Ben Hoogeboom

71 Artikelen
117 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: copyright ok. Gecheckt 11-02-2022

Mijn stemadvies

‘Als je een jaartje vastzitten in een psychiatrische inrichting al teveel vindt voor je idealen, dan ben je een enorme sufferd,’ zei Jeanette. Ik denk er precies zo over, en ik zal u uitleggen waar we het over hadden. We hadden het over het verschil tussen Rusland en Nederland, en waar kwam dat door: door dit artikel op Sargasso, waar iemand in de reacties iets opmerkte over die halfkrankzinnige waxinelichtgooier, die toch maar mooi een jaar had vastgezeten, niet in een gevangenis, maar in een psychiatrische inrichting. Alsof dat vergelijkbaar is met de toestand in Rusland, waar zo’n waxinelichtgooier onmiddellijk platgespoten zou worden en daarna zou worden opgeborgen.

Er was ook nog een reactie van een meneer HPax, zo noemt hij zich, want anders dan ik durft hij zijn ware naam niet te noemen. Die meneer HPax zegt: ‘Namens wie spreek jij? Wees voortaan wat zorgvuldiger. Ik haat mensen die zonder mij, bij mij, namens mij hun mond brutaal open doen!’

Ik had gezegd: als je de toestand in Nederland met die in Rusland vergelijkt, valt die in Rusland in alle gevallen zeer slecht uit. Hoeveel zorgvuldiger kan ik zijn? Noem dan eens vijf voorbeelden van een betere toestand in Rusland dan in Nederland, zou ik denken. Dat doet hij natuurlijk niet. En ik open niet brutaal mijn mond namens of zonder of bij u, ik open gewoon mijn mond namens mezelf. Dat kan in Nederland, en niet in Rusland, meneer HPax. Godzijgeloofd, en onder meer daardoor is Nederland een beter land om in te wonen dan Rusland.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Het hart van de vrouw

Erik had dus een briefje voor me achtergelaten, daarop had ik een advertentie gezet in Het Kontakkie. Dat is nu uitgekomen en zojuist belde een vrouw, die met lachende stem zei dat ze niet Jane werd genoemd door Erik, dat ik het mis had. Toen hing ze op. Ik herkende de stem niet, en ik had ook niet kunnen vragen of ze dan To genoemd werd (afkorting van Toosje?) of misschien An (Antoinette?). To is de eerste vrouwelijke naam in het verhaal Descent of man, hij zit al in de titel, net als An. Daar had Jeanette me, slim, al op gewezen.

Maar ik was mijn interesse in die verhalen van Erik al kwijtgeraakt. Dat soort spelletjes speelt hij maar met iemand anders, ik laat me niet gebruiken. Als die To of die An, of weet ik hoe ze genoemd werd door Erik, op 1 september nog niets van me gehoord heeft, mag ze alles doen met die verhalen. Mijn zegen heeft ze.

Dit vertelde ik gisteravond aan Reijer Zwart, mijn overbuurman, en ik vertelde hem ook over Jeanette. ‘De een zijn dood is de ander zijn brood,’ reageerde hij. Reijer is vroeger lid geweest van SSS Alkmaar, een worstelvereniging. Hij kon aardig worstelen, vroeger. Hij is bijna even oud als ik, en waar ik totaal niet gespierd ben, zijn zijn armen en benen nog steeds kolossaal. Hij worstelt niet meer, maar hij ‘houdt het nog een beetje bij’ met gewichtheffen. Hij zou mij met één klap kunnen vermoorden, maar vermoorden doet hij niet. Reijer is een vreedzaam mens.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Wandeling

We (dat wil zeggen Jeanette en ik. Hoe twee mensen elkaar kunnen tegenkomen is soms wonderlijk. Hier is het te danken aan de dood van Erik Greveling, of tenminste indirect. We zijn, o ja, haakje sluiten) we zijn afgelopen zondag wezen wandelen door de duinen. Jeanette had een vrije dag en wou het huisje van Erik wel eens zien, dus dat zijn we gaan bekijken. Ik legde uit hoe hij had gewoond in dat hok, want meer was het eigenlijk niet, en ik zei, tegelijk met haar: ‘In zo’n kot zou ik niet willen wonen.’ Water, gas en elektra waren natuurlijk al afgesloten, en er waren al dieren binnen geweest, de begroeiing was ook al volop aanwezig buiten en binnen het huisje. In zijn tuin zaten nog duinaardappelen, preien en knoflookplanten in de grond, zag ik. ‘Die haal ik er morgen nog wel even uit, dan krijg jij er ook een portie van.’

We besloten naar Bergen aan Zee te wandelen, via De Kluft. Het is maar vijf kilometer, dus dat is geen afstand voor geoefende wandelaars zoals wij zijn. De Kluft bereik je op de makkelijkste manier door over het strand te wandelen, wat we dus deden. De Kluft is het hoogste duin van Nederland, sinds 1700, meen ik, dus een toeristisch attractiepunt van jewelste. Als je op De Kluft staat, kun je de Hoogovens in IJmuiden duidelijk zien, als het helder weer is, en die zijn toch dertig kilometer ver weg. Je ziet van daaraf ook duidelijk Alkmaar liggen, met zijn Grote Laurentiuskerk. Je ziet ook die paar windmolens in de zee staan, die staan er om de een of andere reden omdat ze ‘groene’ energie moeten leveren. Maar dat niet of nauwelijks doen. Wil je daar iets mee bereiken, dan moet je minstens het hele Markermeer volzetten met die dingen, en niet gaan zitten kneuteren met acht of twaalf windmolens. Weggegooid geld. Stoppen dus met die handel, of volzetten. Het één of het ander, maar daar is een politicus in Nederland nog nooit rijker of beter van geworden, dus kiest hij voor een pilotproject.

Foto: copyright ok. Gecheckt 30-10-2022

Muziek van 500 jaar geleden

Ik heb u in mijn vorige stukje al kennis laten maken met Mathurin Forestier en met Antonius Divitis, die ongeveer 500 jaar geleden hun muziek schreven. Het eigenaardige is dat componisten van enige naam, van 1100 tot ongeveer 1600, zonder uitzondering voor de kerk werkten. Er waren er wel die daarna voor enig Europees hof gingen werken, maar die componisten werden uit de kerk gehaald. Hoe dat komt? Dat is tamelijk eenvoudig. Waar zat in die tijden het geld? Juist.

In dit stukje laat ik een mail volgen die ik aan Jeanette heb gestuurd:

‘Dag Jeanette,

Hierbij nog een aantal componisten van ongeveer 500 jaren her, die je misschien niet zult kennen. Als eerste: Antoine de Févin (1470-1511). Behalve dat stuk schreef hij ook een fantastisch Requiem, maar hij schreef ook een aantal wereldlijke chansons, zoals dit tamelijk opgewekte lied. Ik ben een paar jaar geabonneerd geweest op een YouTube-site van een Franse dame die op die site allerlei middeleeuwse liederen verzamelde. Als je die verzameling beluisterde, merkte je op dat er in de jaren van 1300 tot 1500 eigenlijk geen ontwikkeling in die liederen zat. Ze zingen meer dan 200 jaar op een losse toon over het houden van vogelkijns, en het maakte ook niet uit in welke regio die liederen geschreven waren.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Mathurin Forestier

Ik zou niet met een vrouw kunnen omgaan die andere oren heeft dan ik. Ik bedoel, met een vrouw die houdt van bijvoorbeeld de liedkunst van Frans Bauer of die genieten kan van Herman van Veen. U zult zeggen: maar dat is ook de kunst voor de laagopgeleiden. Dáár komt het door, dat je niet met zo iemand kunt omgaan. Daar zal het zeker ook door komen, maar er zijn veel hoogopgeleiden die houden van de orkestmuziek van Mozart of de pianomuziek van Chopin, en dat is ook muziek die ik onmiddellijk uitzet. Ik kan er gewoonweg niet naar luisteren. Het stoort me, die muzak.

Een vrouw moet op zijn minst van Bach houden. Gelukkig doet Jeanette dat. Ze houdt ook van Norah Jones, helaas, maar ik houd bijvoorbeeld weer van Black Sabbath met een nog jonge Ozzy. Jeanette houdt van Bach (en van Glenn Gould’s versies van Bach!), maar ze houdt ook van de voorlopers van Bach: Dufay, Byrd, Ockeghem, Palestrina.

‘Waar haal jij je muziek vandaan?’ vroeg ik haar. ‘Vroeger kocht ik de platen, later de cd’s, maar tegenwoordig luister ik op de computer naar YouTube,’ zei ze. ‘Dat doe ik ook,’ zei ik, ‘ik hoef niets te downloaden, ik luister alleen naar YouTube. Als ik verre reizen zou maken met een auto – ik heb niet eens een rijbewijs, dus ik kom niet zo ver – of met het vliegtuig, dan zou ik wel een verzameling Byrd-liederen willen hebben. Maar daar is allemaal nooit sprake van geweest. Ik ben een thuiszitter. Eng, hè? Maar dat krijg je als je een hartpatiënt bent.’

‘Hartpatiënt? Maar dan zal ik voortaan wat voorzichtiger met je omspringen!’

‘Alsjeblieft dankjewel, ja. Ken jij de naam Mathurin Forestier?’

‘Nee. Nooit van gehoord.’

‘Dat is geen schande. Alleen de specialisten hadden tot 2008 van die naam gehoord. In 2008 kwam er een plaat uit van Forestier met die Missa l’Homme Armé, en toen wisten nog een paar honderd liefhebbers ervan. Hij was een goede componist die geboren moet zijn rond het jaar 1470, dus hij werd ongeveer geboren toen Dufay stierf, hij was een tijdgenoot van Antonius Divitis en Nicolas Champion. Forestier heeft aan het Franse hof gewerkt als componist, en waarschijnlijk ook als koordirigent, dus dat moet zijn geweest onder Lodewijk XII van het huis van Valois. Er zijn nu nog een paar missen, twee octetten en vier liederen van Forestier bekend. Er moet natuurlijk nog veel meer te vinden zijn, maar dat is allemaal nooit beschreven. Wannneer Forestier stierf is bijvoorbeeld ook niet bekend. We weten niets van hem. Wikipedia heeft ook geen stukje over hem.’

‘Hij is dus niet zozeer een onbekende schakel in de muziekgeschiedenis, maar een onbekende.’

‘Ja, precies. Je kunt zijn stijl wel zien als een overgang van de muziek van Busnois naar die van Palestrina. Vijfhonderd jaar geleden duurde een muziekstijl nog honderd jaar, dat is tegenwoordig wel anders. Als je nu zegt dat je van, laat ons zeggen, de hiphop houdt, zegt iedereen: wat ben jij een ouderwetse lulhannes! Ken je een andere liefde van me, Galina Oestvolskaja?’

‘Daar zal ik nog zeer aan moeten wennen, lieverd. Een portje?’

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Oncologisch wijkverpleegkundige

Ik stelde de volgende middag een tekstje op: ‘Welke vrouw uit Egmond aan Zee is ooit aangesproken door onze ex-postbode Erik Greveling met de (Engelse) naam Jane? Meldt u zich bij Ben Hoogeboom, tel. 06-********.’ Met dit tekstje ging ik naar Drukkerij Belleman, uitgever van ‘Het Kontakkie’ (Het Contact met de Egmonden, heet het officieel), een huis-aan-huisblad dat veel gelezen wordt, onder meer door de column van Arie Lieverse, die gesteld is in het oorspronkelijke dialect van Egmond aan Zee, het Derps. Niemand jonger dan 60 jaar oud spreekt het Derps nog, maar erover lezen doet iedereen nog zeer graag: de reden voor het voortbestaan van ‘Het Kontakkie’.

Jeanette belde me die middag op, ik zal u niet vervelen met de seksuele opmerkingen van haar of mijn zijde (vooral die van mijn zijde, bedoel ik. Zo zei ik bijvoorbeeld: ‘Hoe kan iemand die toch al zo gezegend is met haar borstomvang, ook nog zulke goede ideeën hebben?’ Ik zei dat met de ironie van Karel van het Reve, die ironie omschreef als geveinsde geveinsdheid. Want u dacht toch, hoop ik,  niet dat ik in ernst enig verband zou brengen tussen borstomvang en het hebben of niet hebben van ideeën). Ze zei me dat ze die avond bij me op bezoek zou komen, om het nog eens over de naam ‘Jane’ te hebben. ‘Houd dat briefje van Erik en dat boek van T.C. Boyle gereed. Tot vanavond!’

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Is Jeanette Jane?

Ik moest dus op zoek naar een vrouw die door Erik Greveling Jane werd genoemd. Ik moest maar aannemen dat het een alleenstaande dame was. Daarvan bevatte het telefoonboek er acht: twee Ineke’s, een Jeanette, een Toosje, een Antoinette, een Marja, een Marijke en een Clara. Wie van die acht zou het kunnen zijn. Ik dacht natuurlijk, Eriks liefde voor de Angelsaksische literatuur kennende, eerstens aan Jeanette. Jeanette – Jane, dat leek me vrij logisch. Jeanette Verschuren, Julianastraat 26, las ik in het telefoonboek.

Wat zou ik doen? Een briefje schrijven, een telefoontje plegen of ’s avonds naar haar huis gaan om het haar persoonlijk te vragen? Ik besloot dat het laatste het beste was.

Jeanette bleek een ongeveer 50-jarige vrouw te zijn, rossig kort haar, sproetjes in het gezicht. Ik kende haar, omdat ik haar wel eens in de supermarkt had gezien. Ze woonde, zei ze, al dertig jaar in Egmond aan Zee, ze had mij ook wel eens opgemerkt. ‘Ik heb een vreemd verhaal, dat nogal lang duurt om te vertellen,’ zei ik. ‘Dan zet ik koffie, we hebben alle tijd van de wereld.’ Vervolgens begon ik Eriks leven en dood te beschrijven, zijn schrijverschap, zijn manuscripten waarnaar ik op zoek was, dat boek van T.C. Boyle, die stapels poststukken in zijn slaapkamer, en het spelletje dat Erik nu met me speelde.

Foto: copyright ok. Gecheckt 26-10-2022

Erik schrijft mij

Ik ging nog eens terug naar het huisje van Erik Greveling, want ik was ervan overtuigd dat er nog ergens manuscripten moesten liggen. Een mens schrijft in zijn leven niet één verhaal, en daarna nooit meer iets. Mijn broer en ik hadden samen het huisje opgeruimd, alles was weg. Hadden we iets over het hoofd gezien? Ik zocht in de huiskamer, in de slaapkamer, in de keuken, in het rommelhok: niets te vinden. Maar in het toilet vond ik, op de plaats waar in sommige Nederlandse toiletten de verjaardagskalender hangt, een envelop. Die envelop was tegen de muur geplakt, met Pritt of iets dergelijks. Ik pakte de sleutel van het huisje en scheurde de envelop daarmee open. Erin zat deze brief:

‘Egmond aan Zee, 2 juni 2012.

Goedendag Ben,

Ik ben er niet meer, maar ik wil graag nog een spelletje met je spelen. Je hebt me verschillende keren gevraagd of ik nog meer verhalen had geschreven. Dat heb ik inderdaad gedaan. Waar zijn de manuscripten van die verhalen dan? Niet in dit huis.

Die manuscripten (52 stuks, de rest vond ik niet goed genoeg en heb ik weggegeven met de vuilniswagen) bevinden zich in Egmond aan Zee, bij een mevrouw op de looproute die ik had als postbode. Haar adres vind je tussen de stapels poststukken in mijn slaapkamer. Haar voornaam is de eerste voornaam die voorkomt in het verhaal ‘Descent of man’ van T.C. Boyle. Zo heet ze in het echt niet, natuurlijk. Verstuur het poststuk dat aan haar is gericht, zet op de achterkant van de envelop jouw adres, en zij komt je de manuscripten ter hand stellen. Zorg dat het vóór 1 september 2012 gedaan is, anders mag zij met de manuscripten doen wat ze wil.

Foto: copyright ok. Gecheckt 06-11-2022

Mail van een psychotherapeut

Geachte Heer Hoogeboom,

Zoals u misschien weet, werd in 1966 Psychotherapeutisch Centrum De Oosthoek geopend, dat tussen Heiloo en Limmen inlag, aan de kalme Oosterzijweg. Het was onderdeel van Psychiatrisch Centrum St. Willibrordus te Heiloo. In De Oosthoek werkte ik ook, als jong en net afgestudeerd psychotherapeut, vanaf 1967. Het was de bedoeling dat we een stuk of 30 jongeren met problemen zouden opvangen en na een jaartje weer naar huis zouden sturen. Hun problemen mochten niet te erg zijn, ze moesten bijvoorbeeld geen psychotisch gedrag vertonen, schizofreen zijn etc., maar een depressie, dat mocht wel. Die jongeren kwamen uit heel het land, en er was genoeg vraag, vooral in die jaren zestig en zeventig. De leeftijden van de jongeren varieerden van 17 tot 25 jaar. Als je jonger dan 17 was, dan ging je – dat weet ik eigenlijk niet. Naar je dichtstbijzijnde ziekenhuis? Was je ouder dan 25, dan kwam je terecht in St. Willibrordus, in Endegeest etc., en daar kwam je ook terecht als je ernstig malende was.

In mei 1968 kwam in De Oosthoek de 21-jarige Erik Greveling wonen. Hij kwam uit Voorburg, studeerde in Leiden, maar kon het opeens niet meer, studeren. Wat te doen? Naar De Oosthoek. Tegenwoordig doen we dat niet meer, maar toen nog wel. We wisten nog niets af van depressies, verslavingen, schizofrenie etc., we raadden maar wat en dachten dat een rustig, goed gesprek al veel zou helpen.

Foto: copyright ok. Gecheckt 17-03-2022

Er heeft zich een zoon gemeld

Erik Greveling zaliger (over wie deze stukjes gaan) blijkt een zoon te hebben: Dawid Brzinsky. Zijn moeder, Agnesz Brzinsky, is 55 jaar, ze woont in Amsterdam, ze werkt als bibliothecaresse aan de bibliotheek van de UvA. Aan dezelfde universiteit studeert de 21-jarige Dawid medicijnen. Hij wil huisarts worden. Ik had de twee wel gezien tijdens de crematie van Erik, maar had verder niet nagedacht over hun aanwezigheid.

Gisteren kwam Dawid op bezoek bij me. Zijn moeder had 22 jaar geleden een korte affaire gehad met Erik, ‘want ze wilde een kind, and here I am’ zoals Dawid me zei. Ten bewijze van een en ander liet hij me een stel foto’s uit 1990 zien van Agnesz en Erik, romantisch samen op een Amsterdamse kermis, lopend op het Damplein, elkaar kussend op het Rokin etc. Hoe hadden ze elkaar ontmoet? Er was nog geen internet, dus Agnesz had een advertentie gezet in de Volkskrant (‘Gezocht: man voor even’) en daarop had Erik haar geschreven. Dat ‘even’ heeft ruim twee maanden geduurd, in die twee maanden was Dawid verwekt en Agnesz zei bedankt en ga nu maar weg. Hij had haar nog wel geregeld brieven geschreven en zij hem ook, maar ontmoeten zouden ze elkaar niet meer.
Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Margriet vertelt

Ik ontmoette Margriet Stavenuiter-Verlaat (ze is nu al gestorven) twintig of eenentwintig jaar geleden. Ze was toen ongeveer 70 jaar. Ze was de vrouw geweest van Arend Stavenuiter, mijn leraar Natuurlijke Historie op de middelbare school. Ze woonde aan de Westerweg in Heiloo, gevaarlijk dichtbij de spoorlijn die Alkmaar verbindt met Haarlem en Amsterdam. Margriet was een kwiek en intelligent soort vrouw en je kon zien dat ze vroeger een schoonheid moest zijn geweest. Ze was lerares Frans geweest op het Murmellius Gymnasium te Alkmaar.

‘In 1952 hadden we allebei net een baan, we konden elkaar goed lijden en we dachten elkaar goed te kennen, dus we trouwden en kochten een huisje in Heiloo. Dit huisje. Kinderen hoefden we niet, want we dachten dat de wereld zo ook al vol genoeg was. Maar Arend werd steeds nerveuzer van de treinen die langsraasden, hij kon zich ook niet meer concentreren op zijn werk en zo. In 1957 besloten we dat hij in Egmond Binnen naar het Benedictijner klooster zou gaan en daar wat rust zou zoeken. Zo gezegd, zo gedaan. En daar is hij sindsdien blijven wonen. Hij is nog wel eens terug geweest hier, hoor, maar dan werd hij weer zo schrikachtig en zenuwachtig van die treinen… Ik ging twee keer per week bij hem op bezoek, om wat lekkers te brengen en om zijn wasgoed en kleren te verwisselen en zo. Dat deed ik eerst per fiets, maar in 1961 haalde ik mijn rijbewijs en kocht ik zo’n rood Simcaatje. Dat was een stuk gemakkelijker, want ik kon toen ook zijn boeken meenemen en terugnemen naar hier. Want zijn kamer was gewoon een slaapkamer, meer was het niet. Veel ruimte was er niet. In welk jaar had u les van Arend?’

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Natuurlijke historie

Op mijn twaalfde jaar ging ik naar het katholieke Petrus Canisius Lyceum te Alkmaar, dat inmiddels van naam is veranderd en nu het Petrus Canisius College heet. Omdat dat moderner is, ongetwijfeld. Ik had inmiddels een gezonde afkeer van het katholicisme ontwikkeld. De pastoor in onze parochie had namelijk de gewoonte om zijn preek zo te beginnen: hij legde zijn handen voorzichtig voor zich neer op de preekstoel, hij boog zijn hoofd, keek vervolgens alle mensen aan en zei dan: ‘Beminde gelovigen.’ Of: ‘Beminde parochianen.’ Op zo’n zangerig toontje, dat me steeds weer door de ziel sneed wegens de leugenachtigheid: van alle parochianen waren er misschien heel aardige, maar ook enkele zeer onaardige, zoals slager Snel, die jongens van Pauw, die altijd zo schreeuwden, of mevrouw Kuilman, die door geen mens ter wereld zou willen worden bemind. Toch zei die pastoor week in week uit: ‘Beminde parochianen.’ Huichelaar, dacht ik steeds.

Aan heel die enge wereld ontsnapte ik op mijn twaalfde jaar: ik ging naar de middelbare school in Alkmaar, die ook wel katholiek was, maar je kon er tenminste iets leren: Engels, Frans, Duits, Latijn, algebra, meetkunde, scheikunde, natuurkunde etc. Dingen dus die ik op de Lagere School (die tegenwoordig Basisschool wordt genoemd, ook omdat dat uiteraard moderner klinkt, net zoals een Kweekschool later Pedagogische Academie ging heten) nooit had gehad.

Vorige Volgende