Hoe de koning in de regering kwam
Vandaag een analyse van het Montesquieu Instituut naar aanleiding van de recente ophef over de rol van de koningin in de regering. Het stuk staat ook op zijn blog.
In 1917 promoveerde de latere filosoof van de calvinistische ‘wijsbegeerte der wetsidee’, Herman Dooyeweerd, aan de Vrije Universiteit op een staatsrechtelijk proefschrift over de ministerraad (1). Daarin leverde hij een analyse van het ontstaan en de betekenis van de ministerraad, waarbij zowel historisch als rechtsvergelijkend grondig werk werd geleverd. Omdat het proefschrift over de ministerraad ging, moest het onvermijdelijk ook gaan over de koning en zijn rol in het staatsrecht.
In de Grondwet van die jaren werd immers helemaal niet over een ministerraad gesproken, noch over de regering maar enkel over ‘de Koning’. Die term duidde op de persoon van de koning en, bij voorbeeld, zijn erfopvolging. Hij duidde ook op de regering, formeel door de koning uitgeoefend. Zo had Thorbecke het in 1848 geformuleerd, of liever laten staan, in de Grondwetstekst. Niet zo’n wonder want ook in de landen om ons heen vielen begrippen als ‘koning’ en ‘regering’ samen.
Het bestaan van de ministerraad als een afzonderlijk instituut werd door Thorbecke als het ware ontkend. Niet in de praktijk overigens, want juist hij gaf aan de ministerraad zelfstandige betekenis door het reglement van orde ervan te vernieuwen (in 1851) en daarin op te nemen dat de ministerraad bij meerderheid zou beslissen en alleen zijn meerderheidsadvies aan de koning zou voorleggen ter ondertekening. De keuzevrijheid van de koning werd verregaand beperkt.

Onderstaande open brief schreef ik ten behoeve van het gekraakte culturele centrum Schijnheilig. De Amsterdamse driehoek wil dit centrum aanstaande dinsdag ontruimen in verband met het uitvoeren van het kraakverbod. Reden tot zorg, zoals de brief uitlegt; Schijnheilig is namelijk een fantastisch initiatief en een zegen voor de stad.
Toegegeven: je moet er een beetje een nerd voor zijn, maar het lezen van beleidsevaluaties kan héél leerzaam zijn. Achter een beresaaie titel kan een wereld van ellende schuilgaan. Neem bijvoorbeeld het
In een nieuw boek dat half oktober verscheen zou Nelson Mandela te weinig van zichzelf prijsgeven. Maar er is nog maar weinig dat we niet van de Zuid-Afrikaanse leider weten. We moeten daarom vooral op zoek naar de essentie van zijn ideēen. Hoe bestaat het dat Mandela’s misstappen geen afbreuk doen aan de iconisering van deze Afrikaanse leider? Waarom krijgt een boek dat zijn diepste zieleroerselen blootlegt het verwijt ‘te weinig persoonlijk’ te zijn?