Maakbaarheid is dood, leve maakbaarheid

GeenCommentaar heeft altijd ruimte voor gastloggers. Dit stuk is van Dimitri Tokmetzis, een journalist die op zijn weblog over privacy, controle en toezicht in Nederland en daarbuiten schrijft.

Hij prijkte al een tijdje op mijn desktop en zojuist eindelijk eens tijd gehad om de laatste Verwey Jonker lezing (.pdf) over de maakbare samenleving door te spitten. Dat was geen straf. Interessant betoog van Marojolein van Asselt. Tijdens het lezen moest ik denken aan die ijzersterke observatie van Rene Boomkens in zijn boek De Nieuwe Wanorde: Globalisering en het einde van de maakbare samenleving. Hieronder zijn citaat, dan een filmpje en daarna enkele fragmenten uit de lezing. Goed om tijdens een frisse najaarswandeling eens verder op te kauwen.

“Al decennialang is de overheid aan het ‘liberaliseren’, ‘privatiseren’ en ‘dereguleren’, maar geconfronteerd met de verontrustende toename van onveiligheidsgevoelens onder de bevolking en met de groter wordende onrust rond integratie, moslimfundamentalisme en criminaliteit onder tweedegeneratie migrantenjongeren ontpoppen de overheid en de politiek zich plotseling als kampioenen van de maakbare samenleving. Dat is echter geen maakbaarheid die, zoals in de jaren zestig en zeventig, in het teken staat van emancipatie, vooruitgang en solidariteit, maar een die in het teken staat van surveillance, controle, misdaad- en terreurpreventie, bewaking, zero tolerance, spreidingsbeleid, inperking van privacy, kortweg: van het herstel van een autoritaire, gesloten samenleving.”

Tja, geen speld tussen te krijgen. Hieronder het filmpje van Marjolein van Asselt: ‘Dromen van maakbaarheid: tijd om wakker te worden’.

Ik zal betogen dat geloven in maakbaarheid te midden van onzekerheid een voorspelbaar scenario oplevert: de overheid belooft te veel en de maatschappij gelooft te veel.

Door overheidsingrijpen zou het mogelijk zijn in de toekomst een betere samenleving te verwezenlijken.

Zo geformuleerd past dit maakbaarheidsdenken naadloos in de utopische traditie. Tegenwoordig is utopisch geen compliment, maar een diskwalificatie. In de afgelopen decennia is ook het idee van een maakbare samenleving steeds nadrukkelijker afgeschilderd als een naïeve toekomstoriëntatie. Nieuwe maakbaarheid, het thema van vandaag, suggereert dat het oude idee van een door overheidsingrepen verwezenlijkte betere samenleving echt passé is. Of modern geformuleerd: dat is ‘zo jaren zestig’.

Centraal bij de maakbare mens staat niet de ambitie van een samenleving waarin iedereen gelukkig kan zijn, maar de kunstmatig verbeterde, kerngezonde en mogelijk onsterfelijke mens. Naast het verschil in schaalniveau is in deze nieuwe maakbaarheid de ‘agent of change’, de toekomstverbeteraar, niet de overheid, maar technologie, en gaat het in het bijzonder over nieuwe technologische mogelijkheden geschapen of te scheppen door nanotechnologie, cybernetica en biotechnologie.

Dus de maakbare mens is geen wenkende toekomst, zoals het geval was bij het idee van de maakbare samenleving, maar het is een aanstormend, angstaanjagend toekomstbeeld. Er lijken dus inderdaad in het maatschappelijke verkeer nieuwe vormen van maakbaarheid (maakbare mens, maakbaar geluk) te ontwaren, waarbij het schaalniveau (samenleving of individu), de veronderstelde toekomstverbeteraar (overheid, technologie of het individu) en/of het maatschappelijke effect (een wenkende toekomst versus een angstaanjagende toekomst1) verschillen van maakbaarheid oude stijl.

Nieuwe maakbaarheid zou ook kunnen impliceren dat het niet meer gaat om overheidsingrijpen in de meer utopische zin, maar dat het gaat om het afwenden van ongewenste, huiveringwekkende toekomsten. Volgens mij is ook die nieuwe vorm van maakbaarheid zichtbaar, waarbij de motivatie verschoven is van een oriëntatie op een gewenste toekomst naar een oriëntatie op ongewenste, angstwekkende toekomsten. Ik zie daarvoor aanwijzingen in het fenomeen dat Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut, treffend de veiligheidsutopie heeft genoemd (voor een populair-wetenschappelijke inleiding, zie Boutellier (2008)): het verlangen naar, of zelfs het opeisen van, vrede en veiligheid in de meest brede zin. Dat wil zeggen: sociale veiligheid (geen slachtoffer worden van criminaliteit of geweld), fysieke veiligheid (geen slachtoffer worden van rampen en andere negatieve effecten van grootschalige systemen), sociale en financiële zekerheid (ook in een globaliserende wereld) en het uitbannen van oorlog en andere massale inbreuken op primaire veiligheid (zoals terrorisme).

Dus ondanks dat het geloof in de maakbare samenleving vaak geridiculiseerd wordt, ook in de politieke arena, is het volgens mij springlevend. De toekomstoriëntatie is echter niet meer geworteld in een positief geformuleerde wenkende toekomst van een betere samenleving zoals in de utopische traditie, maar in een door angst geïnspireerd toekomstbeeld. De oude maakbaarheid was een serieus, zij het in retrospectief overmoedig, ideaal. De nieuwe maakbaarheid lijkt geïnspireerd door angst en geloven tegen beter weten in.

Dromen van maakbaarheid ? en de daarbij behorende gedachte dat de overheid ons gelukkig maakt (oude maakbaarheid) of ons voor narigheid behoedt (nieuwe maakbaarheid) ? is erg aantrekkelijk. Het is vergelijkbaar met het comfortabele gevoel van een puber uit een goed functionerend gezin: als de nood echt aan de man komt, dan lossen mijn ouders mijn problemen wel op. Ik kies niet voor niets voor de associatie met een puber. Dromen van maakbaarheid heeft in mijn ogen ook iets kinderachtigs. Iedere volwassene is in enigerlei vorm tegelwijsheden als ‘van het concert des levens heeft niemand een program’ tegengekomen, en beseft ook waarom ze op tegeltjes staan: als reminder dat het leven onzeker is, dat er aangename en onaangename verrassingen op het pad kunnen komen.

Of nog stelliger geformuleerd: maakbaarheid in welke vorm dan ook is onzekerheidsintolerant. Ik herhaal: onzekerheidsintolerantie vermindert het vermogen om alert, adequaat en verstandig te reageren. Dat betekent dat het idee van een maakbare toekomst en de overheid als toekomstverbeteraar een gevaarlijke illusie is. Gevaarlijk, omdat de onzekerheidsintolerantie die ermee gepaard gaat het vermogen vermindert om alert, adequaat en verstandig te reageren. Het is dan niet alleen een teleurstelling als de wereld onveilig en onzeker blijkt te zijn, maar degenen die zich op maakbaarheid verlaten hadden, staan ook nog eens met lege handen.

Geloven in maakbaarheid te midden van onzekerheid levert dan ook een voorspelbaar scenario op. De overheid belooft meer dan ze kan waarmaken. De samenleving gelooft dat en is vervolgens teleurgesteld als de overheid de overspannen beloftes niet gestand kan doen. Als reactie doet de overheid nog grotere beloften, waardoor het vertrouwen alleen maar verder ondermijnd raakt. En tegelijkertijd wordt niet gewerkt aan het vermogen om alert, adequaat en verstandig te anticiperen en te reageren. Dat lijkt mij een heilloze route.

De toekomst is niet maakbaar, maar hij is wel in de maak. Dat vraagt om bescheidenheid en om een houding van zorg, of zo u wilt voorzorg. Het niet kunnen kennen van alle langetermijneffecten van ons handelen, in positieve en negatieve zin, betekent dat de verantwoordelijkheid om daarbij stil te staan eerder groter dan kleiner wordt. Dat is een verantwoordelijkheid die niet alleen politici, maar ook wetenschappers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers zelf zich zouden moeten aantrekken. Voor een deel betekent dat, dat we een manier moeten vinden om toekomstige generaties een stem te geven. Misschien kunnen we wel een Partij voor het Nageslacht gebruiken.

Het is ook voorbij het simpele zwart-wit-denken van wenkende en angstaanjagende toekomsten. Het vraagt om oog te hebben voor allerlei grijstinten. Dat betekent dat we op allerlei niveaus en in allerhande samenstellingen moeten leren nadenken over de vraag hoe we de kans kunnen vergroten wenselijke toekomsten te bevorderenen over de vraag hoe we de kans op onwenselijke, doch mogelijke toekomsten kunnen verkleinen, dan wel over de vraag hoe we ons nageslacht in staat stellen met onze eventueel onaantrekkelijke erfenis om te gaan. De vraag die centraal zou moeten staan, is niet of verkende toekomsten waar zijn, maar: hoe kunnen we alert, adequaat en verstandig handelen op onze weg de toekomst tegemoet?

Onzekerheid betekent dat de toekomst open is: de toekomst is niet het logische resultaat van het verleden, noch de gewenste uitkomst van ons handelen in het hier en nu. Maakbaarheid veronderstelt een lege toekomst die volledig naar onze hand te zetten is. De toekomst is echter niet maakbaar. Wel zijn er allerlei toekomsten in de maak, in positieve en negatieve zin. Door het handelen in het hier en nu worden sommige toekomsten mogelijk gemaakt, en worden andere de pas afgesneden. De toekomst is dus wel open, maar niet leeg. Niet alles is mogelijk, ook al is het denkbaar. De toekomst bestaat niet alleen in onze gedachten. Slepende problemen zullen niet als sneeuw voor de zon verdwijnen. Sommige trends zullen niet onverhoeds ontsporen.

Tegelijkertijd is er ook de valkuil van het historisch-determinisme, wat betekent dat het denken over de toekomst te sterk ingeperkt wordt door wat in het verleden is gebeurd. En die valkuil is heel groot. Zelfs mensen die deze valkuil willen vermijden, blijken er toch nog in te kunnen vallen. In het verlengde daarvan ligt de valkuil om in politiek en beleid een te smalle logica te hanteren door alleen rekening te houden met de toekomst die, gekeken door de bril van het verleden, het meest waarschijnlijk lijkt. Een andere te smalle beleidslogica is om alleen te redeneren vanuit de gewenste toekomst. Dat komt gevaarlijk dicht in de buurt van het oude maakbaarheidsdenken.

  1. 1

    Goed stuk.
    De oude maakbaarheid willen we niet terug? De huidige maakbaarheid willen we vanaf?
    Voor een nieuwe maakbaarheid waarin “we alert, adequaat en verstandig handelen op onze weg de toekomst tegemoet”?

    Gemeenschappelijk factor van alle drie soorten maakbaarheid: toekomstgericht denken. Wat we vandaag hebben werkt niet lekker, dus willen we morgen wat anders. wenselijke toekomsten bevorderen.

    Verschil met de hier geformuleerde nieuwe maakbaarheid: geen kant en klare plaatjes opstellen en dan de instrumenten erbij bedenken. Die instrumenten zijn dan regels, wetten, protocollen, convenanten, herenakkoorden, trainingen en cursussen, enz.

    De auteur vraagt die instrumenten in te ruilen voor alertheid, adequaat handelen en verstandigheid. Dat is mooi, als we ook weten hoe we daar anders mee om zullen gaan, in vergelijking met wat tot nu toe gerbuikelijk is.

    Immers: ook nu wordt gedacht dat er alert, adequaat en verstandig wordt gehandeld. Achteraf of in een andere tijdgeest, blijken er andere opvattingen en wensen te zijn, waarop weer alert, adequaat en verstandig wordt gereageerd.

    Mijns inziens zijn er twee opties:
    1. zowel bij de oude als huidige maakbaarheid, worden de te bereiken doelen veel ter halfslachtig nagestreefd. Met andere woorden: als je ergens voor gaat, ga er dan ook voluit en consequent voor. Intentieverklaringen, wachten tot een ander meedoet en voorzichtige stapjes zijn niet genoeg.
    Een onhaalbare optie, want het zou tot veel maatschappelijke onrust leiden.

    2. Als niets helpt, doe niets. Alle maakbaarheid ten spijt: we blijven maar met brokken zitten. Dus dan maar eens een poosje met onze tengels overal van afblijven?
    Ook geen beste optie, want het lijkt niet in onze genetica te zitten, nooit niets te doen.

    Misschien komt dat voort uit wat de auteur de “onzekerheidsintolerantie” noemt. Of je er meer alert, adequaat en verstandig wordt betwijfel ik, maar accepteren dat niets zeker is kan meer zekerheid opleveren, dan nu het geval is. Dat lijkt me al veel winst.