En als de dictator weg is, wat dan?

Het is het soort vragen dat je regelmatig tegenkomt in gesprekken over de Arabische landen die hopen op een mooie Arabische Lente. Net als: Gaan islam en democratie wel samen? Moeten we niet bang zijn voor sektarisme? Is de kans niet groot dat orthodoxen aan de macht komen? Leidt het niet tot een verslechtering van de positie van christenen?

Haitham Al-Maleh spreekt de demonstranten toe - Den Haag, 5 augustus 2011 (foto: Wim Lankamp)

Dit soort vragen gaat er impliciet van uit dat het voor inwoners van Arabische landen beter is om onder een dictatuur te blijven leven, dat zij niet willen leven in vrijheid en democratie, en dat dat ook onmogelijk is. Vragen ook die impliciet de beweegredenen van de demonstranten ter discussie stellen, even als hun kracht om hun eigen toekomst vorm te geven. De vraag is of dat terecht is. Want wat is het alternatief? Moeten we dan, zoals Martin Janssen in de Volkskrant suggereerde, bang zijn dat jihadisten zich meester maken van de Syrische revolutie? Moeten we, zoals Paul Brill ter discussie stelde, het regime van Assad blijven steunen uit angst voor ‘the devil you don’t know’?

De meesten van ons hebben geen ervaring met het leven onder een dictatuur en daardoor realiseren we ons onvoldoende wat de modus operandi van een dictator is. Een dictator regeert met geweld namens een minderheid over de meerderheid, die hij onderdrukt. Dat kan hij alleen maar zolang de bevolking niet in opstand komt, of zolang hij opstanden de kop in kan drukken. Hij kan het ook alleen maar zolang de internationale gemeenschap niet ingrijpt, of zelfs zaken met hem doet.

Wat een dictator dus doet, is suggereren dat het beste is als hij aanblijft, dat het dus beter is om de roep van zijn volk om vrijheid en democratie te negeren of zelfs tegen te spreken, want zijn vertrek zal leiden tot ‘the devil you don’t know’. Hij doet dat in zijn toespraken, in de persberichten die zijn persbureau uitgeeft, in de toelichting die we krijgen van de beelden die ons worden voorgeschoteld.

Dat kwaad wat we niet kennen, is een veelkoppig monster. Welke kop we zien, hangt af van het publiek van de dictator. In de propaganda, die we tot nu toe in elk land waar de bevolking in opstand komt horen en zien, krijgen de koppen van het monster vorm: drugs en bandeloosheid, geweld door salafisten, geweld tegen christenen, invloed van Al-Qaïda, wereldwijde suprematie van de VS, verslechtering van de betrekkingen met Israël. De dictator speelt daarmee in op de angstbeelden van zijn toehoorders en wakkert die verder aan. Sommigen doen dat zo goed, dat ze meerdere angstbeelden in één toespraak verwerken om meerdere publieken ineen te bedienen. Het lijkt wel alsof ze allemaal hetzelfde handboek ‘Omgaan met de media in tijden van opstand’ op de plank hebben staan. Sieberen Hoekstra verwoordde dat uit uitstekend in zijn opiniestuk in de Volkskrant:

Het Syrische regime gebruikt het sektarisme om het eigen bestaan te legitimeren. De officiële boodschap is dat het regime voor stabiliteit zorgt door eenheid uit te stralen en sektarische spanningen te onderdrukken. Als het autoritaire regime valt, zou chaos ontstaan en de soenni-meerderheid (onder hen de jihadisten) zouden de minderheden verjagen of onderdrukken. Met andere woorden: Syriërs zouden een democratie niet aankunnen. Het regime is bereid hervormingen door te voeren zolang die verenigbaar zijn met het eigen voortbestaan.

Die laatste zin brengt me op een tweede punt. Op enig moment laat elke dictator tot nu toe zien dat hij bereid is tot hervormingen, tot concessies. Mubarak deed dat in Egypte, Saleh in Jemen, zelfs Khadaffi deed voorstellen. Assad beloofde deze week vrije verkiezingen voor het einde van het jaar, zegde toe politieke partijen toe te staan. Maar tegelijkertijd zei hij dat partijen niet een etnische, religieuze, denominatieve, regionale of professionele grondslag mochten hebben. En evenmin mochten ze gerelateerd zijn aan niet-Syrische politieke groeperingen. De vraag is wat je dan nog overhoudt en hoe vrij die verkiezingen straks zullen zijn. Zoals de vraag ook is hoe groot we de kans achten dat bij werkelijk democratische verkiezingen het minderheidsregime van Assad aan de macht blijft. Niet zo groot, lijkt me. De Syrische oppositie spreekt dan ook over cosmetische toezeggingen. En ik denk dat dat klopt, werkelijke toezeggingen betekenen het einde van het regime.

Wat me verder opvalt, is hoe weinig in de Nederlandse pers burgers uit de betreffende landen aan het woord komen, of opiniemakers en journalisten uit de regio. Wat we weten, komt tot ons uit de westerse pers, schreef iemand me dit weekeinde. Dat klopt, alleen zie ik daarvoor als oorzaak dat we zelf niet ook elders ons oor te luisteren leggen. Bijvoorbeeld bij de Syrische oppositieleider Haitham Al-Maleh, die vrijdag in Den Haag was voor overleg met de aanklager van het Internationaal Strafhof over een onderzoek naar misdrijven tegen de menselijkheid door Assad en zijn regime.

Al-Maleh, die lid is van de seculiere oppositie in Syrië en met regelmaat contact heeft met de oppositie in de Syrische straat en in het buitenland, kijkt heel anders naar de Syrische werkelijkheid dan velen van ons. Vrijdag zei hij in een interview met de NRC dat er ook in de hogere rangen van het leger sprake is van desertie, dat het leger door de teruglopende economie straks geen geld meer heeft om de manschappen te betalen die nu de tanks bedienen. Ook onder de Alawieten, de groep waar Assad toe behoort, zijn er velen die hem niet steunen. Syrië heeft christenen gehad die premier en zelfs president waren, niemand had daar bezwaar tegen. Verder stelt hij dat er geen enkele historische grond is om te veronderstellen dat soennitische fundamentalisten aan de macht zouden kunnen komen.

Zoals hij ook de angst voor sektarisme naar de prullenbak verwijst, omdat het volk eenheid wil. Tijdens de demonstratie vrijdag riepen mensen leuzen als ‘Wahid, wahid, één, één volk’. Al-Maleh zegt ook dat de samenstelling van de Syrische bevolking heel anders is dan in Irak, en het politieke landschap anders dan in Egypte, zodat je de ontwikkelingen in Irak en Egypte niet zomaar op Syrië kunt projecteren.

Ik kom terug bij de vraag hoe de toekomst van Syrië er uit moet zien. Het is niet aan ons om die vraag te beantwoorden. Die vraag is aan de Syriërs, die hem in autonomie en vrijheid zullen beantwoorden wanneer zij daar aan toe zijn. Misschien is het nu nog te vroeg om nu pasklare antwoorden te krijgen. Verandering vraagt om eenheid en vastberadenheid, niet om het uitdiepen van verschillen.

Wij hoeven slechts twee vragen te beantwoorden. De eerste vraag is wie wij steunen: steunen wij de Syrische bevolking in haar streven naar vrijheid en democratie, of steunen wij de Syrische dictator in zijn streven om aan de macht te blijven? De tweede vraag is wat we doen als we zien dat de machthebbers systematisch geweld tegen hun eigen bevolking gebruiken. Geven we onze responsibility to protect vorm of kijken we weg?

Reacties zijn uitgeschakeld