inkomen.

In Nederland zijn recentelijk een aantal onderzoeken gepubliceerd (o.a. door het Sociaal Cultureel Planbureau en het Centraal Plan Bureau) die uitkomsten naar personen met en zonder migratie-achtergrond geven. Zo kunnen verschillen tussen Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders en Nederlanders zonder migratieachtergrond met elkaar vergeleken worden. Ik heb gekeken naar het onderwijs, de arbeidsmarkt en naar de relatieve inkomensverschillen.

Het is duidelijk dat daarmee geen beeld wordt gegeven over de omvang van institutioneel racisme in Nederland. Ik kijk niet naar de rechtspraak, het politie-optreden, het handelen van de belastingdienst of de praktijken in de horeca, de woningsector en dergelijke. In die zin pretendeer ik niet een alomvattend onderzoek te hebben gedaan naar het vóórkomen van institutioneel racisme in Nederland. Ik beschouw de uitkomsten van het onderwijs, de arbeidsmarkt en de inkomens-verschillen als relevante indicatoren, maar niet als doorslaggevend.

Het belangrijkste bewijs voor het bestaan van institutioneel racisme en/of discriminatie is, in mijn optiek, de aanwezigheid van langdurige achterstanden. Een belangrijk criterium in de beoordeling van achterstanden is of ze verklaard en gerechtvaardigd kunnen worden. Ook hun ontwikkeling is belangrijk: zijn ze permanent, nemen ze toe of nemen ze juist af.

Binair of multicultureel

Hoewel Nederland een multiculturele samenleving is, wordt het soms als een verdeelde, binaire, samenleving afgeschilderd. Volgens de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel is de primaire indeling in Nederland, als het uitsluitingsmechanismen betreft, die tussen ‘wit’ en ‘zwart’ (waaronder hier iedereen met een kleur valt). Hierin volgt Schinkel de praktijk in de VS. Waar in Brazilië of Europa multiculturalisme verwijst naar etnische en culturele pluraliteit, ligt dit in de VS volstrekt anders als het gaat om de zwarte gemeenschap. De Franse sociologen Bourdieu en Wacquant stellen vast dat: “If the USA is truly exceptional, (..) it is above all for the rigid dualism of its racial division”. (1999, 51) Daarom verwijst multiculturalisme in de VS niet naar etnische pluraliteit maar naar raciale verdeeldheid. De situatie in de VS speelt een te grote rol in de discussie in bepaalde kringen alhier.

Ik beschouw Nederland als een multiculturele samenleving, niet als een binair verdeelde samenleving. In een multiculturele samenleving bestaan nuances in de onderlinge betrekkingen, die in een verdeelde samenleving ontbreken. Bovendien bestaan er ook onderling, tussen de groepen met een immigratieachtergrond, duidelijke verschillen in gemiddeld inkomen, opleidingsniveaus en kansen op de arbeidsmarkt.

Ik maak ook verschil tussen discriminatie en racisme. Racisme is in mijn optiek een sentiment dat zich uit in gedragingen naar mensen met een bepaalde etnische achtergrond die men niet als gelijkwaardig beschouwt. Die mensen worden niet als minder geschikt, maar als minderwaardig beschouwd. In mijn visie op racisme is dit inferioriteitskenmerk doorslaggevend, niet de kleur zoals dat in het binaire model het geval is. Discriminatie is het beoordelen van leden van bepaalde etnische groepen op grond van vooroordelen en stereotypen.

Kansen in het onderwijs

In het onderwijs bestaat segregatie en onderzocht moet worden welke het gevolgen dit heeft voor leerlingen. Alle scholen, en in het bijzonder  ‘zwarte’ en ‘gekleurde’ scholen, hebben de moeilijke taak om kinderen met veel achterstanden naar het standaard niveau te brengen. De overheid heeft daarvoor een systeem van gewogen financiering ontwikkeld. In de financiering tellen deze kinderen voor bijna twee. Scholen kunnen dit geld gebruiken om de klassen te verkleinen, om extra leerkrachten aan te trekken of om nieuwe leermethoden uit te proberen.  De effecten van al deze maatregelen zijn bemoedigend. De achterstand op de autochtone kinderen was begin 2000 al bijna gehalveerd (Gijsbers, 2006, 165). Met taal zijn grote sprongen gemaakt en ook met rekenen bestond er toen bijna geen achterstand meer (Gijsbers, Ib., 171).

Recentelijk werd gekeken naar de leerprestaties voor begrijpend lezen en rekenen, waarbij rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau van de ouders. Het blijkt dat de verschillen tussen niet-westerse leerlingen en autochtone leerlingen klein zijn en dat de Marokkaans-Nederlandse leerlingen het eigenlijk beter doen dan op grond van hun achtergrondkenmerken zou mogen worden verwacht. Bij het rekenen scoren zowel Turkse als Marokkaanse Nederlandse leerlingen beter dan werd verwacht. Zij doen het dus eigenlijk beter dan de autochtone leerlingen met verder dezelfde achtergrondkenmerken (Herweijer, et. al., 2016a, fig. 2.3 en 2.4).

Toch ervaren leerlingen met een migratieachtergrond discriminatie in het onderwijs. Zij klagen er vooral over dat zij een te lage beoordeling krijgen. De klachten over onderadvisering worden niet bevestigd in het onderzoek dat ik ken. Er zijn mij drie onderzoeken bekend (Inspectie van het Onderwijs, 2007; Driessen, ITS, 2011; en Lek, proefschrift UU, 2020) en steeds is de conclusie dat er geen sprake van is dat allochtone leerlingen systematisch een te laag advies krijgen.


tabel 1                 Opleidingsniveau naar herkomst (1e en 2e generatie)

 

              Opleidingsniveau schoolgaanden en niet-schoolgaanden naar herkomst                                                    1e en 2e generatie, 15-64, 2015

 

  Basisschool      Vbo/Mavo MBO/Havo/Vwo       Hbo/Wo
1e 2e 1e 2e 1e 2e 1e 2e
T 38 9 19 19 30 45 14 27
M 47 5 15 19 24 46 14 30
S 18 5 20 13 36 46 25 36
A 14 3 19 12 40 45 27 41
Au                  6                18                43                34

 

T=Turkse NL; M = Marokkaanse NL; S = Surinaamse NL; A = Antilliaanse NL

Au = Autochtone NL (NL = Nederlandse).     Bron: Herweijer, et. al. (2016b, fig. 3.2, 64)


De grote sprong die van 1e naar 2e generatie gemaakt is, wordt duidelijk in tabel 1. Het lijkt zelfs alsof percentueel meer Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders hoger opgeleid zijn dan autochtone Nederlanders, maar dat komt omdat de populaties van de 2e generatie Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders jonger zijn dan de autochtone Nederlanders (daar zitten veel meer 40+ bij). Houden we hier rekening dan heeft 53% van deze groep een Hbo/Wo opleidingsniveau. De tabel laat duidelijk zien dat de stijging van het aantal personen met een Hbo/Wo diploma veel groter is onder jongeren met een migratieachtergrond dan onder autochtone jongeren.

Cijfers over de deelname aan het Hbo/Wo onderwijs in 2018 bevestigen een doorgaande vermindering.

Kortom: de segregatie in het onderwijs heeft de kansen van jongeren van gekleurde minderheden niet geblokkeerd. De verschillen die er zijn, hebben te maken met achtergrondkenmerken en daarbij is de opleiding van de ouders de doorslaggevende factor. Dit is naar zijn aard een klassenverschil. In de onderwijspraktijk lijkt institutioneel racisme geen rol te spelen.

Maar heeft deze gunstige ontwikkeling zich ook vertaald naar de arbeidsmarkt?

Kansen op de arbeidsmarkt

De positieve ontwikkeling in het onderwijs heeft zich niet doorgezet op de arbeidsmarkt. De grootste belemmeringen waar schoolverlaters tegenaan lopen zijn

a) de flexibilisering van de arbeidsmarkt, b) de verdringing op de arbeidsmarkt en c) discriminatie.


tabel 2 Werkloosheid naar herkomst

 

 

Werkloosheid naar herkomst, 15-75, M en V, 2017

 

            T         M            S          A          Au
           9,6        11,3          11,1          13,7          3,9

 

Bron: CBS Statline: Arbeidsdeelname naar migratieachtergrond, 2017


Hoe zijn de verschillen in werkloosheid tussen de diverse bevolkingsgroepen te verklaren? Als de belangrijkste verklarende factoren noemt het SCP de werkervaring en het werkloosheidverleden. Van het feitelijk verschil in werkloosheid (9,7 punten in 2015) tussen de autochtone Nederlanders en de totale groep Nederlanders met migratieachtergrond wordt 5% toegeschreven aan deze factoren; bijna de helft kan dus niet verklaard worden. (Huijnk, 2016b, figuur 4.15, blz. 101). Opleiding is indirect van invloed op de werkervaring en het werkloosheidsverleden. De onverklaarde rest schrijft het SCP toe aan factoren als: sociale vaardigheden, sociale netwerk, houding of motivatie. Verder worden personen met een flexibel arbeidscontract als eerste getroffen.

In de Nederlandse bedrijven is het werknemersbestand opgesplitst in een vaste kern en een flexibele schil. Werknemers die tot de vaste kern behoren beschikken over bedrijfsspecifieke vaardigheden; de bedrijven hebben geïnvesteerd in hun opleiding en beschouwen die opleidingskosten als investeringskosten. Werknemers die geen interne opleidingen hebben gekregen, zijn uitwisselbaar en behoren tot de flexibele schil. Via de flexibele schil kunnen bedrijven hun personeelsbestand snel aanpassen aan de conjuncturele situatie en op die manier op hun personeelskosten besparen.

De Commissie Borstlap stelt in haar advies over het arbeidsmarktbeleid (2020) vast dat het Nederlandse bedrijfsleven het aangaan van duurzame arbeidsrelaties ontmoedigt en externe flexibiliteit stimuleert. Het gevolg is dat hetzelfde werk onder ongelijke voorwaarden wordt verricht. Waar het contract voor onbepaalde tijd lange tijd het ‘standaardcontract’ was, heeft nu iets meer dan 60% van alle werkenden een vast contract, terwijl 40% een flexibel contract heeft. Het aantal flexbanen in Nederland stijgt sneller dan in de EU.

Laagopgeleiden zijn kwetsbaar op de arbeidsmarkt, niet alleen omdat zij laagopgeleid zijn, maar ook omdat zij sterk vertegenwoordigd zijn onder degenen met een flexibel contract en de kans lopen verdrongen te worden door werknemers met een hogere opleiding. Naar leeftijd is het aandeel van flexwerk onder de jongste categorie enorm. We moeten ons hierbij overigens wel realiseren dat in de jongste leeftijdsgroep veel scholieren zitten die hun opleiding combineren met kleine deeltijdbanen. Omdat zich onder de bevolkingsgroepen met een migratieachtergrond relatief veel jongeren bevinden en omdat de opleidingsachtergrond wat lager ligt dan gemiddeld is het niet verrassend te zien dat onder flexwerkers naar verhouding meer werknemers met een migratieachtergrond zijn. Flexwerkers verdienen gemiddeld minder dan werknemers met een vaste baan. “Voor de totale groep flexwerkers is het gecorrigeerde verschil bij het basisloon 7%; inclusief overwerk en incidentele beloningen is het gecorrigeerd loonverschil 9%” (Smits en De Vries, 2019, 7).

Naast flexibilisering en verdringing speelt, discriminatie een rol in het zoeken naar een baan. Al in 1986 maakten Den Uyl et. al., gewag van discriminatie. Het is duidelijk dat het geen recent verschijnsel is. Etniciteit speelt een moeilijk te duiden rol. In hun onderzoek tonen zij op basis van vragenlijsten en gesprekken aan “dat alle onderzochte uitzendbureaus [..] geen enkel bezwaar [blijken] te maken tegen discriminerende eisen van hun klanten, de werkgevers” (Den Uyl et.al., 1986, 25).

Veelal werd gedacht dat negatieve opvattingen gemeenzaam voor alle groepen met een migratieachtergrond golden. Maar uit recent onderzoek van Thijssen et. al., blijkt dat werkgevers wel degelijk voorkeuren hebben. Zij zijn het meest positief zijn over de werkmentaliteit van Turkse Nederlanders, terwijl Surinaamse Nederlanders als goed geïntegreerd worden ge­zien. Minder positief zijn werkgevers over de kwaliteiten van Antilliaanse en Marokkaanse Nederlanders. (Thijssen et. a., 2020, 151; Andriessen, 2016, 251 e.v.).

Werkgevers gebruiken stereotypen die uitmonden in symbo­lische en sociale grenzen. Zowel sociale als symbolische grenzen zijn veranderlijk; ze kunnen vervagen of verhar­den, ontstaan of verdwijnen. De grenzen op de arbeidsmarkt zijn tot op zekere hoogte vaag; we zien dat kandidaten uit etnische minderheidsgroepen minder kansen hebben, maar ze zijn niet kansloos (Van der Ent, 2018, 49). Naast vooroordelen, blijken ook culturele verschillen een rol te spelen bij de vraag of iemand geschikt is voor de functie.

Discriminatie kan zich op vele manieren uiten, zoals een onvriendelijke bejegening of achterstelling of ongelijke behandeling, en verschillende motieven hebben (leeftijd, sekse, geloof, culturele of etnische achtergrond). Hoewel vaak mensen met een migratieachtergrond betrokken zijn, treffen de vooroordelen en stereotypen hen op heel verschillende manieren. Er zijn verschillen tussen de groepen en hoger opgeleiden van elke etnische groepering hebben veel beter kansen dan lager opgeleiden. Deze diversiteit wijst niet in de richting van institutioneel racisme, maar er is wel sprake van aanhoudende discriminatie, die versterkt wordt door de structurele ontwikkelingen op de arbeidsmarkt; de segmentatie kortom.

Relatieve inkomensverschillen

In juni 2019 publiceerde het CPB een Policy Brief over ”Inkomensongelijkheid naar Migratieachtergrond”. Deze publicatie genereerde veel media-aandacht.  Zo werd vermeld dat, vergeleken met het deel van de Nederlandse bevolking zonder migratie-achtergrond de gezinnen met een migratieachtergrond in doorsnee aanzienlijk minder (gemiddeld ca 22%) verdienen

Het tweede punt dat aandacht trok was de mededeling dat deze ongelijkheid in inkomen zich over generaties zal voortzetten.

Het huishoudinkomen is een goede graadmeter om inkomensachterstanden te signaleren. De verschillen in huishoudinkomens worden vooral veroorzaakt door de verschillen tussen de persoonlijke inkomens van mannen. De verschillen in persoonlijk inkomen worden op hun beurt vooral bepaald door de verschillen in arbeidsinkomen. In wat volgt, concentreer ik me, in navolging van de Policy Brief, op de cijfers voor mannen in de leeftijdsgroep 30-40 jarigen ter wille van de vergelijkbaarheid. Voor de groepen met een migratieachtergrond zijn zij de belangrijkste verdieners.


tabel 3 Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen en arbeidsinkomen (percentage van het relevante inkomen van Nederlanders zonder migratieachtergrond)

30-40 jaar, 2017

             Besteedbaar                huishoudinkomen1

(relatieve verschillen)

 

Arbeidsinkomen (mannen)

Turks                        74                    67
Marokkaans                        69                    57
Surinaams                        84                    72
Antilliaans                        79                    70

 

Bron: Jongen, E; Bolhaar, J; van Elk, R; Koot, P en D van Vuuren (2019), “Inkomensongelijkheid naar migratieachtergrond”, fig. 1; resp. fig. 5, CPB Policy Brief

1)  Het inkomen van alle leden van een huishouden na aftrek belastingen en premies, inclusief toeslagen. Gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling. Personen 30-40 jaar; integrale inkomensbestanden. Gemiddeld is de achterstand 20-22%.


Verschillen in arbeidsinkomen hangen sterk samen met verschillen in opleidings- niveau. Hoogopgeleiden verdienen meer, zijn minder vaak werkloos zijn en hebben een hogere participatiegraad. Als we de gemiddelde verschillen in participatiegraad (9%), uurloon (13%) en werkloosheid 4%) sommeren, dan zou dit leiden tot een verschil in arbeidsinkomen van 26% (dit is in de buurt van de schatting van de gemiddelde invloed van het opleidingsniveau die het CPB vermeldt). Van het gemiddelde verschil in arbeidsinkomen van 36% blijft dan 10% onverklaard. Als het verschil in gewerkte uren (6%) ook meegeteld wordt, blijft 4% onverklaard.

De armoede in gezinnen met een migratieachtergrond is aanzienlijk hoger dan in Nederlandse gezinnen zonder immigratieachtergrond. Uiteraard hangt dit samen met de verschillen in huishoudinkomen.

Ik kom hier in de conclusie op terug, omdat ik eerst nog het andere onderwerp wil bespreken, namelijk de veronderstelling dat de verschillen in arbeidsinkomen intergenerationeel worden doorgegeven. Zie voor de toelichting tabel 4.


tabel 4 Verschillen in persoonlijk en huishoudinkomen 30-40 jarigen naar etnische afkomst, 1e en 2e generatie, 2017

 

 

 

 

Persoonlijk       inkomen

(alleen mannen)

Huishoudinkomen
1e 2e 1e 2e
Turks 69 75 70 78
Marokkaans 62 69 64 76
Surinaams 70 73 81 86
Antilliaans 62 86 70 93

 

Bron: Koot, P; van Elk, R en Egbert Jongen (2019), fig. 3.2 en 3.5

“Inkomensongelijkheid naar migratieachtergrond in kaart”, CPB Achtergronddocument


Kijken we naar de verschillen in huisinkomen voor de 1e en 2e generatie, dan zien we die dalen van gemiddeld 29% naar gemiddeld 16%, dat wil zeggen een reductie van ruim 40%. Deze reductie wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de daling in de verschillen tussen opleidingsniveau (zie tabel 1). Dus anders dan het CPB beweert, stijgen de opleidingsniveaus van Nederlanders met en zonder migratieachtergrond niet evenredig, en nemen daardoor de inkomensverschillen af (vooral als de participatiegraad en het aantal gewerkte uren gaan toenemen).

Conclusie

Er zijn op alle drie besproken terreinen een aantal in het oog springende uitkomsten: sommige positief, andere negatief.

In het onderwijs zijn, ondanks de segregatie, in het algemeen geen langdurige achterstanden te vinden die een specifieke groep treffen. Steeds hogere percentages jongeren van minderheden bereiken hogere opleidingsniveaus.

De segmentering van de arbeidsmarkt, heeft een omvangrijke schil van flexwerkers tot stand gebracht. Als het economisch slechter gaat worden zij als eersten ontslagen. Het gevolg is dat zij te maken hebben met wederkerende werkloosheid waardoor zij geen kwalificaties opbouwen en weinig salarisopbouw kennen. Daardoor staan zij qua uurloon op een achterstand vergeleken met dat van werknemers met een vaste baan. Het verschil is 7 tot 9%. De welhaast structurele discriminatie op de arbeidsmarkt roept vragen op over het wervingsbeleid van bedrijven. De discriminatie treft vooral specifieke groepen onder Nederlanders met een migratieachtergrond. Werkgevers zijn risicomijdend, daardoor bevattelijk voor stereotypen en dit resulteert in discriminatie.

Van het verschil in werkloosheidpercentages van bijna 10% tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond kan de helft niet verklaard worden uit de belangrijkste verklarende factoren van het SCP (werkervaring en werkloosheidverleden). Maar deze factoren worden in belangrijke mate door de arbeidsmarkt zelf gereproduceerd.

Uit het inkomensonderzoek blijft dat het huishoudinkomen van huishoudens met een migratieachtergrond gemiddeld 20-22%% lager is dan die van de andere huishoudens (in de VS is de ‘race income gap’ 58%!). Een belangrijke oorzaak is het lagere arbeidsinkomen (gemiddeld 36% lager). Als de verschillen in het arbeids-inkomen (voor de 30-40 jarigen mannen) geanalyseerd worden dan blijkt het overgrote deel van het verschil samen te hangen met verschillen in opleidingsniveau, participatie op de arbeidsmarkt en dergelijke.

Het beeld is dus niet onverdeeld gunstig, maar naast donkere schaduwzijden zijn ook lichtpunten te zien. In het onderwijs zien we de verschillen tussen Nederlanders met een migratieachtergrond en de Nederlanders zonder die achtergrond kleiner worden. Op de arbeidsmarkt zijn voor leden van etnische minderheden ondanks de aanwezigheid van discriminatie, ook hogere posities in overeenstemming met hun opleiding, en in dezelfde relatieve omvang, bereikbaar (zie de laatste twee kolommen van tabel 5).


tabel 5        Beroepsniveau en hoogste opleiding, naar herkomst (2015)

 

                              Beroepsniveau naar herkomst, 2015 Opleiding Hbo/Wo
1          2        3          4
T 20 55 12 13 14
M 23 49 13 15 16
S 11 49 16 24 26
A 12 45 15 29 24
Au   8 44 17 31 34

 

Bron: Beroepsniveau, in 4 klassen, naar herkomst, 2015 (Huijnk, 2016b, tabel 4.3)

Gerealiseerd opleidingsniveau van 15-64 jarigen, niet-schoolgaanden

naar herkomst, 2015 (Herweijer, 2016b, figuur 3.1)


Een belangrijke indicatie hoe achterstanden zich zullen ontwikkelen is de aanwezigheid van sociale mobiliteit. Deze blijkt in Nederland nog steeds aanwezig te zijn. Jansen et.al., concluderen: “Onze resultaten laten zien dat het in Nederland nog altijd mogelijk is om een kwartje te worden als je voor een dubbeltje geboren bent” (Jansen et. al., 2018, 395). Voor de jongeren met een migratieachtergrond lijkt een inhaalslag nog steeds mogelijk (zie tabel 1). En dus is de gedachte niet ongegrond dat onder jongeren met een migratieachtergrond nog ‘verborgen talenten’ schuilgaan en dat opwaartse mobiliteit voor hen nog steeds tot de mogelijkheden behoort, ook al neemt de relatieve inkomensmobiliteit af.

Ondanks de donkere schaduwzijden is er mijns inziens, op grond van de door mij gepresenteerde resultaten (uitkomsten), onvoldoende reden te denken dat in de Nederlandse verhoudingen institutioneel racisme kenmerkend is voor de hier beschreven praktijken. Ik weet dat deze empirische verkenning deze conclusie niet volledig legitimeert. Daartoe is het onderzoek te beperkt en kunnen er vragen blijven over een correcte interpretatie van de uitkomsten. Maar evenmin is ze ongegrond en ligt de bewijslast bij degenen die het tegendeel beweren.

Literatuur

Andriessen, I (2016), “De multi-etnische samenleving onder druk? Den Haag: SCP

Bourdieu, P en L. Waquant (1999), “On the Cunning of Imperialist Reason”, Theory, Culture and Society, vol. 16(1)

CBS (2017), “Statline. Arbeidsduur; immigratieachtergrond”, Den Haag

CPB (2015), “Banenpolarisatie in Nederland”, Policy Brief, Den Haag

Driessen, G (2011), “Onderadvisering van allochtone leerlingen?”, Nijmegen: ITS/RU

Ent, van der B., (2019), “Discriminatie op de arbeidsmarkt”, Sociologie vol. 14 (1)

Gijsberts, M (2006), “De afnemende invloed van etnische concentratie op schoolprestaties in het basisonderwijs”, 1988-2002”, Sociologie, vol.2, 157-177

Herweijer, L; Iedema, J en I. Andriessen (2016a), “Prestaties en loopbanen in het onderwijs”, Den Haag: SCP

Herweijer, L; Iedema, J; Andriessen, I en M. Vervoort (2016b), “Opleidingsniveau en beheersing Nederlandse taal”, Den Haag: SCP

Huijnk, W (2016b), “Arbeidsmarktpositie en inkomen”, Den Haag: SCP

Inspectie van het Onderwijs (2007), “Onderadvisering in beeld”, Den Haag: OCW

Jansen, P; Schulenberg, R; Van Vuuren, D en M. Buitenhuis, (2018), “Kinderen overtreffen hun ouders minder vaak in inkomen”, Economisch Statische Berichten, 5765, 392-395

Jongen, E; Bolhaar, J; Van Elk, R; Koot, P en D van Vuuren, “(2019), “Inkomensongelijkheid naar migratieachtergrond”, Den Haag: CPB Policy Brief

Koot, P; Van Elk, R en E. Jongen (2019), “Inkomensongelijkheid naar migratieachtergrond in kaart”, Den Haag: CPB Achtergronddocument

Lek, K (2020), “Teacher knows best?”, Enschede: Ipskamp Drukkers

Schinkel, W (2019), “Politieke Stenogrammen”, Amsterdam: De Bezige Bij

Smits, W en J. de Vries (2019), “Loonverschillen tussen flexibele en vaste werknemers”, CBS, Statistische Trends

Thijssen, L; Coenders, M en B. Lancee (2020), “Etnische discriminatie op de      Nederlandse arbeidsmarkt”, Amsterdam: Mens en Maatschappij, jrg. 94 (2)

Uyl, R den; Choenni, C. en Bovenkerk, F. (1986) “Mag het ook een buitenlander wezen”, Utrecht: Landelijk Bureau Racismebestrijding

 

Dr. J.P.R. de Jonge is econoom en gepensioneerd UD aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is een uittreksel uit een manuscript van 32 pagina’s, dat geschreven is voordat de Corona pandemie uitbrak.

  1. 1

    “Toch ervaren leerlingen met een migratieachtergrond discriminatie in het onderwijs. Zij klagen er vooral over dat zij een te lage beoordeling krijgen.”

    Soms wordt gedaan of de onderwijs instellingen vol zit met PVV en FvD sympathisanten, dit terwijl iedereen die ik daaruit spreek juist in de tegenovergestelde hoek zit en vooral bezig is leerlingen met achterstand te helpen.

    Wat er meer aan de hand is dat allochtone jongeren institutioneel een minderwaardigheidscomplex wordt aangepraat, niet bewust maar door ze consequent als zielig te bestempelen en te behandelen. Als er constant wordt gehamerd dat er institutioneel iets mis is met “witte” Nederlanders omdat een klein deel eeuwen geleden ooit aan slavernij deed, dan zal die “witte” leraar je ook wel stiekem lagere cijfers geven en de “witte” politieagent je ook wel stiekem een extra boete geven. En als je bij geschiedenisles leert dat jouw afkomst land alleen maar geschikt was om slaven vandaan te halen helpt dat ook niet echt voor je zelfvertrouwen. Vertel liever iets meer over b.v. Shaka Zulu, dat brengt een beter perspectief over macht en geweld over de continenten in die tijd.

    Zoals dit stuk aantoont valt het in de praktijk wel mee, het racisme is niet institutioneel maar incidenteel. Stop daarom met generaliseren en met “wit” en “zwart” denken maar pak het racisme wat er wel is gericht aan, dan schiet je een stuk sneller op.

  2. 3

    Tja, toen Nederland nog vrijwel etnisch homogeen was had je ook dubbeltjes, kwartjes, segregatie, ongelijke scholingskansen en werkgevers die alleen oog hadden voor één religieuze stroming. Zo’n algemeen begrip van discriminatie of klassisme lijkt me dan ook stukken interessanter dan alles bekijken door de lens van “institutioneel racisme” en louter etnische familieachtergrond. Maar ja, dat zijn de tijden.

    Om even een knuppel in het hoenderhok te gooien: Ik beschouw zelf tokkies als minderwaardig en minder geschikt, puur vooroordelen en stereotypen natuurlijjk, maar het zijn 10e generatie witte Hollanders betreft, dus bon ton. Als een werkgever ‘Kimberley’ of ‘Kayleigh’ boven het CV ziet staan weet ‘ie ook wel wat voor vlees ‘ie in de kuip heeft, en anders wel na 5 minuten sollicitatiegesprek.

  3. 4

    Wat jammer nou dat de auteur stelt dat met dit stuk “geen beeld wordt gegeven over de omvang van institutioneel racisme in Nederland” en gevoelige gebieden als “de rechtspraak, het politie-optreden, het handelen van de belastingdienst of de praktijken in de horeca, de woningsector en dergelijke” buiten beschouwing worden gelaten.

    Extra jammer is zijn slotoverweging: Er zou “onvoldoende reden” zijn “te denken dat in de Nederlandse verhoudingen institutioneel racisme kenmerkend is voor de hier beschreven praktijken. Ik weet dat deze empirische verkenning deze conclusie niet volledig legitimeert. Daartoe is het onderzoek te beperkt en kunnen er vragen blijven over een correcte interpretatie van de uitkomsten.”

    Om vervolgens te stellen dat “de bewijslast bij degenen die het tegendeel beweren” ligt, sluit een zinnige gesprek hierover bij voorbaat uit.
    Want alleen al als ik van dhr. De Jonge zou willen weten waar dan precies zijn empirische verkenning zijn “conclusie niet volledig legitimeert”, hoef ik dat toch niet te bewijzen?

  4. 5

    @4
    Dan ben jij hert niet eens met de definitie. Gegeven de hier beschreven definitie bestaat er geen institutioneel racisme. Niet dat er niet gediscrimineerd wordt, maar dat komt niet door een alom aanvaarde mening dat bepaalde etnische groepen minderwaardig zouden zijn.

  5. 6

    @1: Zoals dit stuk aantoont valt het in de praktijk wel mee

    Dat kun je niet zomaar stellen. De auteur zelf schrijft immers al:
    “Het is duidelijk dat daarmee geen beeld wordt gegeven over de omvang van institutioneel racisme in Nederland.”

  6. 7

    @5: Ja, nog een wat zwak punt in het betoog. Zelf definities formuleren die afwijken van de gangbare definities en dat dan als meetlat hanteren?
    Dat kan, maar dan moet de auteur toch ook wat beter uitleggen wat er mankeert aan de gangbare definities? Dat zie ik in dit stuk niet terug.

  7. 8

    @7
    Als ik kijk naar de definitie op wikipedia dan bestaat dat ook niet in Nederland:

    “Institutioneel racisme, geïnstitutionaliseerd racisme, structureel racisme, staatsracisme of systemisch racisme is het systematisch uitsluiten, marginaliseren en discrimineren van bevolkingsgroepen door formele of informele regels vanuit instituties.”

    Systematisch gaat uit van een vooropgezet plan c.q. complot.

  8. 9

    @5: Het debat over racisme gaat vaak over woorden en de interpretatie van die woorden. Hier wordt naar cijfers gekeken. Met de nodige nuances en voorbehouden. Lijkt mij niet onverdienstelijk.

  9. 10

    @8 “vooropgezet plan” is niet hetzelfde als een complot. En wellicht heb je de toeslagenaffaire gemist? Of het structurele (conform plan) controleren van etnische minderheden door de politie (https://www.politieenwetenschap.nl/publicatie/politiewetenschap/2016/boeven-vangen-279/)? Dat je beter op je cv kan hebben staan dat je in de bak hebt gezeten voor een geweldsdelict dan dat je Mohammed heet? (https://joop.bnnvara.nl/nieuws/werkgevers-prefereren-autochtone-ex-crimineel-migrant-zonder-strafblad )

    Of, of, of…

    Anyway: wat mij bekruipt als ik dit artikel lees: met het onderscheid dat de schrijver maakt tussen ‘discriminatie’ en ‘racisme’, is ‘institutioneel racisme’ dan bijna niet bij voorbaat al uitgesloten? Wanneer je racisme nauw definieert als “de ander minderwaardig vinden”, dan ben je gauw klaar: instituties “vinden” niets. Ze kunnen wel (om maar een dwarsstraat te noemen) bepaalde groepen strenger controleren, maar met deze definitie telt dat niet mee als institutioneel racisme. Tja. “Nadat we de definitie hebben aangepast, bleken alle problemen verdwenen als sneeuw voor de zon”.

  10. 11

    Ik zie nogal wat rode vlaggen in dit verhaal. Zinnen die de indruk wekken dat de conclusie vooraf gaat aan de analyse, bijvoorbeeld:

    Ik beschouw Nederland als een multiculturele samenleving, niet als een binair verdeelde samenleving.

    Ook wel een beetje een stropop, trouwens. Want bij mijn weten wordt er met institutioneel racisme iets anders bedoeld als een “binair verdeelde samenleving”.

    Of dit semantisch gegoochel, dat toch vooral lijkt bedoeld om sommige vormen van racisme geen racisme te hoeven noemen:

    Ik maak ook verschil tussen discriminatie en racisme. Racisme is in mijn optiek een sentiment dat zich uit in gedragingen naar mensen met een bepaalde etnische achtergrond die men niet als gelijkwaardig beschouwt. Die mensen worden niet als minder geschikt, maar als minderwaardig beschouwd. In mijn visie op racisme is dit inferioriteitskenmerk doorslaggevend, niet de kleur zoals dat in het binaire model het geval is. Discriminatie is het beoordelen van leden van bepaalde etnische groepen op grond van vooroordelen en stereotypen.

    En dan, over onderwijs: het enige dat de cijfers daar laten zien is dat de tweede generatie met een niet-westerse afkomst het beter doet dan de eerste generatie. Best een hoopvolle ontwikkeling. Maar daar volgt helemaal niet uit dat racisme (of discriminatie) helemaal geen invloed heeft. Natuurlijk speelt opleidingsniveau van de ouders ook een rol, en het lijkt me heel aannemelijk dat kinderen van hoogopgeleide ouders weerbaarder zijn tegen discriminatie. Maar als je constateert dat die ene factor van invloed is, sluit je daarmee een andere factor helemaal niet uit.

    De rest laat ik maar voor wat hij is, want deze reactie is al lang genoeg.

  11. 12

    @8 nee hoor. Systematisch gaat helemaal niet noodzakelijkerwijs uit van een vooropgezet plan c.q. complot.

    Onze overheid faalt systematisch in het afdwingen van corona maatregelen. Ik wil (nog) niet zo ver gaan door te stellen dat dat een vooropgezet plan dan wel een complot is.

    systematisch betekend volgens Van Dale:

    “ordelijk en samenhangend volgens een systeem”

    Systeem betekend volgens Van Dale:

    “doelmatig geordend samenhangend geheel van bij elkaar horende dingen en hun onderdelen”

  12. 13

    @4: De discussie over institutioneel racisme is sterk gepolariseerd en gepolitiseerd, daarom druk ik mij omzichtig uit. Er zijn discussies mogelijk of ‘achterstanden’ wel de meest relevante meetlat is. Ook kunnen er meningsverschillen ontstaan over de interpretatie van cijfers.
    @7: Kijk naar Wikipedia als je graag wilt praten over definities. Dan zul je constateren dat institutioneel racisme al in de jaren ’60 werd gebruikt. En nu weer door BLM. Ik geef een duidelijke definitie, kritiseer die. Je maakt het jezelf te gemakkelijk.
    @10: @11: Deze kritiek kun je ook omdraaien. Als je geen onderscheid maakt tussen racisme en discriminatie, wordt racisme een containerbegrip en daarmee schadeloos gemaakt. Kijk verder eens naar het onderscheid dat Willem Schinkel maakt tussen structureel racisme (dat ik discriminatie heb genoemd) en ideologisch racisme (staat in de tekst). De formulering van een binair verdeelde samenleving is niet onschuldig. Als dat een stropop wordt genoemd lees dan het artikel van Bourdieu en Waquant. Wil ik wel toesturen als het moet.Ten slotte: verschillen ten gevolge van verschillen in opleiding van ouders noem ik klassenverschillen.

  13. 14

    @10: Nog ter aanvulling.
    Ik heb het bestaan van institutioneel racisme niet weg gedefinieerd.
    Ik heb gekeken of achterstanden structureel zijn of veranderen, ihb of ze verminderen. Als dat empirisch aangetoond kon worden, heb ik geconstateerd dat in de onderzochte praktijken de invloed van institutioneel racisme niet aangetoond is. Het woord discriminatie heb ik gebruikt bij de beschrijving van de wervingspraktijken van bedrijven op de arbeidsmarkt. Op grond van de door mij bestudeerde enquêtes kreeg ik niet de indruk dat racisme een motief was.

  14. 15

    @14

    Ik heb gekeken of achterstanden structureel zijn of veranderen, ihb of ze verminderen. Als dat empirisch aangetoond kon worden, heb ik geconstateerd dat in de onderzochte praktijken de invloed van institutioneel racisme niet aangetoond is.

    Dat heet een non-sequitur. Het tweede volgt helemaal niet uit het eerste. Als een achterstand vermindert wil dat niet zeggen dat hij er niet meer is. Eerder het tegendeel: als er geen achterstand zou zijn zou hij ook niet minder kunnen worden.

  15. 16

    @15: Heb jij het stuk wel gelezen? In de inleiding staat: “Een belangrijk criterium in de beoordeling van achterstanden is of ze verklaard en gerechtvaardigd kunnen worden. Ook hun ontwikkeling is belangrijk: zijn ze permanent, nemen ze toe of nemen ze juist af.” Er staat dus niet dat er geen achterstanden mogen zijn als je wilt aantonen dat er geen institutioneel racisme heerst. Of stel jij die voorwaarde wel?

  16. 17

    @16

    Een non-sequitur blijft een non-sequitur, ook als je die in de inleiding al introduceert. Het simpele feit blijft namelijk dat een afname van achterstanden op geen enkele manier bewijst dat er geen institutioneel racisme is.

  17. 18

    @17: Het is toch vrij logisch: institutioneel racisme zou een verklaring kunnen zijn van achterstanden, naast allerlei andere factoren die die achterstanden kunnen verklaren. Op het moment dat een achterstand vermindert, dynamisch is, is het minder waarschijnlijk dat er sprake is van structureel racisme, dan zou je immers statische verschillen verwachten.

    Maar goed, het draait in het stuk uiteraard om de cijfers en niet zozeer om de definities. Jij vindt blijkbaar wel dat er sprake is van institutioneel racisme op de besproken onderwerpen; ik ben wel benieuwd op basis van welke data. Veel interessanter dan gehakketak over definities.

  18. 19

    @18

    Het is toch vrij logisch: institutioneel racisme zou een verklaring kunnen zijn van achterstanden, naast allerlei andere factoren die die achterstanden kunnen verklaren. Op het moment dat een achterstand vermindert, dynamisch is, is het minder waarschijnlijk dat er sprake is van structureel racisme, dan zou je immers statische verschillen verwachten.

    Nee, dat is helemaal niet logisch. Het zou alleen logisch zijn als er geen ander factoren meespelen. Je had het, gezien je eigen citaat, bijna zelf kunnen bedenken.

    Jij vindt blijkbaar wel dat er sprake is van institutioneel racisme op de besproken onderwerpen; ik ben wel benieuwd op basis van welke data.

    Ik heb helemaal nergens beweerd dat ik dat vind en nog minder dat ik het kan bewijzen met data.

    Maar ik vind het wel plausibel dat het bestaat. En dus zie ik in elk geval geen reden om het op basis van drogredenen weg te wuiven.

  19. 20

    @19:

    Maar ik vind het wel plausibel dat het bestaat.

    En op basis van welke data vind je dat dan plausibel?

    Er is evenmin reden om aan te nemen dat institutioneel racisme bestaat op basis van vage aannames.

    In een stuk wat over cijfers gaat op de definities gaan zitten is een zwaktebod.

  20. 21

    En op basis van welke data vind je dat dan plausibel?

    Ten eerste: als een aanzienlijk aantal mensen aangeeft het te ondervinden is dat al een reden om het serieus te nemen. En er zijn ook nog wel andere aanwijzingen. De toeslagen-affaire bijvoorbeeld. En de behoefte bij een deel van de bevolking om het te ontkennen op basis van drogredenen (ofwel: zonder dat ze goede argumenten hebben) is ook eerder een aanwijzing voor dan tegen.

    In een stuk wat over cijfers gaat op de definities gaan zitten is een zwaktebod.

    So what? Ik wees op drogredenen (= fouten in de logica). Dat is heel wat anders.

  21. 22

    @20 hoezo zou er nog een gesprek moeten zijn “of institutioneel racisme bestaat”? Volgens de gangbare definities is dat al lang bewezen. In #10 haal ik drie recente, concrete, zeer goed gedocumenteerde en (wetenschappelijk) onderzochte voorbeelden aan. En de voorbeelden zijn legio: discriminatie op de arbeidsmarkt, op de woningmarkt, bij opsporing en handhaving.

    Als je in 2020 in Nederland “nog steeds niet zeker weet dat het bestaat”, of het maar “vage aannames” vindt, dan kunnen we ook een gesprek hebben over het bestaan van zwaartekracht, of je van roken kanker krijgt, of de huidige, catastrofale opwarming van de aarde komt door menselijk handelen, of dat de aarde plat is. Maar dat gaan we niet doen (meestal niet gelukkig) omdat zo’n gesprek onzinnig is.

    Tuurlijk kun je op basis van andere definities nog een keer kijken naar een onderwerp, zoals de schrijver doet. Maar het levert niet zoveel op. Ten eerste omdat er een fundamentele fout zit in zijn logica, waar oa #15 al op wijst. Dat een achterstand vermindert bewijst uitdrukkelijk NIET dat er geen sprake is van institutionele achterstelling: dat weet je pas zeker als die achterstand daadwerkelijk uit zou komen op 0. Tot die tijd is het speculatief en volgt “geen institutioneel racisme” inderdaad niet uit “afname achterstand”. Dan kunnen we blij zijn met dat verschillen kleiner worden, maar dat “empirisch is aangetoond” dat er geen institutioneel probleem is is natuurlijk niet zo. En ten tweede is er wel degelijk ook een probleem met de definities. De auteur geeft daar zelf een prachtig voorbeeld van in #14:

    Ik heb het bestaan van institutioneel racisme niet weg gedefinieerd […] Op grond van de door mij bestudeerde enquêtes kreeg ik niet de indruk dat racisme een motief was.

    De laatste zin van de quote is dus precies het weg-definiëren van institutioneel racisme: doordat racisme in dit artikel alleen racisme is omdat je de ander inferieur vindt (en bijvoorbeeld niet het niet aannemen van donkere mensen omdat de baas bang is dat de klanten het niet zo hebben op mensen met een andere kleur), is institutioneel racisme opeens geen institutioneel racisme meer. Ander label, maar er worden nog net zo goed groepen structureel gediscrimineerd op de arbeidsmarkt, dus de situatie veranderd niet. En volgens de gangbare definities heet dit soort structurele discriminatie: institutioneel racisme.

  22. 23

    O, en nog @20

    In een stuk wat over cijfers gaat op de definities gaan zitten is een zwaktebod.

    In aanvulling op #21 dat het (ook) gaat om logica, is het ook nog eens zo dat om een zinnige discussie te voeren aan de hand van cijfers je moet beginnen met een fatsoenlijke definitie. Wat betekenen deze cijfers, wat laten ze zien, en wat niet? Dan pas kun je er zinnige conclusies uit trekken. Als de definities niet op orde zijn kun je hondermiljardmiljoen cijfers laten zien, maar die zeggen helemaal niets.

  23. 24

    @22: @23:
    Jij hebt het over etnisch profileren. In het begin van het stuk zeg ik dat ik het daar niet over heb. En dat mijn manuscript dus geen uitspraak doet over institutioneel racisme in Nederland. Ik beperk me tot drie domeinen. Opleiding, banen en inkomen. Niet de minst belangrijke lijkt mij. Ik heb graag dat je het daar over hebt.
    Ik maak mijn definities expliciet. Even verder gaat het weer om iets anders nl of ik het woord discriminatie mag gebruiken ipv structureel racisme. Dat heb ik verantwoord (structurele ontwikkelingen op de arbeidsmarkt). Daar gaat de schrijver aan voorbij. Tenslotte verwijs ik nog een keer naar tabel 5. Daar staat dat van ieder groep het aantal dat het hoogste beroepsniveau haalt in verhouding staat tot relatieve omvang van degenen die het hoogste opleidingsniveau halen. Dat geeft toch niet de indruk dat groepen uitgesloten worden.
    Als de schrijver meent dat institutioneel racisme pas is verdwenen als er geen achterstanden meer bestaan, en dus iedereen hetzelfde opleidingsniveau heeft (want dat is de consequentie), dan is er natuurlijk altijd sprake van institutioneel racisme.

  24. 26

    @25: Je hebt het niet over banen, maar over sollicitatie gesprekken. Als je het over banen hebt moet je naar tabel 5 kijken.
    Ik ga uitvoerig in over sollicitaties en het is wel vreemd dat je met een artikel uit het TvC komt en niets zegt over wat er in mijn artikel over staat. Ik haal 3 artikelen aan (Andriessen, Thijssen et al, en Van der Ent). Ga daar op in. Ik kom tot de conclusie dat er sprake is van structurele discriminatie en op grond van interviews kom ik tot de conclusie dat werkgevers risicomijdend zijn. Jij komt met één, wat sensationeel artikel.
    Ik zal dat artikel overigens opzoeken.

  25. 27

    @25: Inmiddels heb ik het artikel ingezien. Ik geef een korte samenvatting van het gene dat ik heb gelezen.
    “In de afgelopen twintig jaar is er veel onderzoek verricht naar de relatie tussen detentie en de arbeidskansen van ex-gedetineerden. Verrassender en in tegenstelling tot eerder onderzoek constateerden wij dat de ex-gedetineerde kandidaten niet vaker een negatieve reactie ontvingen bij het solliciteren op onlinevacatures.
    Hoewel het niet het hoofddoel van het onderzoek was, bleek dat sollicitanten met een niet-westerse achtergrond vaker een negatieve reactie ontvingen dan sollicitanten met een Nederlandse achtergrond.
    Samen met eerdere onderzoeken die tot eenzelfde conclusie kwamen (Andriessen e.a., 2010), wijzen onze resultaten erop dat, alle initiatieven voor gelijke behandeling ten spijt, discriminatie van etnische minderheden een hardnekkig probleem is in de Nederlandse arbeidsmarkt.”
    Dit verhaal had je ook in mijn artikel kunnen lezen. Alleen had ik het niet over ex-gedetineerden, maar wel over het verschil in behandelingen van Nederlanders met een migratieachtergrond en Nederlanders zonder die achtergrond.