Quote du Jour | bekostiging van het hoger onderwijs

 

Windesheim-voorman Henk Hagoort heeft een wat verstrekkendere opvatting over studiesucces. Hij vindt dat de bekostiging aangepast moet worden. “Ik denk dat we zorgvuldig moeten zijn in de definitie van het rendementsdenken. Want dat komt voort uit de financiering van de hogescholen. Je krijgt 4 jaar geld en nog een diplomabonus en na 5 jaar is de student een probleem. Volgens mij willen wij dat niet. Ik vind dat die financiële prikkel niet leidend moet zijn.”

Volgens Hagoort moeten hogescholen anders met het geld omgaan. “De uitdaging is dat hogescholen leren om het geld uit te geven in het tempo van de student. Dat vraagt om een mate van flexibiliteit en dat moeten wij leren als hogescholen. Want het blijft raar dat we nu voor een student per jaar geld krijgen en dat hele jaar opsouperen, ook als student in november vertrekt. En na vijf jaar zeggen wij: ‘jouw geld is op.’ Je kunt ook zeggen als je als student een tijdje iets anders doet dan geven we het geld ook op een ander tempo uit. Als wij het nu eens omdraaien en zeggen: ‘wij krijgen voor jou genoeg geld om je studie te bekostigen en we gaan het uitgeven in het tempo dat jij als student kiest.’”

Op ScienceGuide verscheen een boeiend verslag van een discussie over toekomstige ontwikkelingen in het hbo. Vraagstukken die aan bod kwamen waren onder andere de rol van onderzoek in het hbo, hoe het hbo meer vwo’ers kan verlokken, en of mensen op het hbo zouden moeten kunnen promoveren. Zonder meer boeiende vraagstukken. Kamerlid Westerveld zegt nog interessante dingen over studiesucces. De hoofdprijs gaat toch echt naar bovenstaande quote, van dhr. Hagoort.

De reden hiervoor is de volgende. Wat hij beschrijft in de eerste van de bovenstaande twee alinea’s, is inderdaad hoe er vaak wordt gedacht door onderwijsbestuurders: er is voor vier jaar geld, en daarna is het ‘op’ en kost een student geld. Dat is echter niet precies wat er aan de hand is. Laat mij u, de lezer, even meenemen in de techniek.

De overheid stelt vast hoeveel geld er is voor het hoger onderwijs, en dat wordt op een bepaalde manier verdeeld (het bekostigingsmodel). Tot medio 2008 was er een bekostigingsmodel dat hogeronderwijsinstellingen geld gaf op basis van 1) nieuw ingestroomde studenten 2) uitgereikte diploma’s (diplomabonus) en 3) een vaste component. Die eerste twee hadden echter, helaas, een aantal perverse effecten – iets wat je overigens vaker ziet gebeuren wanneer de overheid probeert te ‘sturen met geld’. Punt 1 verleidde instellingen namelijk tot maximaal inzetten op instroom (en stimuleerde bijvoorbeeld reclame in plaats van voorlichting, onderlinge concurrentie om studenten én strenge studieadviezen na het eerste studie – een student die maar een jaar bleef was financieel ‘winst’). Punt 2 stimuleerde het uitreiken van een maximaal aantal diploma’s, met het perverse effect dat instellingen minder kritisch konden worden of iedereen aan wie zo’n diploma werd gegeven ook wel echt aan alle eisen voldeed. Het latere (huidige*) bekostigingsmodel schafte mede vanwege die perverse effecten die bekostigingsvormen grotendeels af. De diplomabonus werd flink verlaagd en het grootste deel van het geld werd uitgespreid over de nominale studieduur, zodat ‘werving’ en ‘afstuderen’ minder nadruk zou krijgen. Was althans het idee.

Wat echter gebeurde was dat vele onderwijsbestuurders van toentertijd in een reflex schoten van ‘maar dan krijgen we dus maar voor vier jaar geld bij een vierjarige opleiding dus dan moeten alle studenten ook weg zijn want dan is het geld op!’ En dat is een fundamentele misvatting. Er is nog steeds eenzelfde zak met geld als in het eerdere bekostigingssysteem, alleen wordt die op een andere manier verdeeld. Vroeger was het geld ook niet alleen voor het eerste studiejaar, en het papier waarop het diploma werd geprint, maar voor de hele studie, of een student daar nu 3, 6 of 9 jaar voor nodig had. En dat is eigenlijk nog steeds zo. (Al is de vraag of dat bedrag toereikend is terecht – ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat sinds de overgang naar het huidige bekostigingssysteem het bedrag dat beschikbaar is per student niet gestegen is).

En het mooie is dat dhr. Hagoort dit ziet, én daar beleid op wil maken (zie de tweede alinea van de quote). Dat eerste vind ik al bijzonder, dat tweede lovenswaardig. Ik ben benieuwd hoe het verder gaat, maar tot zover: hup Windesheim!

 

*Later werd wel nog een onzalig stukje bekostiging op ‘kwaliteit’ toegevoegd. Dat sla ik hier even over, maar de liefhebber kan er hier nog wat over lezen.

 

  1. 2

    Het probleem is dat bestuurders/politici het bedrijfsmodel niet durven los te laten. Dat geldt ook voor andere publieke diensten, zoals de zorg. Dus blijft het denken steken in variaties van ‘return of investment’, rendement en outputfinanciering. Is er dan nergens een model te vinden dat uitgaat van de kwaliteit van (samen)leven die publieke diensten ons te bieden hebben zonder dat men vervalt in cijfers en euro’s?

  2. 3

    @1 ik was ook oprecht blij :)

    @2 Nou ja, ik snap ook wel dat een bestuurder zich in de eerste plaats verantwoordelijk voelt voor het draaiende houden van zijn of haar toko. En als de financiering chronisch te laag is, dan stimuleert dat ook wel om toe te geven aan zgn ‘perverse prikkels’ (in het huidige geval: studenten zsm naar buiten jagen omdat er na 4 jaar geen geld meer binnenkomt). Qua bekostiging zou ik het veel eleganter vinden om, naast een forse ‘vaste voet’ (in dat afgrijselijke jargon, sorry, ik bedoel een vast bedrag) te bekostigen per student die er zit. Dus geen geen premies voor het binnenhalen, geen premies voor diploma (output), maar gewoon bekostigen wat geld kost: studenten onderwijzen.

    Ook dat heeft perverse prikkels (het kan instellingen stimuleren om studenten zo lang mogelijk binnen de poort te houden), maar dat is niet erg aangezien de studenten al een prikkel hebben om de eindstreep binnen afzienbare tijd te halen (die willen gewoon afstuderen op een gegeven moment, zeker met de schulden die ze tegenwoordig opbouwen).

    Maar het belangrijkst eis gewoon meer geld voor hoger onderwijs (eigenlijk: al het onderwijs), zodat bestuurders minder verleid worden om toe te geven aan perverse prikkels.