Opgroeien met intieme technologie

Boris de Ruyter werkt bij Philips Research. Hij vraagt zich af of  opgroeien met intieme technologie gevolgen heeft voor de ontwikkeling van een kind. Een nieuwe aflevering in de serie Intieme Technologie van het Rathenau Instituut.

Dat toepassingen van technologie intiem zijn verweven in ons dagelijkse leven en een invloed op ons dagelijks gedrag hebben zal niemand echt verbazen. Neem het voorbeeld van sociale netwerken: heden ten dage heeft de jeugd het over honderden vrienden. Uiteraard heeft deze jeugd niet meer sociale vaardigheden en dermate meer tijd te investeren in vriendschapsrelaties dan de vorige generatie. Dit doet vermoeden dat de definitie en mogelijk de functie van vriendschap niet meer is wat het ooit was.

Een ander voor de hand liggend voorbeeld is sms. Het hedendaagse communicatiepatroon bij de jongeren alsook het gebruik van taal is sterk beïnvloed door deze communicatiemogelijkheid. Met duizenden asynchrone berichten bestookt de jeugd elkaar dag en nacht waardoor stress, depressie en zelfs slaapstoornissen zich beginnen te manifesteren. Maar deze voorbeelden zijn slechts oppervlakkig en lijken dramatisch doch zijn niet noodzakelijk bestendig van aard. Ontneem de jongeren hun communicatiemiddelen gedurende een zomervakantie in het buitenland en ze zullen, na hooguit een paar dagen van ontwenningsverschijnselen, deze ontbering wel overleven.

 

Maar technologie gaat verder en wordt intiemer: niet enkel doorbreken we steeds vaker de intimiteit van anderen door middel van ICT-toepassingen als Twitter die je op elk ogenblik kunnen informeren over de situatie van anderen, we doorbreken ook steeds meer onze eigen intimiteit. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de Rationalizer: een stukje elektronica in de vorm van een armband met de mogelijkheid om de emotionele toestand van de drager waar te nemen.

Gedragsverandering
De bedoeling van dergelijke systemen is om de mens meer inzicht te geven in diens eigen fysiologische en psychologische toestand. Nog een stapje verder is de situatie, waarbij een technisch systeem hiermee de nodige intieme inzichten in de mens heeft om deze op een al dan niet verborgen manier op het juiste moment te beïnvloeden tot gedragsverandering. We zullen nooit meer hetzelfde zijn.

Laat ons echter de vraag stellen wat er kan gebeuren indien generaties vanaf de geboorte met dergelijke technologie opgroeien: technologie die je constant informeert over bijvoorbeeld jouw gemoedstoestand, jouw cognitieve en fysieke conditie. Hiervoor kunnen we deze situatie best vanuit een ontwikkelingspsychologisch perspectief benaderen.

Onderscheid maken
Voor een gezonde psychologische ontwikkeling is het nodig dat een kind een onderscheid leert maken tussen zichzelf en de omgeving. In Lacaniaanse termen hebben we het over een onverdeeld mens, een individu, dat zich los moet maken van het reële en aldus subject moet worden. Hierdoor ontwikkelen we bijvoorbeeld empathie: het vermogen om zich te verplaatsen in de situatie van een ander. Persoonlijkheidskenmerken als locus van controle, introversie en zelfbewustzijn ontwikkelen zich op basis van de separatie van het zelf en de omgeving. Een separatie tussen het zelf en de omgeving is eveneens van belang voor de morele ontwikkeling van het kind. De literatuur in de ontwikkelingspsychologie is dan ook eenduidig over de verhoogde kans op het ontwikkelen van psychopathologie bij onvoldoende separatie tussen het zelf en de omgeving.

De uitdagende vraag die we onszelf stellen betreft de psychologische ontwikkeling van een individu die vanaf diens geboorte opgroeit in een technische omgeving die meer weet over de fysiologische en psychologische toestand van de persoon dan de persoon zelf. In zo’n omgeving ontstaat er geen duidelijke scheiding meer tussen individu en omgeving maar confronteert de omgeving (bestaande uit toepassingen van technologie) het individu constant met het zelf. Het zelf en de omgeving blijven één. Naast het blijven zoeken naar technische innovaties zullen we ons eveneens moeten wagen aan het op zoek gaan naar antwoorden rondom de langdurige psychologische gevolgen van steeds intiemere technologische toepassingen.

Boris de Ruyter heeft na het behalen van een licentiaats diploma in de Psychologische en Pedagogische Wetenschappen gewerkt als onderzoeksassistent experimentele psychologie aan de universiteit van Antwerpen. Sinds 1994 werkt hij bij Philips Research waar hij benoemd is tot hoofdonderzoeker. Zijn onderzoek richt zich op psychometrie en cognitief modelleren. Vanaf 1999 geeft hij leiding aan een vakgroep van gedragswetenschappers binnen het lifestyle programma van Philips Research Europe. Boris is auteur van talrijke wetenschappelijke publicaties en heeft verschillende patenten op zijn naam.

Reacties zijn uitgeschakeld