Om het behoud van de vrijemarkteconomie

RECENSIE - Pessimisme is voor losers’: de correspondentie tussen een criticus van het hedendaagse kapitalisme en een topman uit het internationale bedrijfsleven.

Onder de titel ‘Dit kan niet waar zijn‘ publiceerde de journalist Joris Luyendijk een paar jaar geleden een inkijkje in de Britse financiële wereld. Het bleek allemaal nog veel erger dan we ooit hadden gedacht. Nu is Luyendijk ingegaan op een uitnodiging van oud-topman Kees van Lede om een jaar lang te corresponderen over de actuele gang van zaken in het grote bedrijfsleven, de bonuscultuur, de netwerken aan de top, de onrechtvaardige inkomensverdeling, belastingen, de klimaatverandering en meer hedendaagse thema’s waarin macht en moraal een grote rol spelen.

Kees van Lede (1942) was bestuursvoorzitter van het chemieconcern AkzoNobel, voorzitter van werkgeversvereniging VNO, president-commissaris van de Nederlandse Bank, bestuurder bij een reeks van nationale en internationale ondernemingen en op dit moment nog lid van de adviesraad van JPMorgan, de grootste bank ter wereld. Van Lede bekent ondanks al zijn ervaringen in het bedrijfsleven weinig te voelen voor het schrijven van memoires. Hij wil wel graag het debat aangaan met een vertegenwoordiger van een jongere generatie over de vraag waar het met het economisch systeem dat hij zo lang gediend heeft naar toe moet. Want hij ziet dat er wel wat veranderen moet en hij is ook niet ongevoelig voor de kritiek op het bedrijfsleven zoals die de afgelopen jaren steeds vaker te horen is -onder andere op basis van Luyendijks boek.

Kleine stapjes

Van Lede en Luyendijk begonnen hun correspondentie in het voorjaar van 2018. De laatste -uitgebreide- brief van van Lede dateert van juni 2019. Daarna komt er in december nog een laatste bijdrage van Luyendijk. Het was een periode waarin de Brexit het nieuws domineerde, en Trump natuurlijk. Uit eigen land komt onder andere de witwasaffaire van het ING aan bod met de arrogante beloning van topman Ralph Hamers.

Gaandeweg het lezen begreep ik de inzet van Van Lede wel. Hij is zeer gehecht aan de vrijemarkteconomie waarin hijzelf groot is geworden en die volgens hem een ‘lange periode van welvaartsgroei en gezonde werkgelegenheid’ heeft opgeleverd. Maar het huidige aandeelhouderskapitalisme is onhoudbaar geworden en vraagt dringend om bijstellingen. Hij vergelijkt de situatie met begin jaren tachtig, bij de aanvang van zijn carrière, toen een ‘doorgeschoten’ verzorgingsstaat om correctie vroeg van socialistische doelen. Nu moeten de liberalen op hun beurt een ‘doorgeschoten’ kapitalisme weer in evenwicht brengen om te voorkomen dat de maatschappelijke ordening op basis van de oorspronkelijke gedachte van de vrijemarkteconomie teloor gaat. Met dat doel formuleert Van Lede in zijn laatste brief een paar zeer bescheiden ‘stapjes in de goede richting’:

‘Wat meer investeren, wat minder achteroverleunen op onze besparingen, werknemers het aandeelhoudersgevoel bijbrengen, massaal inzetten op produktiviteitsverbetering, de kwetsbaren preventief begeleiden en enkele fiscale correcties voor de zeer vermogenden.’ (p.244)

Uitwassen

Het is jammer dat Luyendijk niet is ingegaan op die laatste voorstellen van zijn penvriend. Zijn motivatie om aan dit boek mee te werken is me eerlijk gezegd niet duidelijk geworden. Luyendijk is scherp op de amorele uitwassen van het aandeelhouderskapitalisme: de onveranderde bonuscultuur, de netwerken waarin internationale ondernemers (en ambtenaren) wederzijdse verplichtingen aangaan, de dwang van de winst, alfa en omega van het kapitalisme, het gebrek aan maatschappelijke verantwoordelijkheid, in het  bijzonder tegenover de klimaatverandering. Maar hij fungeert daarmee primair als aangever voor zijn gesprekspartner. Van Lede gebruikt de kritische vragen van Luyendijk vooral om genuanceerd en relativerend te beschrijven hoe het er aan toe gaat in de grote wereld van het internationale bedrijfsleven. Met de nodige al dan niet anekdotische voorbeelden uit zijn rijke verleden in een lange rij van ondernemingen,  commissies en informele netwerken. Uitwassen worden vooral op het conto van de Angelsaksische bedrijfscultuur geschreven. De ‘draaideur’ tussen politiek en bedrijfsleven past in ‘een ander maatschappijbeeld’ van de Amerikanen. In Nederland is er trouwens nauwelijks sprake van een nuttige uitwisseling tussen politici en ondernemers. Heeft de top van het bedrijfsleven een tunnelvisie? In een ‘bubbel’ gelooft van Lede niet om een paar regels verder toe te geven dat het pas de laatste jaren tot hem is doorgedrongen dat de welvaartsgroei aan grote groepen geheel is voorbijgegaan (p.41). Waarom staat er tegenover de bonus geen malus voor slecht presterende managers, vraagt Luyendijk? Het hoeft niet tot onverantwoord gedrag te leiden, meent Van Lede. Hij erkent dat de honorering van raden van bestuur onderhevig is aan een pervers systeem van internationale vergelijking dat tot alsmaar hogere beloningen leidt. Maar een malus-systeem bleek bij AkzoNobel moeilijk uit te voeren en is ‘met dichtgetimmerde contracten juridisch niet zo eenvoudig’ (p.105).

Geen reden tot somberheid

Van Lede relativeert Luyendijks zorgen over het milieu, de klimaatverandering en de biodiversiteit. ‘Juist als de aarde opwarmt moeten we het hoofd koel houden, vriend…laten we ons concentreren op praktische maatregelen…Gelukkig gaat het in het debat hoe langer hoe meer over hoe we zélf ons gedrag zullen moeten aanpassen’. (p.205-207). Enzovoort. Laten we praten over de toekomst in plaats van terugkijken naar het verleden. ‘Boodschap: geen paniek zaaien. Want: het gaat ons lukken. Werk aan de winkel, Joris!’ (p.210) De titel van dit brievenboek lijkt vooral uit de koker van de ondernemer te komen.

Met zijn optimisme reageert Van Lede op Luyendijks kritische opmerkingen over de marktwerking die overal leidend is behalve bij de beprijzing van de externe effecten van de ‘ecologische destructie’. En daaraan gekoppeld zijn vraag ‘of überhaupt een maatschappelijke ordening gericht op almaar meer consumptie wel samengaat met het overleven van de soort.’ Ook als de almacht van de aandeelhouder uit het systeem gehaald kan worden en daarmee alle nadelen van het huidige aandeelhouderskapitalisme dan houden we nog steeds het streven naar onbeperkte, exponentiële groei op een planeet waarvan de hulpbronnen eindig zijn. (p.199)

Van Lede gaat hier niet concreet op in. Elders betuigt hij wel een grenzenloos vertrouwen in de techniek en de ondernemingszin die voor oplossingen kunnen zorgen tegen ‘een goed rendement’. Tenslotte is de westerse wereld ‘tot nu toe redelijk in staat geweest de ergste rampen te voorkomen door een combinatie van regelgeving en menselijk vernuft’. (p.174) Bepaald geen vernieuwende gedachte in het debat over klimaat en milieu.

De vraag die bij mij overbleef: had Luyendijk anders verwacht, toen hij aan dit project begon?

In Buitenhof van zondag j.l. een gesprek met beide auteurs.