Goed volk | Pierepauwen op Vlieland (2)

ACHTERGROND - In het eerste deel van de blog over het buiten Vlieland welhaast onbekende Pierepauwen beschreef ik een poging tot een etymologie van de term. Ik concludeerde dat de herkomst en betekenis van het woord in feite onbekend zijn. Ik wil hier nog aan toevoegen dat het begrip Vlielands kan zijn, een dialect dat lijkt op het Tessels. (De Vlielanders spreken geen Fries.) De laatste spreker van het Vlielands is echter in 1993 overleden. Ten tweede zal het fenomeen niet altijd Pierepauwen zijn genoemd, zeker niet in de Late Middeleeuwen, als het toen al op Vlieland voorkwam.

Hierna gaf ik een korte inleiding op het fenomeen Pierepauwen en besprak ik de meest uitgebreide secundaire bron, het boek van D.J. van der Ven, Friese volksgebruiken weerspiegeld in Europese folklore (1970). Van der Ven wijdt weliswaar twee pagina’s aan Pierepauwen, maar gaat daarna over op het fenomeen van de witte rouwsymboliek, waarbij duidelijk wordt welke kant hij op wil. Ik ga nu eerst over tot de bespreking van vier andere secundaire bronnen, in chronologische volgorde. Primaire bronnen (contemporaine brieven, akten, rekeningen, dagboeken, kaarten, foto’s en vele andere soorten archiefstukken) zijn tot op heden over het fenomeen niet bekend, want niet betekent dat ze niet kunnen bestaan.

Klaas Sierksma

Het boek van Van der Ven

De eerste bron is het artikeltje uit de Leeuwarder Courant van 18 november 1949 dat door Van der Ven is geciteerd. De schrijver Klaas Sierksma haalt hierin het boekje Vlieland (1946) van Okke Haverkamp (dit was één van de pseudoniemen van Sierksma!) aan waarin deze opmerkt:

Op Sint-Maarten (11 november) gaan de kinderen – zij het sporadisch – nog rond langs de deuren en dragen een lampion of iets dergelijks met zich mee. De dag staat bekend onder de vreemde naam Pierepauwen.

Terecht merkt Sierksma op dat Sint Maarten weliswaar op 11 november valt, maar Pierepauwen op 2 november wordt gehouden – grappig dat hij zichzelf verbetert. Sierksma beschrijft vervolgens hoe het Pierepauwen rond 1900 moet zijn gevierd. Ik heb dat in deel 1 al geciteerd via het boek van Van der Ven. Waar deze laatste vervolgens overgaat op de witte rouwsymboliek draaft Sierksma gelijk verder met de opmerking

Het is voor de volkskundigen wel duidelijk: men heeft hier te doen met een restant van voor-christelijke dodenverering aan het begin van een tijdperk waarin de stormwind begon te huilen door de ontbladerde bomen en het doden- en geestenheir door het luchtruim raasde.

We zullen gevoeglijk de Germaanse mythologie maar buiten beschouwing laten, maar dat Sierksma een link legt met “voor-christelijke dodenverering” is op zich niet onlogisch, zoals ik ook al in deel 1 vermeldde.

De geïsoleerde Waddeneilanden

De Waddeneilanden kennen wel meer restanten van voor-christelijke gebruiken (de ‘heidense sinterklaasfeesten‘ en het ‘heidense Pinksterfeest’ Kallemooi). De Waddeneilanden raakten pas in de loop van de Middeleeuwen bevolkt, maar tot ongeveer het jaar 1000 zaten de eilanden nog aan het vasteland vast. De immigranten zullen hoogstwaarschijnlijk – ook na de kerstening – oeroude gebruiken hebben meegenomen uit hun oorspronkelijke woongebied.

Klaas Sierksma eindigt zijn artikel met de bewering:

De witte, verklede en onherkenbaar geworden verschijningen zijn als het ware afbeeldsels van wat men zich in de geesten voorstelde: geesten die men overigens juist door dit nabootsen trachtte te misleiden en af te weren, teneinde onheil over de mensen te voorkomen.

Het is mogelijk.

Waddenfolklore

De tweede bron is het boekje Waddenfolklore (1973), zijnde de gecombineerde nummers 1 en 2 (jaargang 23) van het tijdschrift Neerlands Volksleven, dit nummer onder redactie van S.J. van der Molen. Op pagina 31 schrijft D. Vermeulen uit Franeker over het Pierepauwen, maar veel nieuws voegt hij niet toe. Hij lijkt Van der Ven (1970) na te praten als hij spreekt over het feit dat rond 1900 de kinderen die deelnamen aan Pierpauwen geheel gekleed gingen in het wit, waarbij een doekje van witte vitrage het gezicht bij de meisjes onherkenbaar maakte), en dat wit in die tijd (naast het zwart of blauw) ook een kleur van rouw was. Vermeulen eindigt met de zin:

Zouden we hier misschien te maken hebben met een vervorming van een processie ter nagedachtenis van de doden (de vitrage doet inderdaad denken aan een rooms-katholieke processie – JHO) of van een nog oudere cultus ?

Het is mogelijk.

Een bevlogen propagandist

De derde bron voegt nieuwe elementen toe. Het is een artikel uit het Volkscultuur Magazine (2011, nr 3) van het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed. Op p. 14 begint het artikel ‘Pierepauwen en opkleden’ van Janneke van der Veer waarop op pp. 16 en 17 het Pierepauwen kort ter sprake komt. Van der Veer haalt Jan Houter aan, over wie ik in het vorige deel Bert van Zantwijk al aanhaalde, die beweert dat Houter een onbetrouwbare bron is.

Volgens Van Zantwijk is Houter een ‘bevlogen propagandist van Vlieland maar hij heeft geen verstand van geschiedenis’. De woorden zijn voor rekening van Van Zantwijk, maar de website van Houter maakt inderdaad geen verpletterende indruk. Het vervelende is dat hij in modernere publicaties regelmatig geciteerd wordt. In het directe spoor van Houter beweert Van der Veer dat het gebruik uit de Franse tijd (rond 1800) stamt toen een Frans detachement op Vlieland gelegerd zou zijn geweest. Ze citeert verder Houter met de merkwaardige passage:

Deze Franse soldaten lieten de Vlielandse kinderen op 2 november met lichtjes door het dorp gaan. Het woord ‘pierpauwen’ verwijst naar deze herkomst. Het is namelijk afkomstig van ‘Pierre et Paul’, het Franse lichtfeest dat op 2 november rond de apostelen Petrus en Paulus werd gevierd. Tegenwoordig wordt dit feest nog op het platteland in Frankrijk gevierd. Waarschijnlijk is er een relatie met Allerzielen dat ook op 2 november is.

De passage is om een tweetal redenen vreemd. Dat er tijdens de Franse tijd een Frans detachement op Vlieland gelegerd is geweest, zou ik bevestigd willen zien. Vreemd is dat de Vlielandse kinderen in opdracht van de soldaten op 2 november met lichtjes door het dorp moesten gaan. Zoals ik in deel 1 beweerde kunnen de lichtjes van Sint Maarten naar 2 november zijn verhuisd vanwege de overgang van de Juliaanse naar de Gregoriaanse kalender. Bovendien zijn lichtjes inherent aan Allerzielen.

Opvallend is dat Sierksma en Van der Ven de nadruk leggen op witte kleding maar niet op de lichtjes. Ten tweede het noemen van het ‘lichtfeest van de apostelen Petrus en Paulus’ op 2 november. Nu ben ik niet bepaald onbekend met (de geschiedenis van) christelijke feest- en gedenkdagen, maar van dit feest had ik nog nooit gehoord noch heb ik er in het kader van deze blog iets over kunnen vinden.

De Franse connectie

De bewering van Houter dat “tegenwoordig het feest nog op het platteland van Frankrijk gevierd wordt” wijst er op dat het een wijd verbreid fenomeen was en is, tenzij Houter zich onzorgvuldig uitdrukt. Van Zantwijk heeft een alternatieve verklaring voor dit feest waar ik mij overigens niet in kan vinden, maar laat ik niet vooruit lopen op deel 3 waarin zijn blog ter sprake komt.

Het ‘Hoogfeest van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus’ is een hoogfeest in zowel de Rooms-Katholieke als de Oosters-Orthodoxe Kerk ter nagedachtenis aan de marteldood van de heilige apostelen Petrus en Paulus en wordt gevierd op 29 juni. Deze marteldood zou de link kunnen zijn met Allerzielen, maar heiligen worden herdacht op Allerheiligen (1 november) waarbij weer de aantekening moet worden gemaakt dat het op deze datum om de ‘naamloze heiligen’ gaat. Maar de volksdevotie heeft zijn eigen logica. Wat Houter bij monde van Van der Veer beweert is in theorie mogelijk, maar ik heb daar geen bevestiging voor gevonden. Maar wat niets is kan nog komen.

Van der Veer eindigt haar passage over Pierepauwen met de mededeling dat het bekende liedje ‘Piere Piere Pauwen/Klaas en Fijtje gaan trouwen’ (zie deel 1) gezongen werd bij een huis waar de zoon of dochter op het punt stond te trouwen. Alsdan werden de namen van bruid en bruidegom ingevuld. “Overigens is niet bekend in hoeverre er een relatie is tussen pierepauwen en trouwen”. Hoe Van der Veer aan die wijsheid komt vermeldt ze helaas niet.

W. de Boer

De vierde bron is de enige wetenschappelijke (what’s in a name?) uit het rijtje. Het gaat om een passage uit de masterthesis van W. de Boer: Religieus-culturele achtergrond van het eiland Vlieland in het verleden en de moderniteit (Tilburg, 2014). Op pp. 23 en 24 komt Pierepauwen ter sprake waar De Boer – je verzint het niet – Houter als bron aanvoert. Ik citeer:

Men (sic! – JHO) gaat er van uit dat de naam ‘Pierepauwen’ afkomstig is van het lichtfeest rond de apostelen Petrus en Paulus; in het Frans Pierre et Paul (Interview Jan Houter).

Zoals het bij een masterthesis betaamt noteert De Boer hier tenminste een voetnoot bij:

De heer Houter meldde dat hij dit zelf heeft gevonden in historische archieven daterende van de Franse bezetting. Hij heeft dit bericht over Pierre et Paul zelf in de archiefstukken gevonden bij het Fries Museum, nadat hij op hun bestaan was geattendeerd door de museumconsulent van Friesland. Het was een notitie over wat de Franse bezetters op Vlieland ondernamen.

Hier laat de master-kandidaat het bij. Als ik de scriptiebegeleider of meelezer was, had ik dit nooit geaccepteerd. Hoe heet die museumconsulent? En wat de archiefstukken betreft: ontsluitingsgegevens graag en liefst digitale kopieën. Kunnen die niet overlegd worden, dan is dit een gevalletje ‘zo lust ik er nog wel een paar’.

Napraterij

Bij zowel de eerste twee als de laatste twee aangehaalde bronnen lijkt men elkaar na te praten. De eerste twee bronnen reppen van het oorspronkelijke Pierepauwen dat een link schijnt te hebben met Allerzielen, processies ter ere van de overledenen en dergelijke. De twee laatste bronnen worden gedomineerd door de bevlogen propagandist Jan Houter die met ongecontroleerde beweringen aan komt zetten.

Ik had het graag bij twee delen gehouden, maar volgende keer toch nog een derde en laatste deel, anders zouden de blogs simpelweg te lang worden. De volgende keer een bespreking van de blog uit 2016 van Bert van Zantwijk, die met twee nieuwe (digitale) bronnen aan komt zetten inclusief een paar originele oplossingen.

Gezien de nevelen der geschiedenis waarin deze historie lijkt te verdwijnen, ga ik mijn DeLorean maar eens uit de garage halen. Eventuele ontdekkingen, zoals over het mysterieuze ‘lichtjesfeest Pierre et Paul’, verwerk ik in de derde en laatste aflevering over dit onderwerp.

  1. 1

    Rake observaties over amateur”historici” die bronnen niet openbaren en delen, stellingen niet onderbouwen en elkaar net zo lang napraten totdat iemand het gehoorde als feit aanneemt. Oude vlielandse traditie?
    Dat van die witte kleren zou toch te checken moeten zijn bij inwoners die de verhalen daarover nog direct moeten kennen van ouders of grootouders? Het gebruik lijkt tot begin 20e eeuw te hebben bestaan, volgens de krantenknipsels. (of niet? Ik heb m’n oma, geboren 1911, er nooit over gehoord, maar dat zegt natuurlijk niks).
    Het hilarische pierre-et-paul in relatie tot de Franse bezetting zou natuurlijk een geweldige verklaring zijn. Benieuwd naar de wetenschappelijke onderbouwing. Daar moet om te beginnen iets over te vinden zijn in het gemeentelijke of kerkelijke archief. Dat trouwens nooit serieus volledig is onderzocht of ontsloten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren