Survival of the grappigste

Foto: Honore Daumier Le Ventre Legislatif The Legislative Belly Google Art Project

ONDERZOEK - Er zijn zoals bekend eindeloos veel wetenschappelijke artikelen. Een mens kan er iedere minuut van haar leven twee lezen, en dan heeft ze nog niets gelezen. Als ik eerlijk ben kun je de meeste ook meteen weer vergeten als je niet toevallig nét zelf met dat onderwerp bezig bent.

Maar er verschijnen gelukkig ook nog altijd wetenschappelijke artikelen die sprankelen van de ideeën. Zoals het artikel ‘Survival of the wittiest (not friendliest)’ dat de Servisch-Amerikaanse taalkundige Ljiljana Progovac onlangs publiceerde in het tijdschrift PNAS Nexus (gratis toegang). Dat is een tijdschrift waarin geleerden worden uitgenodigd ideeën uit verschillende domeinen aan elkaar te verbinden, en dat doet Progovac dan ook naar hartelust.

De kern van het idee zit al in de titel van het stuk, een idee uit de biologie: dat het geen toeval is dat mensen in allerlei culturen mensen die geestig en ad rem zijn enorm waarderen. Dat we daar weleens biologisch op geselecteerd zouden kunnen zijn: de geestigste en de meest ad remme liet zien hoeveel hersenen hij of zij had, en dat is uiteraard een aantrekkelijke eigenschap voor een individu. Mensen schijnen, schrijft Progovac ook doorgaans meer geestigheden te debiteren als er aantrekkelijke leden van de andere sekse óf potentiële rivalen aanwezig zijn.

Ongedierte

Het idee dat de ontwikkeling van taal minstens voor een deel uit seksuele selectie kan zijn ontstaan is niet nieuw. Seksuele selectie betekent dat een soort een bepaalde eigenschap ontwikkelt die op het eerste gezicht nutteloos is voor het overleven. De staart van de pauw is het klassieke voorbeeld: een enorm groot en zwaar ding waardoor je heus niet meer eten gaat vinden, of langer leven, integendeel. Maar juist daardoor kan het individu laten zien hoe sterk het is – zelfs met zo’n blok aan het been overleeft het kennelijk nog. Dat maakt dat individu aantrekkelijk als partner, want het zal wel goede genen hebben.

Taal is in allerlei opzichten ook nutteloos en geestigheid is daar misschien wel het ultieme voorbeeld van. En precies daardoor werkt het goed als pauwenstaart: je bent kennelijk zo superslim dat je een deel van je slimheid kunt inzetten voor andere zaken dan het vinden van eetbare besjes of het van het lijf houden van akelig ongedierte. Zoals het vertellen van leuke grapjes. Ja, zo iemand wil iedereen wel als vader of moeder van de eigen kinderen!

Ik geloof niet dat mensen al eerder op ad rem-heid hebben gewezen als een belangrijke factor, maar wat Progovac’ essay interessant maakt, is dat ze dit eenvoudige idee aan allerlei wetenschappen verbindt, zoals genetica maar ook antropologie. Ik vind passages als de volgende om van te smullen:

In Amazonia the Pa’ikwené people are considered “good speakers” based on their “grammatical, rhetorical, and performative competence and vocal quality” . In the Trobriand Islands of New Guinea, lexical “power” seems to be achieved through the use of “archaisms, mythical names and strange compounds, formed according to unusual linguistic rules” . In New Zealand, “oratory is the prime qualification for entry into the power game” among the Maori . The Amuesha people in Central Peru describe a true leader as “the one who is powerful due to his or her words” . In Ethiopia among the Mursi, “the most frequently mentioned attribute of an influential man is his ability to speak well in public” . In Northern Transvaal, among the Venda people, “the greatest honour seems to be accorded to those who can manipulate words and sentences” . In South Africa, the Tshidi people consider oratorical ability as “a significant component of political success and the means by which politicians demonstrate their acumen” . In South America, “speaking is more than a privilege, it is a duty of the chief. It is to him that the mastery of words falls…It can be said not that the chief is a man who speaks, but that he who speaks is a chief” . According to Locke , this talent for oratory involves honest signaling, as it is “impossible to pretend a better knowledge of language than one really has, and to fake unusual skills in the delivery of speech. There are no individuals who seem eloquent, but in reality are not.”

In dat laatste zit natuurlijk een bekende kern. Men kan bijvoorbeeld wel wijsheid faken door heel moeilijk te kijken terwijl men volkomen onbegrijpelijke dingen uitslaat, maar wie niet welsprekend of geestig is, kan ook niet doen alsof ze dat wel is.

Uiteindelijk is Progovac taalkundige, en ook op dit gebied heeft ze prikkelende gedachten naar voren te brengen. Ze beargumenteert dat in de evolutie van taal de eerste zinnetjes uit twee woorden moeten hebben bestaan (een woord is geen zin, om tot een zin van drie woorden te komen moet je eerst door het stadium van twee woorden heen), en dat het heel waarschijnlijk is dat het dan ging om zoiets als een naamwoord en zoiets als een werkwoord (besje eten, jongen slapen).

De volgende stap is dat Progovac beweert dat heel veel talen woorden hebben die precies bestaan uit een zelfstandig naamwoord en een werkwoord (zo’n oerzinnetje) en die gebruikt worden om mensen te bespotten. Ze noemt voorbeelden uit het Engels (crybaby) en het Servisch (ispi-čutura ‘dronkelap’, letterlijk ‘drink-fles’), het Berber (ssum-izi ‘gierigaard’, letterlijk ‘zuig-vlieg’) en de Ghanese taal Twi (atoto-botom ‘zakkenroller’, letterlijk ‘grijp-tas’), maar ze zijn ook voor het Nederlands te bedenken: zuiplap, huilebalk, blaaskaak, slaapkop. Als het waar is dat je zulke dingen over de hele wereld in allerlei talen kunt vinden met zo’n functie, lijkt me dat een ontdekking. (Maar vier talen bewijzen dat natuurlijk niet.)

Zulke woorden hebben iets creatiefs, er ligt een vorm van creativiteit ten grondslag aan het maken van zulke woorden, én een vorm van humor – de oerhumor van het belachelijk maken van een ander. De bewering is dan ook niet dat alleen fijnzinnige grapjes leiden tot groter succes in de voortplanting, maar dat humor dat doet.

Het zijn nogal grote stappen die Progovac doet, maar wel inspirerende stappen. Er valt nog wel veel uit te zoeken voor je een en ander voor waar kunt aannemen, maar de verdienste van het artikel is dat je meteen zin krijgt om dat dan ook te doen.

Reacties (16)

#1 Co Stuifbergen

Dat de staart van de pauw sexueel geselecteerd is wil ik wel geloven, maar waarom is er dan geen vogelsoort die op een andere manier laat zien dat hij sterke genen heeft, zonder dat het ten koste gaat van het vermogen om verborgen te blijven voor / te vluchten voor roofdieren?
Zo’n soort zou nog meer succes hebben moeten, en uiteindelijk pauwensoorten verdrijven.

Zie ik hier iets over het hoofd?

#1.1 Ronzhu - Reactie op #1

“Zo’n soort zou nog meer succes hebben moeten, en uiteindelijk pauwensoorten verdrijven.”

Dat is een andere vorm van selectie. Bij de pauwenstaart gaat het erom welk mannetje voor nageslacht mag zorgen, niet of de soort als geheel het beste in een biotoop kan concurreren.

#1.2 Co Stuifbergen - Reactie op #1.1

Maar hoe kan het dan dat pauwen niet uit hun biotoop verdreven worden door soorten die de sexuele selectie op een minder riskante manier vorm geven?

Of moeten we die pauwenveren beschouwen als een soort parasiet die succes heeft tot alle gastheren zijn gedood?

(een virus dat zich te snel vermenigvuldigt maar daarbij wel de gastheer doodt, sterft uiteindelijk ook uit. De mexicaanse griep/varkensgriep van een jaar of 10 geleden was eerst heel gevaarlijk, maar werd al gauw een minder gevaarlijke variant).

#1.3 Co Stuifbergen - Reactie op #1.2

Ik bedenk opeens dat “grote hersens” intussen ook een riskante manier van sexuele selectie zijn…

#1.4 Hans Custers - Reactie op #1.2

Evolutie leidt tot diversiteit: heel veel soorten die in hun eigen “niche” kunnen overleven. Blijkbaar kan de pauw dat zo goed in zijn niche, dat hij een hoop energie kan steken in die staart. Zou dat niet zo zijn, dan zou die staart in de loop van de tijd juist weer minder uitbundig zijn geworden. Want dan zouden nakomelingen van mannetjes die daar minder energie in steken een grotere overlevingskans hebben.

De staart zal de pauw overigens ook op een andere manier hebben geholpen in de evolutie. Mensen vonden het zulke mooie vogels, dat ze ze zijn gaan houden, ook op allerlei plekken waar ze van nature niet voorkwamen. Mogelijk is de staart er nog uitbundiger op geworden in de tijd dat ze in gevangenschap leven.

#1.5 Co Stuifbergen - Reactie op #1.4

Het zou natuurlijk kunnen, al weet ik niet wat een pauw in zijn natuurlijke niche zo succesvol maakt dat hij energie aan mooie veren verspillen kan.
Het lijkt mij heel goed mogelijk dat in gevangschap nog meer selectie plaats gevonden heeft.

Niettemin vind ik sexuele selectie wat ver gezocht om pauwenveren te verklaren.
Ik schrijf verder onder #1.5.1

#1.6 zilverdael - Reactie op #1.1

Je krijgt een balans. Aan de ene kant is een grotere staat goed, want je krijgt makkelijker een vrouwtje. Dus de staart groeit. Aan de andere kant is een grotere staart slecht, want je verspilt energie en een tijger krijgt je nu makkelijker te pakken. Dus de staart krimt.

En ergens in het midden heb je de grootst mogelijke staart om de meeste vrouwtje te pakken maar niet zo groot dat de tijger jou te pakken krijgt.

#1.7 Co Stuifbergen - Reactie op #1.6

Maar sexuele selectie veronderstelt dus:
– dat er een mutatie is waardoor een mannetje energie aan mooie veren verspilt
en
– dat vrouwtjes die met deze pauwen paren, meer nageslacht hebben
(in dat geval is de selectie niet in de eerste plaats sexueel, maar zijn mooie veren bij de man een bijwerking van sterke genen. Of de voorkeur voor mooie veren bij de vrouw zijn dan een bijverschijnsel van sterke genen).

of
– dat er een mutatie is waardoor een mannetje energie aan mooie veren verspilt
en
– dat een aantal vrouwtjes de voorkeur geeft aan mannejtes met deze mutatie
(dus bij deze vrouwtjes moet tegelijk, of al eerder een genetische mutatie plaats gevonden hebben).

Het is namelijk niet zo dat dieren weten dat een afwijking een signaal voor sterke genen is. Sexuele voorkeuren veranderen toevallig, net als andere eigenschappen.

#1.8 Hans Custers - Reactie op #1.7

Het zal niet zo moeilijk zijn observaties vast te stellen dat vrouwtjespauwen een voorkeur hebben voor de grootste aanstellers met hun pronkveren. Dat zal vaak genoeg zijn waargenomen om er niet meer aan te hoeven twijfelen.

Je hebt soorten waar mannetjes niet veel meer zijn dan leveranciers van genen, terwijl de vrouwtjes al het zware werk doen. De mannetjes kunnen het zich dan wat makkelijker permitteren om te pronken. Misschien is dat bij pauwen ook zo? En dat pronken kan ook voordelen hebben, bijvoorbeeld als het gevolg is dat mannetjes geen fysieke gevechten leveren om vrouwtjes. En elkaar daar dus niet bij verwonden.

Hoe zo’n staar eruitziet zal niet worden bepaald door één gen of één mutatie, maar door een samenspel tussen een hele hoop genen. En het zit er dik in dat de “staartgenen” meer tot expressie komen als een mannetjespauw sterk en gezond is, en dus veel andere genen heeft die een grotere kans op overleving opleveren voor nakomelingen.

#1.9 Co Stuifbergen - Reactie op #1.8

Bedankt voor de uitleg!

Het zal inderdaad wel zijn waargenomen dat vrouwen-pauwen een voorkeur hebben voor mooie staarten.
Dan is er per definitie sexuele selectie.

En als die staartveren pas tot expressie komen als een pauw sterk en gezond is, is het evolutionaire voordeel ook aanwezig.

(dan blijft mij verbazen dat dit niet tot uiting komt op een manier die geen roofdieren helpt, maar als mannetjes weinig voor het nageslacht doen, is het ook geen ramp als af en toe een vos een mannen-pauw opeet)

#1.10 Frank789 - Reactie op #1.7

“dat er een mutatie is waardoor een mannetje energie aan mooie veren verspilt”

Je laat het klinken alsof er opeens een afwijkende pauw is met opeens heul veul grote veren.
Het begint natuurlijk met kleine genetische afwijking waardoor er één iets groter/gekleurder veertje groeit waar vrouwtjes de voorkeur voor blijken te hebben, en pas in honderden of duizenden jaren wordt dat een enorme verenpracht.

“dat vrouwtjes die met deze pauwen paren, meer nageslacht hebben”

Nee, die aantrekkelijke mannetjes hebben meer nageslacht, zij zetten meer mannetjes op aarde met als kenmerk die verenpracht.
Deze mannetjes zouden zelfs wat “zwakker” kunnen zijn, d.w.z. eerder sterven, vaker opgegeten worden of vaker ziek zijn, zolang dat maar gecompenseerd wordt door veel meer nageslacht.

Overigens kan ik me voorstellen dat een pauw met uitgespreide veren en al die “ogen” op de uiteinden, best wel groot en afschrikwekkend kan overkomen op kleinere roofdieren, en dus niet alleen maar nadelig is.

#1.11 Hans Custers - Reactie op #1.10

Het begint natuurlijk met kleine genetische afwijking waardoor er één iets groter/gekleurder veertje groeit waar vrouwtjes de voorkeur voor blijken te hebben, en pas in honderden of duizenden jaren wordt dat een enorme verenpracht.

Of bij een evolutionaire voorouder waarvoor een wat grotere staart wel een andere nuttige functie had. Daar kan een voorkeur voor een grote staart bij de vrouwtjes zijn ontstaan. In de loop van de tijd kan de aantrekkingskracht van de staart dan evolutionair belangrijker zijn geworden dan de oorspronkelijke functie ervan. Mogelijk ook omdat omstandigheden veranderen, en die oorspronkelijke functie minder nodig is, in elk geval voor mannetjes.

Groter lijken dan je bent is een trucje dat meer dieren gebruiken om roofdieren af te schrikken. Dus dat zou inderdaad ook een functie van zo’n staart kunnen zijn. Is het niet zo dat pauwen hun staart opzetten als ze zich bedreigd voelen? Dat meen ik wel eens te hebben gelezen, maar ik weet het niet zeker.

#1.12 Co Stuifbergen - Reactie op #1.11

En het zou natuurlijk kunnen dat pauwinnen niet zo goed onderscheid maken tussen een grote staart en een opvallende staart.
En dan laat een gekleurde staart het mannetje groter lijken.
Of dat roofdieren eerder geïntimideerd waren door felle kleuren.

#1.13 Co Stuifbergen - Reactie op #1.10

Je laat het klinken alsof er opeens een afwijkende pauw is met opeens heul veul grote veren.
Ook als de verandering gelijdelijk plaatsvond, zullen grotere/mooiere veren bouwstoffen en energie vergen.

“dat vrouwtjes die met deze pauwen paren, meer nageslacht hebben”
Dat blijft een vereiste.
De voorkeur voor mannen-pauwen met mooie veren moet natuurlijk wel in de genen van de vrouwen verspreid worden.
Als de voorkeur voor mooie veren leidt tot minder nageslacht, winnen de vrouwtjes-pauwen die net zo lief een bruine staart zien.
En dan is er geen evolutionair voordeel (voor de mannen met mooie veren) meer.

Hans Custers schreef in #1.8:
En het zit er dik in dat de “staartgenen” meer tot expressie komen als een mannetjespauw sterk en gezond is
Dus dan zullen pauwinnen die met zulke mannetjes paren, gezonder nageslacht hebben.

#2 Richard

Heel leuk; ik moest bij de “Pauw”-analogie ook gelijk denken aan het “roodborstjessyndroom” wat schrijver Ronald Giphart wel eens beschreef: de vergelijking tussen een wilde levensstijl (roken, drinken, drugs etc.) en het ongezond hard zingen van het roodborstje om een vrouwtje te veroveren.

#2.1 Co Stuifbergen - Reactie op #2

Jared Diamond heeft dit ook geopperd. Ik weet niet of dat in “Guns, germs and steel” was of in “collapse”.

Hij moest eraan denken toen hij een advertentie voor roken zag, met een mooie vrouw naast de roker.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren

*
*
*