Afschrijvingen | Rijk(s) rekenen

COLUMN - Een paar kanttekeningen bij de economische impact van het Rijksmuseum.

Vorige week presenteerde het Rijksmuseum een economische impactanalyse – opgesteld door adviesbureau Booz & Company – waaruit zou blijken dat het Rijks de economie met 235 miljoen euro per jaar zou stimuleren en maar liefst 3700 banen oplevert. Economische impactanalyses zijn, vrees ik, noodzakelijk om je als culturele instelling staande te houden in de moderne beleidsarena waar euro’s de hardste argumenten zijn. Maar ze zijn ook notoir discutabel en daardoor niet altijd veelzeggend. In dit geval is dat niet anders. Ik pik er een paar punten uit.

Allereerst een opmerking over ‘economische impact’. Het optellen van alle aan het Rijks gerelateerde uitgaven – want daar komt het hier in feite op neer – is eigenlijk een optelsom van kosten, en niet van opbrengsten. Natuurlijk zijn de kosten die gemaakt worden weer de inkomsten van iemand anders, maar het blijft een schaduwboekhouding van dat waar het echt om gaat. We geven geld uit aan het Rijks, omdat we er iets van waarde voor terugkrijgen, maar die waarde zelf wordt niet direct gemeten.

Alhoewel, het rapport van Booz & Company beschrijft naast de economische ook de ‘maatschappelijke’ impact van het Rijksmuseum. Denk aan de verbeelding en reflectie die het bij haar bezoekers ontlokt, de kennis en creativiteit die het stimuleert, de geschiedenis en identiteit die je als (Nederlandse) bezoeker ervaart. Dit zou Booz & Company wat mij betreft moeten herlabelen als ‘economische impact’ omdat dit de feitelijke opbrengsten waarvoor de economische kosten zijn gemaakt. Het wordt er misschien niet helderder van, ook omdat deze opbrengsten niet goed kwantificeerbaar zijn, maar het zou wel zuiverder zijn.

Tweede punt: Booz & Company keek naar de economische impact van de lopende exploitatie, de renovatiewerkzaamheden, maar vooral ook naar de totale bestedingen van museumbezoeker. Wat betreft die laatste categorie redeneert Booz & Company als volgt: een kwart van de bezoekers komt speciaal voor het Rijksmuseum naar Amsterdam dus dan mag je een kwart van de uitgaven die bezoekers doen in Amsterdam  bijschrijven op het conto van het Rijks. Impact: 2 miljard euro in de periode 2003-2017.

Dit is een vreemde denkstap die de rol van de hotels, restaurants en vervoerders waar dat geld uitgegeven wordt wegmoffelt. Een bezoeker kan aangeven dat de reden dat hij of zij naar Amsterdam komt een bezoek aan het Rijksmuseum is, maar dat betekent niet dat zij haar geld alleen uitgeeft vanwege het Rijks. Een restaurant-rekening wordt voldaan omdat er goed gegeten en gedronken is, een hotel wordt betaald voor de comfortabele overnachting. Tegenover elke besteding staat een tegenprestatie. Het Rijks levert alleen de verbeelding, de bedden en de biefstukken worden toch echt door anderen verzorgd.

Trouwens, wat als er in Amsterdam geen fatsoenlijk hotel te vinden zou zijn? Hoeveel museumbezoekers zou Amsterdam dan mislopen? De inkomsten van het Rijks zijn in die zin toch net zo goed op het conto te schrijven van de hoofdstedelijke hotellerie?

En dan nog dit: stel dat de logica achter deze impactanalyse onverhoopt wel zou kloppen, dan weet ik niet of ik me er zo op zou laten voorstaan – zeker niet tegenover geldschieters zoals de overheid.  Immers, als je als gesubsidieerde culturele instelling blijkbaar zoveel extra omzet genereert voor hotels, restaurants, vervoerders et cetera, waarom subsidiëren zij je dan niet?

Economische impactanalyses zijn noodzakelijk, maar niet noodzakelijk veelzeggend.

  1. 1

    Economische impactanalyses zijn helemaal niet noodzakelijk, tenzij het museum op het punt staat te worden opgeheven. En ze zijn niet alleen niet veelzeggend, ze zijn zelfs nietszeggend. Want als je van alle organisaties in een economie op een dergelijke manier de ‘impact’ gaat berekenen dan krijg je een belachelijke overlap. Als je die overlap van de cijfers af zou trekken hou je netto de som van de jaarrekeningen over.

  2. 3

    als je als gesubsidieerde culturele instelling blijkbaar zoveel extra omzet genereert voor hotels, restaurants, vervoerders et cetera, waarom subsidiëren zij je dan niet?

    Goede vraag. Vraag het eens aan de hotels en restaurants zou ik zeggen. Natuurlijk pompen we geld rond, doordat veel bezoekers ook moeten slapen en eten, maar de vraag waarom de hotels en restaurants het Rijks dan niet subsidiëren is een oneigenlijke vraag. Dat kun je van al die verschillende restaurants en hotels niet vragen. Die weten immers ook niet hoe veel gasten er speciaal voor het Rijksmuseum komen en zouden daar ook niet open over zijn, als hen dat geld zou kosten. Als zij dat wel zouden doen, zouden we dat trouwens geen subsidie noemen, maar sponsoring. Dat betalen we ook, maar dat vinden de subsidieklagers niet erg.

  3. 4

    Ik vind het een beetje jammer dat Paul voor het Rijksmuseum de belachelijkheid van dat soort studies aantoont. Waar was je toen die dingen gebruikt werden voor het goedpraten van rechtse hobbies, denk ik dan. En waarom val je er nu opeens wel over.

  4. 7

    “een kwart van de bezoekers komt speciaal voor het Rijksmuseum naar Amsterdam”
    O ja, is dat herkenbaar uit de bezoekersstatistieken toen de verschillende musea gesloten waren?

    Hoe is het enorme bedrag voor de Rijksverbouwing en de vertraging ervan verrekend? Is het verlies aan toeristen door die vertraging ook in rekening gebracht?

  5. 9

    Dit doet me wat denken aan een paper (http://ftp.iza.org/dp5065.pdf) van een tijdje terug:

    ‘We analyze the extent to which endogenous cultural amenities affect the spatial equilibrium share of high-human-capital employees. To overcome endogeneity, we draw on a quasi-natural experiment in German history and exploit the exogenous spatial distribution of baroque opera houses built as a part of rulers’ competition for prestigious cultural amenities.
    Robustness tests confirm our strategy and strengthen the finding that proximity to a baroque opera house significantly affects the spatial equilibrium share of high-human-capital employees. Then, a cross-region growth regression shows that these employees induce local knowledge spillovers and shift a location to a higher growth path.’