De uitwendige blik van Karel du Jardin

Karel du Jardin - Kruisiging Bijzonder als hij toont in ’t werk van zijn penselen

Een scherpe zuiverheid, daar de ogen lang op spelen – Cornelis de Bie in Het Gulden Cabinet der Edel Vry Schilderconst (1662)

Telkens wanneer ik een tentoonstelling van een klassieke schilder bezoek, bekruipt mij een soort gevoel van nostalgie. Het is een soort heimwee naar de tijd waarin de schilders nog fungeerden als chroniqueurs die op realistische wijze portretten, stillevens of landschappen schilderden en op die manier een schat aan informatie over het leven in vroeger tijden voor ons hebben achtergelaten. Natuurlijk, de figuratieve kunst bestaat nog steeds, maar het lijkt niet meer mogelijk om een waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid te maken. Wellicht missen de de huidige kunstenaars de verfijning in techniek, heeft men moeite met het Hollandse licht of hebben ze er domweg gewoon geen zin in. De taak lijkt te zijn overgedragen aan de fotografen.

De wintertentoonstelling in het Rijksmuseum toont voor het eerst een serie van 23 werken bij elkaar van de zeventiende eeuwse schilder Karel du Jardin (1626-1678). De schilder van landschappen, dramatische Bijbelse taferelen en portretten van welgestelde lieden uit Amsterdam wist ondanks zijn eenvoudige komaf (zijn vader was vetverwerker uit het slachtafval van runderen) zich op te werken tot één van de meest succesvolle schilders van zijn tijd. Hoe hij dat gedaan heeft en wie zijn leermeesters zijn geweest, is onbekend. Voor het laatste worden Nicolaes Berchem en Paulus Potter genoemd, maar dat is niet met zekerheid te zeggen.

Du Jardin begint eind jaren ’40 met het maken van zijn eerste schilderijen. In zijn stijl volgt hij de zogenaamde ‘Italianisanten’, Nederlandse schilders die naar Italië trokken om het zuidelijk landschap te schilderen en dat terwijl hij pas de laatste drie jaar van zijn leven in Italië verblijft. Zijn landschapsschilderingen zijn eigenlijk op te delen in twee categorieën; enerzijds speelt de overweldigende natuur een hoofdrol waarbij de mens een nietige rol speelt in de ‘coulissen’, de voorgrond waarin de diepte van een werk bepaald wordt. Anderzijds laat hij kleine toneelstukjes afspelen in de schaduw van diezelfde natuur door het toevoegen van een gevelmuur waarvoor zich kleine taferelen afspelen tussen bijvoorbeeld herders en boeren. Opmerkelijk zijn de details die hij meegeeft aan zijn werken zoals de vuile voeten van het melkmeisje dat hij twee keer schilderde (een melkmeisje werd in die tijd als losbandig gezien) of de exotisch aandoende oogkleppen van de muilezel. Du Jardin liet zijn fantasie de vrije loop.

Vanaf 1661 begint hij echter met Bijbelse taferelen. Het eerste werk daarin is Kruisiging (1661), waarbij het Christus-figuur samen met twee anderen aan het kruis is genageld en de hemel pikzwart is, ten teken dat dit het moment is waarop hij sterft. Of het allegorische stuk De bekering van Saulus (1662), de ongelovige die van schrik van zijn paard valt omdat hij een stem uit de hemel hoort die hem laat inzien dat hij zich moet laten bekeren tot hte christendom. Saulus wordt later de apostel Paulus en in een later werk (1664) geneest hij de kreupele te Lystra.

De werken van du Jardin vonden gretig aftrek onder de Amsterdamse regenten en kooplieden en deze willen zich eind jaren ’60 dan ook graag door hem laten vereeuwigen. In Rembrandt’s sterfjaar schildert hij de regenten van het Amsterdamse Spinhuis (een gevangenis voor vrouwen die op het slechte pad waren geraakt) in de lijn van de Staalmeesters, het laatste goed verkochte wapenfeit van de meester. In 1662 had hij zich al in zijn zelfportret op koper als een bewuste, zelfverzekerde jongeman van 36 geschilderd door zijn hand in de zij en de elleboog naar voren af te beelden en dat terwijl zijn grootste opdracht nog moest komen. Die werd namelijk geleverd door het Portret van Michiel Adriaansz de Ruyter (1669) die nog maar net de status van held had verworven door met zijn schepen de oorlogsvloot van Engeland te verslaan.

In 1675 vertrekt du Jardin dan eindelijk naar zijn geliefde Italië, eerst vestigt hij zich in Rome en daarna in Venetië, maar lang kan hij er niet van genieten. In 1678 sterft hij vermoedelijk aan voedselvergiftiging na iets te uitbundig getafeld te hebben. Hij liet zich het succes net iets te goed smaken.

De wintertentoonstelling over Karel du Jardin is nog te zien tot 16 maart.

Rijksmuseum

  1. 1

    Jorn, je hebt misschien iets teveel gesnoept van Du Jardins levenseinde bij de ridicule Rijksmuseasten. ;-)

    Ik gok dat de bron Weyerman is, ff kijken. Nee toch niet.

    “Die Karel du Jardin woonde op de Heeren gragt, tot Amsterdam, en was getrouwt met een oud leelyk Wyf, dat hy had opgesnapt te Lions, en dat veel geld bezat, doch dat hy zo teder beminde, gelyk als alle die oude hexen bemint worden die zich verslingeren aan jonge mannen. Nu gebeurde het dat den Heer Jan Renst, zyn Huysheer en goede vriend, voornam om een reys te doen naar Italien, en vooral om Romen te zien, die hem verzogt of hy hem wilde uytgeley doen tot Tessel, alwaar het schip ley om te stêvenen na Livorno, waar toe hy niet alleenlyk resolveerde, maar hy voer mee op Livorno, en van daar na Romen. Na dat den Heer Renst de gedenkwaardigste zaaken en de aloude overblyfsels van die trotsche Hoofdstad had bezigtigt, vervolgde hy zyn reys om de voornaamste Italiaansche steden te beschouwen, en liet den Konstschilder te Romen blyven, die hy naderhant zou komen afhaalen om weder te keeren na het Vaderlant.

    Maar toen dien Heer, wedergekeert zynde te Romen, hem verzogt om te verreyzen, had Karel geen haast, haast, en zey, dat hy niet zeer haastig was, maar als noch een poos zou verblyven waar hy was, om zich te oefenen na de schoone voorwerpen dier Oudhêden, en na de heerlyke konststukken der aloude Schilders. Maar hy zag Amsterdam of zijn gehaate oude Tootebel niet meer, want hy hemelde in het heylig Romen, en wiert, alhoewel hy zo gereformeert was als een Minister van Sedan, aldaar onder gedolven gekleed in een Kapucyner zotskap, in den jaare duyzent seshondert achtenzeventig.”

    http://www.library.uu.nl/digiboeken/weyerman/weyerman.html

    Die zotskap zal wel met ’s schrijvers hekel aan Kapucijners samenhangen.

  2. 2

    Wellicht wel, had geen tijd meer om zijn hele doopceel te lichten ;-) In ieder geval een mooie aanvulling, mescaline. Hoewel de schrijver volgens mij ook niet erg gecharmeerd van de schilder zelf was, evenmin als van de Kapucijners. Maar, misschien hebben de museumscribenten wel iets van wat voortschrijdend inzicht heet.

  3. 4

    Op plaats 1 in die Categorie “Levensduim & Culinaria” staat natuurlijk de dood van Attila de Hun. Deze heerser, toonbeeld van mannelijke zelfbeheersing, zou in dronkemansbraaksel zijn gestikt in zijn laatste huwelijksnacht.