Vermogensongelijkheid moet op de agenda
Nederland kent een grote en toenemende ongelijkheid van de vermogensverdeling. Het onderzoek daarnaar, en de politieke en maatschappelijke interesse hiervoor, is beperkt. Ten onrechte, want een te grote ongelijkheid tast de samenhang in de samenleving aan, meent hoogleraar Bas van Bavel.
Is Nederland een egalitaire samenleving? Als je kijkt naar de inkomensverdeling, is het antwoord ja. Hoewel de laatste decennia jaar de inkomensongelijkheid licht toeneemt, is de verdeling nog altijd gunstiger dan gemiddeld in de rest van de westerse wereld. Het verhaal over de vermogensverdeling is een andere. Economische
ontwikkelingen en politieke besluitvorming hebben er gezamenlijk voor gezorgd dat de ongelijkheid in de vermogensverdeling sterk is toegenomen.
Nederland kent een steeds schevere vermogensverdeling
Als je spreekt over het totale vermogen van een land, moet je een onderscheid maken tussen pensioenvermogen enerzijds en privaat vermogen anderzijds. Het opgebouwde
pensioenvermogen in Nederland is enorm. Het bedraagt honderden miljarden euro’s en is relatief gelijkmatig verdeeld. In de regel kunnen veel Nederlanders die geen of weinig privaatvermogen hebben opgebouwd, wel beschikken over een goed pensioen. De discussie over de vermogensverdeling gaat dan ook niet zozeer over het pensioenvermogen als wel over het privaat vermogen. Onder dat laatste begrip worden de spaargelden, aandelen, deelnemingen in bedrijven en het bezit van huizen en andere onroerende goederen gerekend minus schulden en leningen. Uit onderzoek blijkt dat vooral de verdeling van het privaat vermogen steeds schever is.
Nederland is op het gebied van innovatie een achterblijver geworden. Dat wringt met de politieke ambitie om bij de top-5 van de mondiale kenniseconomieën te horen. Voor een beter resultaat moeten wetenschap en bedrijfsleven meer initiatief nemen en durf tonen en niet meteen naar de overheid kijken. 






