Jochem Pinxteren

7 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)

Ook GeenStijl kan niet zonder dodebomenjournalistiek

DATA - Nieuwsblogs als GeenStijl halen graag uit naar ‘oude media’. Maar zijn deze nieuwe media wel zo vernieuwend?

Ergens halverwege de documentaire Page One: Inside The New York Times laat journalist David Carr een uitgeprinte versie van de website newser.com zien. Hij heeft alle verhalen eruit geknipt die afkomstig zijn uit de oude media en wat hij omhoog houdt is een rafelig blaadje met alleen maar grote gaten. Geen inhoud.

Het is het New-York-Times-effect: Ieder verhaal dat de krant schrijft, vind je uiteindelijk terug in de andere media. Vaak zonder dat de herkomst ervan duidelijk is. En zonder dat de krant ervoor wordt betaald.

Hetzelfde gebeurt in Nederland. Neem nou een blog als – ik noem maar wat – GeenStijl.

Sargasso schraapte alle linkjes uit alle posts die op GeenStijl zijn verschenen, ooit. Het zijn er meer dan 95 duizend, verspreid over een periode van meer dan negen jaar. Al die linkjes zijn verwijzingen naar stukjes op andere sites (meestal zonder die sites expliciet te noemen). Die stukjes vormen de basis, de aanleiding voor de blogpost op GeenStijl zelf. Zo werkt het internet nou eenmaal, die onderlinge verwevenheid is de kracht van de blogosfeer. Maar het zegt ook iets over de relatie tussen oude en nieuwe media.

EU maakt Brussel transparanter, maar vergeet zichzelf

De EU lost een langverwachte belofte in de transparantie te vergroten. Het is alleen jammer dat ze zelf nog steeds tekort schiet.

Na jaren van overleg hebben het Europese Parlement en de Europese Commissie deze maand een register van lobby-organisaties gepubliceerd. Het is voor het eerst dat de namen en gegevens van instellingen die het beleid in Brussel proberen te beïnvloeden systematisch in één openbare lijst worden geregistreerd. Hieronder vallen pr- en consultancy bureaus, maar ook vakbonden, NGO’s en advocatenkantoren die voor hun clienten lobbyen.

Op de site kan je zoeken op naam, ‘interesses’ en onderzoeksgebieden van de bedrijven. In sommige gevallen krijg je jaarcijfers te zien en een schatting van het budget dat gebruikt wordt om belangen te behartigen in Europa. Verder zijn er vooral adresgegevens te vinden. De argeloze onderzoeker krijgt op die manier op zijn best een indruk van schaal en grootte van het lobby-apparaat in Brussel (momenteel zijn er meer dan 3000 organisaties geregistreerd). Zonder verdere kennis is het echter lastig te zien waar en hoe invloed wordt uitgeoefend.

De lijst is niet compleet en het is de vraag of hij ooit volledig zal zijn. Kerken en religieuze organisaties zijn bijvoorbeeld vrijgesteld, maar ook de andere clubs hoeven zich niet verplicht te voelen. De EU heeft geen middel om registratie af te dwingen. Dat is jammer.

Foto: Eric Heupel (cc)

Digitale revolutie-in-een-revolutie

Vandaag is het precies een jaar geleden dat Khaled Said door de Egyptische politie in Alexandrië werd doodgeslagen, waarschijnlijk omdat hij een video bezat waarin te zien was hoe agenten inbeslaggenomen drugs onderling verdeelden. Met een mobieltje genomen foto’s van Khaleds kapotgeslagen lichaam werden via Facebookgroepen verspreid en voedden de groeiende verontwaardiging voorafgaand aan de demonstraties op het Tahrirplein in Cairo. Khaled die met zijn filmpje de corruptie van het oude regime aan de kaak had willen stellen, werd postuum zelf symbool van de revolutie waarin een jonge generatie voorgoed afrekende met de oude garde dankzij het internet en andere communicatiemiddelen.

Zo ging het toch, nietwaar?

Niet als je het aan Mark Zuckerberg zelf vraagt. Hij relativeerde vorige week de mate waarin zijn website verantwoordelijk gesteld kan worden voor de gebeurtenissen in Egypte:

It would be extremely arrogant for any technology company to claim any meaningful role. I think Facebook was neither necessary nor sufficient for any of those things to happen”.

Hij leek het enigszins beschaamd te zeggen maar opvallend is wel dat Zuckerberg zijn uitspraak deed op de G8, waar hij samen met een aantal andere CEO’s van social-mediabedrijven was uitgenodigd van gedachten te wisselen met Sarkozy (hij wel trouwens, wij niet). Hetgeen natuurlijk juist onderstreepte dat regeringen (oud en nieuw) nog altijd met argusogen naar nieuwe media kijken.

Foto: Eric Heupel (cc)

De toekomst van content

arianna huffingtonDe overname van the Huffington Post door AOL vorige week voor maar liefst 315 miljoen dollar was groot nieuws. 315 miljoen! Voor een site met echte originele artikelen nog wel! Dat is veel meer dan Van Thillo neertelde voor alle kranten van PCM. In een tijd waarin bijna ieder journalistiek bedrijf op internet zoekt naar een verdienmodel wordt zoiets dan ook met argusogen bekeken. Is dit goed nieuws? Kan het dus toch, geld verdienen met gratis online journalistiek?

AOL is een moloch uit het internetverleden. Een 1.0-bedrijf dat groot werd met het aanbieden van ouderwetse inbelverbindingen. Maar het aantal mensen dat een internetaansluiting had via AOL daalde en daarmee de winst. Onlangs deed een voormalige CEO een bizarre onthulling: De inkomsten zijn nog steeds voor het overgrote deel afkomstig van mensen die denken dat ze nog internetten via AOL, maar dat al lang niet meer doen; mensen die niet snappen dat ze geen modem meer hebben en niet weten dat ze AOL helemaal niet hoeven te betalen om hun webmail te lezen.

Los van deze twijfelachtige ethiek, kan je je afvragen of een bedrijf met een dergelijk bedrijfsplan ook de juiste strategie heeft om te overleven op internet. Op zoek naar een nieuwe inkomstenbron wil AOL een content-bedrijf worden. Het wil zoveel mogelijk mensen naar eigen websites lokken die daar op advertenties klikken, zoals bij de Huffington Post. Is dat zoveel geld waard?

Foto: Eric Heupel (cc)

By the time I get to Arizona

Eergisteren (17 januari) was het Martin Luther King jr. day in de VS. MLK-day is een officiële nationale feestdag ergens halverwege de jaren tachtig ingevoerd door Ronald Reagan. Niet alle staten waren destijds echter blij met de viering van deze dag en met name in Arizona leidde dat tot een ophef die in het kader van de recente gebeurtenis wellicht interessant is. Gewelddadige retoriek is van alle tijden.

In 1986 werd de Republikein Evan Mechan gouverneur van Arizona. Hij was een fervent tegenstander van MLK-dag en had zelfs campagne gevoerd met het plan om de vrije dag  – die een jaar eerder door zijn Democratische voorganger was ingevoerd – terug te draaien. “You folks don’t need another holiday. What you folks need are jobs” was zijn stoïcijnse antwoord op de woede van mensenrechtenorganisaties. Hij was waarschijnlijk minder goed voorbereid op de reactie van Chuck D.

By the time I get to Arizona is een protestnummer zoals we dat van Public Enemy  gewend zijn. Een keiharde aanklacht tegen politiek racisme, opgekropte woede gerapt over een goed gesampelde beat. De begeleidende clip doet er nog een stapje bovenop. Gewapend met een wapenarsenaal waar Sarah Palin ongetwijfeld haar vingers bij af zou likken trekken Chuck D en zijn militie daarin op naar Arizona. Om de dag van vrede, mensenrechten en broederliefde ook in Arizona veilig te stellen richten ze een bloedbad aan waarbij de gouverneur en nog een paar politici om het leven komen.

Foto: Eric Heupel (cc)

‘Radicalen’ in een database

freedom of speechEen paar weken geleden werd hier al stil gestaan bij privacywetgeving uit Brussel. Een van die plannen verdient nog wat extra aandacht. Dankzij een rapport (pdf) dat statewatch.org boven tafel heeft gekregen, weten we dat de Europese Raad bezig is met het opzetten van een instrument voor het monitoren van ‘radicale elementen’.

Wat houdt dat precies in? Het instrument is een methode die de veligheidsdiensten van alle lidstaten moeten gebruiken bij het aanleggen van een database van radicale personen en groepen. Het is een soort checklist met zeventig punten die een indicatie moeten geven voor iemands radicalisering. Op die manier groeit er een groot Europees bestand waarin alle subversieve eu-burgers gerangschikschikt zijn, overzichtelijk en vrij uitwisselbaar: Lekker handig in de strijd tegen het terrorisme.

Maar wie hebben de Europese veiligheidsdiensten eigenlijk op de korrel? Een uitgebreide analyse van deze plannen is gemaakt door Statewatch. Opvallend is dat de diensten een ruime definitie gebruiken van het begrip radicaal: ‘Extreme right/left, Islamist, nationalist, anti-globalisation, etc’. Dat is een tamelijk bonte verzameling van politieke opvattingen die onder het mom van anti-terrorismemaatregelen bij elkaar geveegd worden. Daar komt nog bij dat de vragen uit de checklist nogal ver lijken te gaan. Ze wekken op zijn minst de indruk dat het hebben van radicale gedachten al gevaarlijk kan zijn. Neem bijvoorbeeld vraag 65: