Rapport kindermishandeling is vals alarm

Een gastbijdrage van Corine de Ruiter, hoogleraar forensische psychologie aan de Universiteit Maastricht en Ferko Öry, kinderarts openbare gezondheidszorg. Het stuk stond vrijdag in NRC Handelsblad.

pieter van vollenhove De Onderzoeksraad voor Veiligheid is in zijn vorige week gepubliceerde rapport kritisch over het functioneren van de instanties die in Nederland de fysieke veiligheid van het kind mede moeten waarborgen. De belangrijkste conclusie is dat de overheid haar verantwoordelijkheid voor de fysieke veiligheid van het kind niet waarmaakt.

De Raad heeft 27 voorvallen van mishandeling met (bijna) fatale afloop uit de periode 2004-2007 onderzocht. Deze worden in het rapport beknopt beschreven. Zo werd in 2005 een meisje geboren. Een week na de geboorte werden bij het eerste bezoek aan het consultatiebureau (CB) geen bijzonderheden gemeld. Circa zes weken na de geboorte werden blauwe plekken bij het meisje gesignaleerd. De arts en de verpleegkundige spraken af alert te blijven. Enkele dagen later besprak de verpleegkundige haar observaties met collega’s. Diezelfde dag volgde een huisbezoek door het CB. Het kind zag er nu rustig uit. Het ‘niet pluis’-gevoel bleef. Na 2,5 maand was er opnieuw een afspraak bij het CB. De jeugdarts constateerde wederom twee blauwe plekjes rondom het oog. Hij verzocht de ouders om de huisarts in te schakelen. Een paar dagen later had het CB contact met de huisarts, die geen reden tot ongerustheid zag. Een week later werd een afspraak met het CB afgezegd wegens ziekte van de moeder. Een week daarna kwamen ze wel bij het spreekuur. Er was bij dat bezoek een andere verpleegkundige dan voorheen. Het kind zag er goed uit. Een dag later overleed het meisje door mishandeling, zo meldt het rapport.

De Raad signaleert zes knelpunten, waarvan er vier te maken hebben met een gebrek aan professionaliteit (kennis en vaardigheden bij professionals) in ons kindveiligheidsstelsel. Zo werd in veel van de gevallen het regime van zorg en bescherming niet gewijzigd, ook al gaf nieuwe informatie daar aanleiding toe. Volgens de Raad zijn professionals die namens de overheid een risico-inventarisatie en -evaluatie maken en op basis daarvan handelen, terughoudend met het overnemen van de verantwoordelijkheid van de ouders. De overheid heeft hier instrumenten voor (o.a. voorlopige ondertoezichtstelling), maar deze werden volgens de Onderzoeksraad niet of onvoldoende toegepast.

Dit zijn stevige en sterk generaliserende conclusies, op basis van slechts 27 gevallen. Zo lang we niet weten hoe groot het percentage ‘valse alarmen’ in verhouding tot het percentage ‘missers’ is, zijn conclusies over 27 gevallen te voorbarig. Want bij gelijkblijvende omstandigheden leiden inspanningen om het aantal ‘missers’ te verlagen onvermijdelijk tot een toename van het aantal ‘valse alarmen’. Dit zijn belangrijke elementen uit de psychologische signaaldetectie-theorie, die in het rapport volledig ontbreken. Bovendien weten we al dat sinds de periode die het rapport behandelt het aantal uithuisplaatsingen in Nederland sterk is toegenomen, wat de kans op ‘valse alarmen’ automatisch verhoogt.

In het Verenigd Koninkrijk worden al 40 jaar dit soort Serious Case Reviews uitgevoerd, zonder dat dit geleid heeft tot verbeteringen in de praktijk. Professionals kúnnen nooit exact weten wat zich afspeelt binnen gezinnen. Risicotaxaties zijn op hun best ‘educated guesses’, met de nadruk op ‘educated’. De Onderzoeksraad wijst terecht op de noodzaak van verdere deskundigheidsverbetering binnen het kindveiligheidsstelsel. Vooral specialistische forensische deskundigheid ontbreekt.

Een niet belicht aspect in het rapport is dat in Nederland vijf verschillende instanties betrokken zijn bij het voorkómen en de aanpak van kindermishandeling, o.a. Advies– en Meldpunt Kindermishandeling en de Bureaus Jeugdzorg. Regelmatig krijgen wij hartverscheurende berichten waaruit blijkt dat een kind door diverse instanties aan haar/zijn lot wordt overgelaten. Het woud van instanties draagt daar aan bij. Als een geval te moeilijk wordt, kan men het gezin op het bordje van een andere instantie leggen. Ook zijn het onderzoek naar kindermishandeling en de aanpak om herhaling te voorkomen gescheiden. Maar alleen als onderzoek en interventies op elkaar aansluiten, en er adequaat toezicht is op de uitvoering van het plan van aanpak, ontstaat een interventie die effect kan sorteren.

De Onderzoeksraad noemt Signs of Safety een veelbelovende methode om de fysieke veiligheid van het kind concreet in een plan vast te leggen. Met inzet van familieleden en anderen uit de omgeving worden veiligheidsplannen gemaakt waarin uitvoerig wordt beschreven wat er moet gebeuren om ervoor te zorgen dat het kind veilig is in de toekomst. In Olmsted County, Minnesota, heeft dit ertoe geleid dat herhaling van kindermishandeling in de 6 maanden ná de eerste mishandeling gedaald is van 14,3 procent in 2001 naar 0 procent in 2007. Het aantal uithuisplaatsingen daalde met 53 procent. Kinderen kort of lang uit huis plaatsen heeft vaak negatieve effecten op de sociaal-emotionele ontwikkeling, dus als het voorkomen kan worden, is dat winst.

Corine de Ruiter is hoogleraar forensische psychologie aan de Universiteit Maastricht. Ferko Öry is kinderarts openbare gezondheidszorg.

  1. 1

    op basis van slechts 27 gevallen.

    Zou de conclusies anders of beter zijn geweest als er niet “slechts” 27 gevallen waren onderzocht?
    Dat die “slechts” 27 gevallen voor konden komen, ligt meer aan het “mijn toko maakt geen fouten”cultuurtje dat in jeugdzorg- medisch- en CB- en KB-land heerst, dan aan het niet omarmen van amerikaanse bevindingen die op een totaal andere maatschappelijke cultuur toegesneden zijn.

  2. 2

    Wanneer moet een professional de switch maken van ‘we kijken het even aan’ naar ‘we komen nu in actie’?
    Omdat de eerste aanpak vaak wel werkt, wordt het ook onnodig (te) vaak toegepast. De professionele ervaring heeft immers geleerd, dat het even aankijken, inclusief de nodige gesprekken en het afspreken van extra consultaties, tot verbetering leidt.
    Er meteen bovenop zitten, gaat vaker fout, omdat men het gelukkig in veel gevallen mis heeft.

    Blijven de bijna 7 gevallen per jaar over, waar het goed fout gaat. Die zijn aleen te voorkomen als elke ouder bij voorbaat wordt verdacht. Wie kinderen wil, moet dat verplicht melden, waarna hele hebben en houden worden ingeleverd: DNA, vingerafdrukken, screening van eigen en familiegeschiedenis op misbruik en mishandeling.
    Bij elke blauwe plek die de dan geboren nazaten tonen, wordt de bewijslast omgedraaid. De ouder diewnt te bewijzen dat hij/zij de plek niet heeft veroorzaakt.

    Dat kan toch niet veel vervelender zijn dan het huidge jeugdzorgregime?

  3. 3

    Deze toevoeging van Corinne de Ruiter is zeer welkom. Het was pijnlijk ergerlijk dat ook de media geen breder beeld gaven, of kritische vragen stelden na het rapport van de Onderzoeksraad. Het advies was dat er er sneller kinderen uit huis geplaatst moesten worden. Maar niemand van de journalisten herinneren zich kennelijk dat ze een paar jaar geleden nog vreselijke toestanden weergaven waarin kinderen onterecht uit huis werden geplaatst. (Sinds Savanna zijn er veel vaker uithuisplaatsingen).

    In dit stuk staat ook niet wat De Ruiter vindt van de Signs of Safety methode (aanbeveling Ondezoeksraad). En of het ook preventief is toe te passen. Als ze nu toch reageert, zou dat ook interessant zijn voor ons om te weten.

  4. 4

    Een paar zaken zijn raar aan het onderzoeksrapport:

    – Het negeert alle activiteit die na 2007 heeft plaatsgevonden: de positie van de gezinsvoogd wordt bijvoorbeeld al enorm versterkt in nieuwe wetgeving.

    – Die aandacht voor risico-taxaties is kortzichtig. Risico-taxaties kunnen behulpzaam zijn, maar zijn in de kern zeer gestandaardiseerde afvinklijstjes die hooguit een indicatie kunnen geven of en wat er mis is. De wetenschappelijke basis van die taxaties is vaak mager, maar protocollen schrijven tegenwoordig voor dat die lijstjes netjes afgevinkt moeten worden. Ervaren hulpverleners weten dat ze die lijstjes moeten wantrouwen en een ‘gewoon goed gesprek’ vaak veel meer inzicht oplevert. De nieuwelingen kunnen niet op die ervaring terugvallen of zijn al efficient gedrilled in het protocoldenken.

    Dit rapport bezit een dubbele ironie. Ten eerste doet de Veiligheidsraad hetzelfde als die risico-taxaties: op basis van een paar voorvallen veel te brede conclusies trekken. Ten tweede is het ironisch dat juist deze week het Riagg in Rotterdam de gemeente voor de rechter sleept, om de principiele discussie dat de zorgsector gegijzeld wordt door het veiligheidsdenken.

    https://sargasso.nl/archief/2011/01/12/de-riagg-verzet-zich-tegen-de-toenemende-grensvervaging-in-het-overheidsbeleid-dat-de-zorg-ondergeschikt-maakt-aan-het-veiligheidsbeleid/

    Wou dat Van Vollenhove eens een ander baantje toegeschoven kreeg, want ik heb het nut van zijn Veiligheidsraad nog niet kunnen ontdekken.

  5. 5

    Signs of Safety is inderdaad bedoeld als preventieve methode (om verdere kindermishandeling en uithuisplaatsing te voorkomen).
    De Onderzoeksraad noemt Signs of Safety als een veelbelovende methode om de fysieke veiligheid van het kind concreet in een plan vast te leggen, zonder daar verder op in te gaan. Signs of Safety is al in een paar Nederlandse regio’s operationeel. Met inzet van familieleden en anderen uit de naaste omgeving van de ouders worden rigoureuze veiligheidsplannen gemaakt waarin uitvoerig wordt beschreven wat er moet gebeuren om ervoor te zorgen dat het kind wel veilig is in de toekomst. In Nederland ligt de nadruk in het kindveiligheidsstelsel nog vaak uitsluitend op het signaleren van risicofactoren, zonder dat daar een effectief plan van aanpak aan gekoppeld wordt. Een Nederlandse kinderrechter verzuchtte onlangs dat hij zijn werk veel beter zou kunnen uitvoeren als er altijd dergelijke veiligheidsplannen voorhanden waren tijdens de behandeling van de zaak.

  6. 6

    En nog iets:
    Een niet belicht aspect in het rapport is dat in Nederland vijf verschillende instanties betrokken zijn bij het voorkómen en de aanpak van kindermishandeling: de Advies– en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), de Raad voor de Kinderbescherming, de Kinderrechters, de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG), en de Bureaus Jeugdzorg. Regelmatig krijgen wij van advocaten en ouders hartverscheurende berichten waaruit blijkt dat een mishandeld kind door diverse instanties aan haar/zijn lot wordt overgelaten. Het woud van instanties draagt daar aan bij. Als een geval te moeilijk wordt, kan men het gezin weer op het bordje van een andere instantie leggen. Daar komt bij dat het onderzoek naar (vermoedens van) kindermishandeling en de aanpak om herhaling te voorkomen, in Nederland volledig gescheiden zijn. AMK en Raad doen het onderzoek; Bureau Jeugdzorg, de gezinsvoogdij, maatschappelijk werk, geestelijke gezondheidszorg en mogelijk nog andere instanties, zijn betrokken bij de uitvoering van het plan van aanpak. Alleen als onderzoek en interventies op elkaar aansluiten, en er adequaat toezicht is op de uitvoering van het plan van aanpak, ontstaat een interventie die effect kan sorteren. In het huidige woud neemt geen van de individuele instanties haar professionele verantwoordelijkheid. Bovendien doen AMK en Raad voor de Kinderbescherming voor een belangrijk deel hetzelfde onderzoekswerk (taxatie van risico’s). Als het AMK de bevoegdheid krijgt om direct aan de kinderrechter advies uit te brengen, kan dat onderdeel van de Raad opgeheven worden. Daarmee komt geld vrij voor betere begeleiding van en toezicht op ouders die hun kind hebben mishandeld.

  7. 7

    Uitermate belangrijk dat aandacht gevraagd wordt voor het toenemen van fout positieven.

    Verder heb ik uit ervaring gemerkt dat ook als het om meer reguliere zorgverlening aan kinderen gaat, het woud aan instanties een en ander nogal bemoeilijkt. Er zijn zelfs instanties om ouders te helpen in het woud aan instanties. Effectief zorgt ze alleen maar voor een nog groter woud. Nog erger is, dat zoals ik gemerkt heb, de controle op en eisen aan deze instanties de bureaucratie waar mee en en ander gepaard gaat nog groter en ingewikkelder maken.
    De enige oplossing: veel en veel minder papier en veel meer mensen die daadwerkelijk met het kind in aanraking komen. Een centrum voor jeugd en gezin voegt alleen maar weer een instantie toe met alle bureaucratische rompslomp die daarbij hoort.

  8. 8

    Mevrouw de Ruiter benoemt nog steeds niet
    dat het Nederlands familierecht ZELF beslist aan wie gezag wordt en werd gegeven m.a.w. dus eerst gezag wordt gegeven per automatisme onderdehand, ook aan ernstig gestoorde borderliners-moeders, van wie later de uithuisplaatsingen wel degelijk nodig blijken te zijn ook velen.
    Vele duizenden vaders goedwillende lieten ze verrekken door verzwijgende hulpverlening en de eigen stoepjes schoonhouden vinden ze belangrijker dan valse rapportages en familierechtsdossiers, die druipen van valse verklaringen ook nog eens bij allerlei soorten ‘scheidingen’ waar kinderen bij zijn betrokken.
    Dan hebben we het nog niet eens over verduistering van Staat, een misdrijf strafrecht bovendien, wat zulke dames in vals te noemen geboorteaangiftes blijken te plegen doch waar niets van wordt of werd onderzocht. Ook door rechters zelf niet.
    Is die rechter heilig Mevrouw de Ruiter?
    Of gaan we eindelijk aan de slag met preventie door te zeggen waar het op staat en er niet omheen te draaien?
    Die psychiatrie loopt vol met gemanipuleerde gehersenspoelde kindertjes later in problemen in eigen leven met zeker bekende oorzaak.
    En die begint met zwijgen van hulpverlening zelf richting familierecht…
    Deze vorm van kindermishandeling is een van de ergste gepleegd door vrouwen, die men alle touwtjes in handen heeft en gaf, en waarbij advokatuur, te weten feministen, nog aan mee blijken te doen ook. (Onderzoek Gardner ligt er al jaren mevrouw en nog steeds vertikt men het in Nederland om eindelijk in te grijpen preventief).