Moreel wangedrag en zelfbedrog van managers

ANALYSE - Bedrijven en organisaties vertonen nogal eens moreel wangedrag. Dat heeft vaak veel te maken met zelfbedrog. Hoogleraar bedrijfsethiek Wim Dubbink benadert het terugdringen van immoreel gedrag c.q. zelfbedrog in organisaties vanuit Kantiaans perspectief.

Het zal de meeste mensen weinig moeite kosten een opsomming te geven van bedrijven waar de laatste jaren sprake was van moreel wangedrag: Enron, BP (Deepwater Horizon), Siemens (steekpenningen), Ahold, World Online (aandelen emissie), Vestia/KPMG en InHolland. Wangedrag van organisaties komt niet alleen veel voor, het berokkent ook veel schade en leed. In het geval van Vestia ging het al om miljarden. Bij de ENRON-affaire ging het om een veelvoud daarvan en raakten bovendien veel particulieren hun pensioen kwijt. De gevolgen van wangedrag blijven ook lang niet altijd beperkt tot financiële schade. Menigmaal is er milieuschade of kost het mensenlevens, met de ramp bij Bhopal (Union Carbide) als extreem voorbeeld. Immoreel gedrag van mensen ligt vaak aan de basis van wangedrag van de organisatie. Ergens in de organisatie overtreedt iemand een wet of een interne regel, kijkt iemand weg bij problemen of handelt iemand anderszins onverschillig.

Dreigen met straf maakt medewerkers cynisch over moraal

Er bestaat sinds jaar en dag de nodige overeenstemming over de do’s and dont’s om immoreel handelen van managers in organisaties te voorkomen. Wat je zeker niet moet doen is in de beloningsstructuur mensen belonen voor immoreel gedrag. Bewust of onbewust komt dat nogal eens voor. Wat je ook niet moet doen is een mail rondsturen met de bedrijfscode en iedereen die zich niet aan de regels houdt, dreigen met straf en aansprakelijkheid. Dat maakt medewerkers alleen maar cynisch over moraal. Wat je zeker wel moet doen is managers (en anderen) onderin de organisatie de mogelijkheid bieden gemakkelijk informatie naar de top te sluizen. Ook is een bepaalde mate van controle altijd nodig.

Strategie van integriteit en moreel handelen

De theorie die ik het meest interessant en plausibel vind om immoreel handelen in organisaties tegen te gaan, stelt het begrip ‘integriteit’ centraal (Sharp-Paine, 1997). In een integere organisatie werken managers wier wil sterk genoeg is om binnen de grenzen van de moraal te blijven. Deze theorie gaat er zondermeer vanuit  dat managers al min of meer moreel autonoom zijn en voor zover ze niet autonoom zijn dat heeft te maken met het ontbreken van positieve prikkels en de aanwezigheid van negatieve prikkels. Corrigeer je het totaal aan prikkels, dan gaan mensen als vanzelf autonoom handelen.

Een Kantiaanse reflectie op autonomie en immoraliteit

Vanuit het perspectief van de filosoof  Kant op menselijke autonomie en immoraliteit zijn deze premissen echter onjuist. De mens weet wat juist en goed is, maar motivationeel gezien valt moreel handelen hem zwaar: eigenbelang prevaleert nog al eens. We kunnen daarom hoogstens zeggen dat mensen op pad zijn moreel te worden. Integriteit is iets waar we naar moeten streven; het is hoogmoed te denken dat we al integer zijn. Er is nog een reden om een vraagteken te zetten bij de aannames van de integriteitstheorie: er is helemaal geen aandacht voor kwaadaardigheid en zelfbedrog.

Het zijn precies deze tekortkomingen die een probleem vormen in de context van organisaties. Immers: het idee van een organisatie laat zich in abstracte zin beschrijven als sfeer met verdikte of verhevigde institutionele druk, met name waar het gaat om concurrentie en machtsuitoefening. Moreel psychologisch gezien heeft juist die context een zeer negatieve invloed op de mogelijkheid van de ontwikkeling van morele autonomie. Enerzijds geven we in die omstandigheid eerder toe aan het kwaad. Anderzijds vormt die context een paradijs voor de morele persoon die op zoek is naar zelfbedrog. Er is altijd wel een regel waarachter men zich kan verschuilen.

De integere organisatie ondersteunt zelfrespect en bescheidenheid

Vanuit Kantiaans perspectief behoeft de integriteitstheorie dus aanvulling en aanpassing. Om kwaadaardigheid en zelfbedrog tegen te gaan moet er meer aandacht komen voor de deugden zelfrespect en bescheidenheid. ‘Zelfrespect’ is een besef van eigen waardigheid dat elk mens moet hebben. Uit dit besef volgt de plicht jezelf te zien als een wezen dat zichzelf moet verbeteren alsmede de plicht het recht op te eisen als een zodanig wezen behandeld te willen worden door anderen. ‘Bescheidenheid’ als deugd is terughoudendheid en voorzichtigheid in het oordeel over de mate waarin men reeds autonoom is.

De consequenties van het Kantiaanse denken worden zichtbaar als we de vraag stellen in welke contexten deze twee deugden zich moeilijk kunnen ontplooien.

1.  Een organisatie kan zichzelf niet integer noemen als deze intern scheef enonrechtvaardig is georganiseerd, bijvoorbeeld door een te groot verschil tussen het laagste en het hoogste salaris. De reden is dat juist de ervaring van onrecht typisch menselijke ondeugden versterkt als wrok, haat, boosheid, alsmede negatieve disposities als een te lage of te hoge eigenwaarde. Deze zaken versterken alleen maar de kwaadaardigheid. De ontwikkeling van zelfrespect heeft in die omstandigheid weinig kans.

2.  Een organisatie kan zich ook niet integer noemen als erbinnen macht zonder zelfbeheersing of anderszins illegitiem wordt uitgeoefend. De reden is dezelfde. Dwang en onderdrukking kweken ondeugden en disposities die de ontwikkeling van zelfrespect in de weg zitten.

3.  Een organisatie is evenmin integer wanneer de balans tussen het bereiken vaninterne waarden en externe waarden is verstoord, ten faveure van de externe waarden. Interne waarden zijn de waarden waar het uiteindelijk om gaat – die de organisatie en het werk van de manager zinvol maken (meubels maken, een service leveren, wetenschap bedrijven enzovoorts). Met externe waarden kunnen organisaties en managers zich kunnen vergelijken met anderen. De bekendste zijn status, macht, de hoogte van de winst of het inkomen. Nu is er op zich niks mis met de menselijke neiging zich te willen vergelijken met anderen. Maar het is iets dat snel uit de hand loopt. Het streven naar erkenning als gelijke slaat snel om in een strijd om superioriteit. Wanneer dat gebeurt is het gedaan met de bescheidenheid. Daarom kan een organisatie uitsluitend integer zijn als het zich matigt in de strijd om externe waarden alsmede haar managers matigt in die onderlinge strijd. Winst is goed en acceptabel, maar alleen als consequentie van een zinvolle activiteit, niet als doel op zich.

Het hedendaagse denken over de integriteit van de organisatie gaat uit van een veel te optimistische visie op de mens. De kwaadaardigheid en het gebrek aan autonomie worden ontkend. Echt integere organisatie ondersteunen de ontwikkeling van deugden als zelfrespect en bescheidenheid. Zonder die ondersteuning zijn managers kansloos.

Wm Dubbink is hoogleraar bedrijfsethiek aan het departement Filosofie van de Tilburg School of Humanities. Dit artikel is een ingekorte versie van z’n oratie uitgesproken op 7 juni 2013: ‘De doodgewone manager en het radicale kwaad’, en verscheen eerder op Sociale Vraagstukken.

  1. 1

    1. Dubbink: ´Winst is goed en acceptabel, maar alleen als consequentie van een zinvolle activiteit, niet als doel op zich.´

    Ad1. Dit betekent economische gezien: terug naar de Middeleeuwen. ´Justum pretium! Onze (moderne) economie heeft intern maar één doel: winst maken, op straffe van failliet gaan. Dat is haar taak, zo zijn wij rijk geworden.

    2. Dubbink uit Tilburg wil het moreel handelen in de economie gaan verbeteren en daarom haar managers bescheidenheid en zelfrespect bijbrengen. Als ik hem goed heb begrepen moet de economie zelf in die maatschappelijk deugden opleiden. Kant gaan bestuderen, in plaats van winst – en verliesrekeningen en valuta koersen.

    Ad 2 Het is aan de politiek de uitspattingen van de economie te beteugelen. Van de bescheidenheid en het zelfrespect van haar managers kan de economie ten zeerste profiteren, maar zij kan per se niet in deze deugden opvoeden. Waarom niet?

    Positief moreel handelen is het al dan niet iets doen met het gunstig – of respectvol – of angstig oog op een ander: vader, vriend, vrouw, vijand enz. Van ´klant´ weet ik het nog niet. Welnu, de moderne economie (van Smith, Ricardo, de ´vrij markt´), vaak uitgevloekt met ´Kapitalisme´, begint met het opheffen van die moraal. Bakkers gaan niet langer bakken om hongerige mensen van brood te voorzien, maar om kil en koud geld te verdienen. Winst! Bah. Niet netjes,´wangedrag´, immoreel. Weg met die bakkers, steekt hun bakkerijen in brand. En de Mandeville schreef terecht over hun : ‘Vices privées`´ Maar hij voegde er onmiddellijk iets aan toe: diezelfde privé-ondeugden verkeren in ‘bénéfices publics’. En daarin zit hem dus de kneep.

    We moeten dus kiezen tussen moraal en economie. Houd rekening bij het bepalen van je keus hoe je aan je geld kunt komen, erna.

  2. 2

    @1 “We moeten dus kiezen tussen moraal en economie. Houd rekening bij het bepalen van je keus hoe je aan je geld kunt komen, erna.”

    In feite zet je geld verdienen nu zelf neer als verwerpelijk, aangezien geld verdienen en moraal niet samen zou kunnen gaan.

    Mijn indruk is dat de schrijver van het artikel pleit voor een bedrijfscultuur die dicht in de buurt komt van culturen die je bij familiebedrijven treft. Geen focus op korte termijn, maar weten dat generaties na jou nog bij het bedrijf werken. Hier geldt veelal een sterkere nadruk op voor elkaar zorgen (medewerkers en werkgever), zorgvuldig en net werken (een goede naam is immers zo weg), zeer langdurige dienstverbanden, niet te grote verschillen in salaris (dat maakt de interne ethiek stuk), en geen snel geld, maar zorgvuldig groeien en voor de komende jaren investeren. Het bedrijf bestaat immers al x generaties en moet nog x generaties door. Dat stuurt de handelingswijze van werkgever en medewerker. De 194.000 familiebedrijven in Nederland bewijzen dat het wel kan (* uitzonderingen daargelaten uiteraard).

    Het interessante is dat hier niet geleund wordt op de ethiek van een individuele manager, maar op de ethiek die binnen een familie geldt die trots is op verleden en iets na wil laten voor de kinderen.

  3. 3

    als men wilt zien hoe het anders kan dan zou ik wijzen naar Japanse multinationals, ware het niet dat de werkcultuur daar zo overheersend is dat iedereen daar lijdt. ik zie echter wel heel veel potentie in de manier van bedrijfsvoering die Nederlanders ten goede zou komen

  4. 4

    “Het zal de meeste mensen weinig moeite kosten een opsomming te geven van bedrijven waar de laatste jaren sprake was van moreel wangedrag”

    De auteur mist historisch perspectief: de laatste jaren is een onnodige beperking.

  5. 5

    Moralisten beginnen altijd aan de verkeerde kant: ze veronderstellen dat je door het gedrag te veranderen de materiele realiteit kunt veranderen, in plaats van omgekeerd.

    Om een voorbeeldje te geven: stel nu eens dat je aandelen zou vervangen door obligaties zonder zeggenschap van de houder van de obligaties in de bedrijfsvoering. Analyseer vervolgens de verandering in het gedrag van de betrokken als antwoord op deze veranderde situatie.

    Dat lijkt me heel wat nuttiger dan weer een nieuwe handleiding hoe je tegen de stroom op kunt zwemmen.

  6. 6

    Citaat Noortje ´comment´ 2: ´In feite zet je geld verdienen nu zelf neer als verwerpelijk, aangezien geld verdienen en moraal niet samen zou kunnen gaan.´

    Geld aan mensen verdienen met voorbijzien van de relatie die je met ze hebt, i.e. alleen maar ´klanten´ in ze zien, vinden we naar cultureel voorschrift ´slecht´, immoreel, maar op den duur werkt slaat die immoraliteit wel om in ´bénéfices publics´. Dit is wat Mandeville beweert, en dat is wat de waarheid lijkt. Die spanning tussen wat immoreel is, maar gunstig uitpakt, beschrijft Dostojevski in ´Schuld en boete´.

    Daarin is een jonge man Loeszjin op bezoek bij Raskolnikow, held van de roman. Loeszjin is iemand die met zijn tijd meegaat. Ten huize van Raskolnikov verkondigt hij de volgende modieuze theorie. “Als men bij voorbeeld tot op heden tegen mij zei: ‘Heb lief’ en ik had liefgehad, wat zou daarvan dan het resultaat zijn geweest? [….] Het resultaat zou zijn dat ik mijn kaftan in tweeën scheurde en met mijn naaste deelde, zodat we allebei halfnaakt zouden zijn, volgens het Russische spreekwoord: je gaat achter enige hazen aan en je bereikt er niet één. De wetenschap zegt echter: heb in de eerste plaats jezelf lief, want alles in de wereld is gegrondvest op persoonlijk belang. Als je alleen jezelf lief hebt, zul je je zaken naar behoren afhandelen en je kaftan zal heel blijven. De economische waarheid voegt daaraan toe dat hoe meer goed geregelde persoonlijke zaken en zogezegd hele kaftans er in de maatschappij zijn, des te degelijker haar grondvesten en des te beter is het algemeen belang in haar geregeld.” (F. M. Dostojevski, SCHULD EN BOETE, p. 156).

    Zoals die Loeszjin zich pedant over de liberale economie uitlaat, heb je door dat Dostojevski deze wetenschap bespot. Zij moge nuttig zijn, ziet de Rus ook wel in, maar zij is vooral onsympathiek, omdat de economie tegen het directe medelijden ingaat. In deze tweespalt laat zich de verhouding tussen liberalisme en socialisme waarnemen. Het productieve liberalisme start onbarmhartig, eindigt positief; het consumerende socialisme zwelgt in barmhartigheid, helpt zonder uitstel mensen, maar veroorzaakt altijd onherroepelijk de misère van permanente armoede en onderdrukking. Liberalisme blijft opereren met deurwaarders, socialisme loopt uit op beulen. Het geld raakt op, de uitdelingen aan een immer groeiend aantal mensen nemen onafwendbaar af, relletjes ontstaan die opstanden voorspellen, de socialistische leiders willen tegen elke prijs aan de macht blijven, de eerste schoten vallen, heropvoedingskampen gaan open. Een ongeremd socialisme niet op dictatuur uitlopend, is (zie Hayek) ondenkbaar.

  7. 7

    Een interessante rede. “Vanuit Kantiaans perspectief behoeft de integriteitstheorie dus aanvulling en aanpassing. Om kwaadaardigheid en zelfbedrog tegen te gaan moet er meer aandacht komen voor de deugden zelfrespect en bescheidenheid.” Gaat het hier niet om verschillende aspecten van moraliteit? R. S. Peter en Habermas onderscheiden vier facetten ten aanzien van het concept ‘moraliteit’. Een eerste aspect betreft de beredeneerde keuze die voor een bepaalde norm wordt gemaakt; een tweede aspect betreft het toepassen van de gekozen morele norm in een concrete situatie waarin ook andere, niet-morele waarden en normen een rol spelen; een derde aspect betreft de vraag of de handelende persoon wel over voldoende motivatie, zelfrespect en zelfvertrouwen beschikt om zijn gedrag gedurende de tijd die nodig is, af te stemmen op de gekozen morele norm. Het vierde aspect betreft de interpretatie.
    Als deze conceptuele benadering van ‘moraliteit’ correct is, dan behoeft de integiteitstheorie wellicht wel aanvulling, maar niet per se aanpassing. Het eerste aspect – het morele oordeel – wordt niet ‘aangetast’ door het tweede en het derde aspect. Als iemand immoreel handelt, kan het zijn dat zijn morele oordeel weliswaar correct is, maar dat hij niet in staat is om te handelen volgens zijn oordeel. Dat is dan niet per definitie een kwestie van kwaadwillendheid en bedrog, maar kan ook te maken hebben met het feit dat iemand niet in staat is te handelen (2e en 3e aspect) volgens zijn geweten (1e aspect).
    Over het vierde aspect, de interpretatie, het volgende. Macintyre ziet, zo stelt hij in zijn ‘After Virtue’, in de hedendaagse manager meer dan enkel een professional. Hij is een van de ‘moral characters’ van deze tijd. Zo heeft elke cultuur haar eigen ‘moral characters’. Ze zijn de morele representanten van de cultuur; ze zijn de belichaming van die cultuur in de sociale wereld. De moderne manager stelt geen ethische vragen. Hij kijkt alleen naar efficiëntie en effectiviteit. Andere aspecten van het arbeidsproces vallen buiten zijn blikveld.
    Macintyre wijst erop dat deze stand van zaken op filosofisch niveau gerechtvaardigd door het emotivisme. In het emotivisme worden alle morele oordelen uiteindelijk herleid tot expressies van emoties. Het punt is dat je over emoties geen rationele discussie kunt voeren: een emotie heb je of die heb je niet. Hoewel MacIntyre niets moet hebben van dit emotivisme, constateert hij dat deze filosofische opvatting in onze tijd praktisch waar geworden is. Onze huidige westerse cultuur karakteriseert MacIntyre als emotivistisch.
    Los van de vraag of het emotivisme correct is, blijft natuurlijk wel de vraag wat we aan een Kantiaanse integriteitstheorie hebben in een samenleving waarin het emotivisme niet alleen praktisch waar is, maar ook nog eens een keer door – uitgerekend – de moderne manager waar wordt. Zelfrespect en bescheidenheid blijven in een dergelijke cultuur in het ‘luchtledige’ hangen.

  8. 8

    @6: Ik heb het telraam erbij gepakt HPax, en ben tot de conclusie gekomen dat het ongeremde kapitalisme in de afgelopen 100 jaar heel wat meer dictaturen heeft voortgebracht dan het ongeremde socialisme. Teveel om op te noemen zelfs, vandaar dat ik daar dan ook maar niet aan begin.

    Erger nog: het schijnt dat dat ongeremde kapitalisme op zijn tijd een oorlogje hier en daar nodig heeft om de productie op gang te houden en het maken van winst zeker te stellen. Vooral als geroepen wordt dat ergens “vrijheid en democratie” gebracht moet worden, dan geldt steevast het oudhollandse spreekwoord:

    Als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen.

  9. 9

    @7: “De moderne manager stelt geen ethische vragen. Hij kijkt alleen naar efficiëntie en effectiviteit.”

    Dat lijkt mij een belangrijke constatering. Ik vraag me dan ook af wat al dat getheoretiseer met Kant in de hand voor zin heeft.

    Ware ethiek zou het zonder regels moeten kunnen stellen, maar dat is een volstrekt utopisch uitgangspunt: voorzover gedurende de opvoeding nog een “geweten” via conditionering wordt ingeprent, wordt dat aan het eind van de puberteit weer zo snel mogelijk afgeleerd, bij het “volwassen” worden.

    En ook het instellen van regels heeft betrekkelijk weinig zin, als de (veronderstelde) ethische basis die ten grondslag ligt aan die regels niet als bindend wordt gezien door degenen op wie ze betrekking hebben. Het enige resultaat is namelijk, dat alles in het werk gesteld zal worden om de regelgeving te ontlopen.

    Als je het niet wenselijk acht dat er hard gereden wordt, dan helpt het niet om een rond bordje met een rode rand en 50km erop te plaatsen voor een rechte 4-baans weg.

    En als je het niet wenselijk vindt dat bedrijven ten onder gaan aan kortzichtige hebzucht: zie @5.

    http://www.youtube.com/watch?v=_xDjY7ccBcU

  10. 10

    @6 ” Een ongeremd socialisme niet op dictatuur uitlopend, is (zie Hayek) ondenkbaar”

    Leidt alles dat ongeremd is qua politieke stroming niet tot een ongewenste situatie? Ongeremd kapitalisme? Ongeremd socialisme? Ongeremd confessionalisme? Het gaat m.i. Niet om het tweede woord, maar om het woord ongeremd.

  11. 11

    @10: Het gaat jou om het woord ongeremd, dat geloof ik graag.

    HPax gaat het daarentegen om het woord socialisme en het woordje “ongeremd” is bij hem gewoon versiering, omdat hij daar negatieve associaties aan koppelt.

    Gematigd socialisme is voor HPax zoiets als een gematigde hel en ongeremde blijdschap verwerpelijke extase.

  12. 13

    Zit bij Kant ook niet al het utiliteits principe. Deugdzaamheid heeft te maken met algemeen belang.

    Zelfverrijking kan op twee manieren. Of je krijgt een percentage van de winst waar jij verantwoordelijk voor bent geweest, of je eigent je geld toe wat niet in een logische verhouding staat tot jouw prestatie.

    Ik vind het nogal vaag uitgedrukt. Met woorden als integriteit. Druk dat nou eens uit in concreet gedrag. Wat wel en wat niet.

    Daar komt bij dat regels die gesteld worden over integritetiet worden opgelegd door de overheid bij banken. Dat weet ik uit ervaring, en en alsof die managers er een hekel aan hadden werd dat meerdere malen in de uitleg naar voren gebracht. Want regels stel je voor, die beperken het economisch handelen.

    Woorden als bescheidenheid vind ik persoonlijk nergens op slaan. Komt niet overeen met de werkelijkheid bovenin de managerswereld, lees maar de boeken De Prooi, en de Ahold-affaire, krijg je een goed overzicht van hoe respectievelijk Rijkman Groenink en Van der Hoeven opereerden in hun managersteams.

  13. 14

    Een bijkomend probleem in de managerscultuur is wie is de baas en voor wiens belangen doe ik het?

    Is het een bedrijf dat in handen is van aandeelhouders die op korte termijn zoveel mogelijk geld willen zien. Dus het personeel (incl. managers) moet bovenproportioneel presteren, of je vliegt er onmiddelijk uit. De winst wordt uitgekeerd in divident, in plaats van innovatieve zaken of verbetering kwaliteit. Na ons de zondvloed.

    En dreigementen worden geuit aan het personeel dat anders het werk wordt overgeplaatst naar lage lonen landen. Of naar lage lonen mensen die we in NL hebben en steeds meer krijgen(payroll, uitkeringskrachten, met behoud van uitkerings-werkers).

    Het lijkt me met die kennis niet gemakkelijk voor een manager om integer en bescheiden te functioneren. Je staat volledig onder druk.

    Dus de vraag de manager, letterlijk: de regelaar, voor wie regelt hij de zaken?