De koolmezen en pimpelmezen in Nederland zijn de afgelopen 30 jaar een halve gram lichter geworden. Daarnaast krijgen merels op onze breedtegraad steeds langere vleugels. Wetenschappers schrijven dit toe aan de klimaatopwarming. Het heeft allemaal te maken met de Regel van Bergmann, een bioloog die in 1847 ontdekte dat noordelijke exemplaren van een soort gemiddeld groter en zwaarder zijn dan hun zuidelijke soortgenoten. In een koeler klimaat kan een diersoort namelijk beter groot zijn om warmte vast te houden. Terwijl in de hitte een diersoort gebaat is bij een licht gewicht en slank figuur zodat de overtollige lichaamswarmte sneller kan worden afgevoerd (oppervlakte-inhoud ratio, dat is).

Daarom zijn bijvoorbeeld Corsicaanse everzwijnen gedrongener dan hun Duitse soortgenoten. Maar deze regel geldt ook voor mensen: Spanjaarden (of Galliërs) zijn immers kleiner dan Vikingen. De evolutie lijkt bij vogels (met een korte levenscyclus) dus nu al te reageren op de opwarming van het klimaat. Een aanverwante wet van de bioloog Allen stelt dat in warmere regio’s soorten grotere extremiteiten vertonen (oren, ledematen). Denk maar aan de poolvos met z’n kleine oortjes in vergelijking met de flaporen van de woestijnvos. De Regel van Allen is waarschijnlijk een verklaring voor de langere vleugels van de merels. Voor meer uitleg, kanttekeningen en een nieuwsclip zie: opgewarmdnederland.nl