Freiheit für Wilfried!

Deel 1

Het is nu allemaal mis en het zal misschien nooit meer goedkomen en ik ben bang dat het door mij komt. Het is allemaal mijn schuld, ik heb het gedaan. Het was geen kwade bedoeling van mij, dat niet. Onachtzaamheid misschien, maar dan ook maar heel kort, vijf seconden of zo. Dat het allemaal zo uit de hand zou gaan lopen, kon ik toen echt niet weten.

Het begon toen ik lang geleden met een aantal vrienden op Interrail door Europa trok. Op een ochtend, ik sliep nog half, had ik plotseling een visioen. Een stem zei tegen mij: “Een goede naam voor je slaapzak is Robert.” Het was heel wonderlijk.

Later dacht ik een keer terug aan deze ingeving. Dat deed ik tijdens een overpeinzing over originaliteit in de muziek of meer algemeen over het echte in kunst en cultuur, want ik had het idee dat mijn Robert-visioen, hoe vreemd ook, ook op de een of andere manier echt was. Misschien zoals het lied John Brown’s Body, dat kennelijk in een droom is ontstaan, als het verhaal klopt tenminste.

Het is altijd een probleem om te beoordelen of een kunstvoorwerp echt is of namaak. Het televisieprogramma Tussen kunst en kitsch leeft daar bijvoorbeeld al jaren van. Zelfs voor doorgewinterde vakkundigen is het vaak heel moeilijk te zeggen en dan klopt het ook niet altijd. Zo dachten zij bijvoorbeeld heel lang dat het schilderij De man met de gouden helm van Rembrandt was, maar dat is het kennelijk toch niet.

Een heel ander verhaal wordt het echter, als ik zelf bijvoorbeeld een muziekstuk maakt. Of een stuk van mezelf nu echt is, origineel of namaak, ja, of het goed is of slecht, dat weet ik uiteindelijk alleen maar zelf. Dat voel ik en daar kan ik ook niet over liegen. Het gaat dan niet zozeer om de objectieve werkelijkheid in de zin van is het van Rembrandt, ja of nee, maar meer om artistieke vrijheid en binnen die artistieke vrijheid bepaal ik alles zelf. Wat anderen erover denken doet er eigenlijk niet toe.

Het was dan ook niet in het kader van de objectieve werkelijkheid maar in het kader van de artistieke vrijheid, dat mijn fatale onachtzaamheid gebeurde en het had te maken met een muziekstuk van mij dat ik Robert ging noemen. Eigenlijk wou ik alleen maar zeggen dat ik het voor mezelf goedkeurde, maar ik zei het op een andere manier, want ik vond het belangrijk om te voorkomen dat anderen zich op een schadelijke manier met mijn muziek gingen bemoeien. Ik zei over het stuk: Het is van mij en daarom kan het niet slecht zijn.

Deel 2

Toen gebeurde lange tijd niets. Althans niets wat mij opviel. Pas vele jaren later ontdekte ik de eerste symptomen van dat er misschien iets niet helemaal klopt. Ik woonde toen in de Duitse stad G.. Op een avond was ik samen met vrienden op weg naar een feestje toen wij een jonge man tegenkwamen die helemaal alleen in het donker op een eenzame weg pamfletten uitdeelde. Wij kregen er een: Freiheit für Wilfried. Wilfried, dat was de jonge man kennelijk zelf en het ging erom dat hij helemaal en volledig onterecht in een psychiatrisch ziekenhuis moest zitten, hoewel hij eigenlijk uitverkoren was voor hogere doelen. Het bewijs daarvoor was duidelijk, hij kwam namelijk uit het plaatsje Duderstadt en dat was een teken. Dat betekende namelijk Gib’ du-der-Stadt den Namen en dat was wederom een wat cryptische omschrijving voor zijn eigen uitverkorenheid.

Ik moet erbij vertellen dat er Duitse steden zijn waar altijd een beetje lacherig over wordt gedaan. Het zullen in werkelijkheid heel leuke steden zijn, ongetwijfeld, maar als je hun naam hoort, als je bijvoorbeeld op een feestje vertelt dat je daar vandaan komt, wordt erover gelachen. Bielefeld, Pirmasens, Bamberg of Osnabrück zijn daar voorbeelden van. En Duderstadt hoort daar ook bij.

Hoe dan ook, toen dacht ik voor het eerst: ‘als dat maar goed gaat’. De vrijheid die Wilfried voor zich opeiste, had hij eigenlijk al. Alleen, het was artistieke vrijheid. Het probleem was gewoon dat bij Wilfried artistieke vrijheid en objectieve werkelijkheid door elkaar heen liepen en daarom was hij dus in psychiatrische behandeling.

Sindsdien ben ik erop gaan letten wat er sinds mijn fatale fout allemaal was veranderd en dat bleek heel veel te zijn. Het begon ermee dat de muziekindustrie op een gegeven moment lucht kreeg van wat ik toen vertelde. Iemand moet het hebben doorverteld. De marketingafdelingen van de platenmaatschappijen gingen hun muzikanten adviseren om in interviews ter bevordering van de platenverkoop altijd over hun muziek te zeggen: “Het is van mij en daarom kan het niet slecht zijn.” En het werkte. Een enkel zangeresje merkte nog terecht op: “Maar het is helemaal niet van mij. Ik heb alleen gedaan wat jullie wilden. Wat ik zelf wou doen, mocht helemaal niet van jullie!” Maar toen zeiden ze: “Dat maakt niet uit, dat hoeft ook niet te kloppen, jij moet dat alleen maar zeggen. Doe dat nou maar gewoon. Jij wilt toch ook beroemd worden en als je dat wilt, moet je dat gewoon doen. Anders garanderen wij niets.” Het was gewoon niet waar, maar het handige was: niemand kon het bewijzen. “En bovendien, hoezo niet waar? Niet waar, niet waar! Wij zitten hier in de artistieke business, voor het geval dat jij dat nog niet weet. Niet waar bestaat hier niet. Bij ons heet dat artistieke vrijheid.”

Deel 3

Uiteraard bleef het niet bij de muziek. Dezelfde ontwikkeling voltrok zich ook in de literatuur, de beeldende kunst enz.. En daarnaast ook buiten de kunst. Daarbuiten waren er namelijk heel veel mensen die niet goed konden zeggen ‘het is van mij’ omdat zij niet wisten wat dat het nu eigenlijk inhoudt. Deze leegte werd meer en meer ingevuld door de uitbundige verkoop van merkproducten, want merkproducten gaven de mensen het gevoel alsnog over het te beschikken. Dat was natuurlijk slechts een illusie, maar het was genoeg. De producenten van de merkproducten kwamen ermee weg. Zij wisten wel dat het niet helemaal klopte wat zij deden, maar zij deden het toch, want ook zij dachten: “Het is van mij en daarom kan het niet slecht zijn.

Het is best vreemd eigenlijk dat het alles zomaar kon, maar dat kwam omdat de objectieve werkelijkheid steeds meer ging verdwijnen. Niet echt natuurlijk, want dat kan helemaal niet. Maar de objectieve werkelijkheid werd gewoon steeds meer genegeerd. Men vond steeds meer dat de objectieve werkelijkheid er eigenlijk helemaal niet toe doet. Veel belangrijker werd wat de mensen denken wat de werkelijkheid is, hun subjectieve werkelijkheid dus.

Nu had iedereen altijd al zijn eigen subjectieve werkelijkheid en daar is ook niets mis mee. Het probleem was echter dat door meer en meer mensen hun subjectieve werkelijkheid als objectief waar werd beschouwd. Er werd niet meer getwijfeld of je wel gelijk hebt, er werden geen kritische vragen meer gesteld over hoe het nou echt zit. Gewoon niets meer. Waar zou je dan ook kritische vragen over moeten stellen? Er was niets meer om kritisch te achtervragen. Je moest alleen maar hard genoeg roepen wat je dacht, dan ging iedereen het geloven en dan werd het vanzelf waar.

De hele economie ging zo werken. Het enige wat er aan objectieve werkelijkheid overbleef, waren de recessies. Deze bleven zich met grote regelmaat voordoen en werden steeds heftiger. Maar tot nu toe kunnen deze nog steeds enigszins worden verdoezeld doordat iedereen gewoon nog harder gaat roepen.

De politiek veranderde ook. Voor zover vroeger nog wel van belang, verdwenen de argumenten nu helemaal uit de politieke discussie. Wat nu telde was bijvoorbeeld het kapsel van de politicus tijdens een verkiezingsduel. Verkiezingen werden niet meer door politici gewonnen maar door hun adviseurs, zeg maar door hun kappers.

En het werd nog erger want ook in de rechtspraak ging het mis. Advocaten hadden altijd al een zeker gevoel voor drama, en dit gingen zij nu steeds meer ook uitleven. De show won het van de feiten. Een beetje advocaat ging zich al gauw als een filmster gedragen. Alleen, hij was het niet en dat was het probleem.

Uiteindelijk gingen zelfs in de wetenschap plagiaat en verzonnen databestanden steeds meer tot de orde van de dag horen. Kortom, alles draaide de soep in.

Inmiddels is alles tot zulke enorme proporties uitgegroeid dat je moet vragen waarom eigenlijk niemand daartegen protesteert. Dat komt omdat nu iedereen altijd denkt: “Het is van mij en daarom kan het niet slecht zijn.

Dat is dus allemaal mijn schuld, ik zei het al. Had ik het toen maar niet gezegd, dan was het allemaal niet zo ver gekomen. Het tragische is dat ik toch gelijk had, maar dat het daar uiteindelijk helemaal niet meer om ging.

Het is gewoon waar:  In een wereld van geschreeuw moet de kunstenaar zwijgen. Of anders uitgedrukt: “The artist should go underground”, zoals Marcel Duchamp zegt en waar Kyra al lang geleden over schreef.  Maar ja, kunstenaar, kunstenaar, ik wou toen alleen maar een leuk liedje maken. En dat het allemaal zo uit de hand zou gaan lopen kon ik toen echt niet weten. Ik kon niet weten dat het uiteindelijk de psychiaters zelf blijken te zijn die het verschil niet kennen tussen artistieke vrijheid en objectieve werkelijkheid…

Freiheit für Wilfried!

  1. 1

    “Toen ik op een middag aandrang voelde om de ijskast met Rudolph aan te spreken, besefte ik voor de eerste maal dat ik begon te vereenzamen.”

    L.H. Wiener, ergens jaren 70. Schrijft een stuk beter en helderder dan Drios.

  2. 2

    Ik begrijp niet waarom je ‘Tussen Kunst en Kitsch’ erbij haalt. Het gaat niet om vals of echt, maar om kunst/geen kunst.

    Waarom wordt er over die steden zo lacherig gedaan? Van Osnabrück weet ik het wel, maar die anderen?

    Volgens mij is de subjectieve werkelijkheid voor veel mensen confortabeler dan de objectieve werkelijkheid, dat is altijd al zo geweest.