Baudet bouwt een filosofisch luchtkasteel

Deze gastbijdrage is van politicologen Tom van der Meer en Sarah de Lange en is een reactie op dit artikel van Thierry Baudet. Het stuk verscheen 11 juni in NRC Handelsblad.

In de NRC van 4 juni 2011 doet Thierry Baudet een aantal ferme uitspraken over wat hij de “ondemocratische” Nederlandse politiek noemt. Het stuk is echter losgezongen van feitelijke onderbouwing. Het gevolg is een filosofisch luchtkasteel.

Het probleem?

Baudet signaleert terecht een aantal problemen, met name vanuit het ideaal van een pluralistische, participatieve democratie. De gevestigde partijen hebben inderdaad nagenoeg een monopolie op politieke benoemingen. En partijelites hebben een sterke invloed op de samenstelling van kieslijsten. Deze problemen zijn niet nieuw, maar wel relevant.

Baudet claimt echter dat de macht van de elite nog veel verder gaat. Volgens hem bepaalt de landelijke partijtop wie de lijsten in de grote steden aanvoert, en zelfs welk beleid wordt gepropageerd. Een opmerkelijke stelling, die helaas niet met voorbeelden ondersteund wordt. Voorbeelden van het tegendeel – zoals Ahmed Marcouch die niet als PvdA-lijsttrekker werd gekozen in Amsterdam Nieuw-West – kennen wij wel. Nog los van het (afwezige) anekdotische bewijs, klopt Baudets claim niet met de werking van politieke partijen: de landelijke partijtop bepaalt de lokale lijsttrekker niet. Het zijn uiteindelijk altijd de lokale partijleden die kiezen tussen verschillende kandidaten, ook als er een gesteund wordt door de partijtop. Juist die keuzevrijheid is het hart van de interne partijdemocratie.

Daarnaast laakt Baudet het monistische politieke stelsel. Omgekeerd noemt hij dualisme juist “de essentie van de democratische politiek”: “zonder dualisme hebben we geen democratie”. Wat er precies ondemocratisch is aan monisme, wordt in het stuk van Baudet niet duidelijk. Natuurlijk, in een monistisch stelsel kan de oppositie tijdelijk buitenspel worden gezet. Dat is wellicht onwenselijk, en het gaat in tegen de traditionele Nederlandse consensuspolitiek. Maar ondemocratisch is het niet, althans zolang een gekozen politieke meerderheid het beleid bepaalt.

Het is evenmin democratisch volgens Baudet dat we in een monistisch systeem effectief kiezen tussen slechts een tiental kandidaten (de lijsttrekkers), in plaats van 150. Maar laat een dergelijke keuze tussen rivaliserende politieke elites nu juist de kern zijn van het minimalistische democratiemodel van Joseph Schumpeter. Het bestaan van elites is niet ondemocratisch, juist omdat zij via verkiezingen met elkaar wedijveren om de macht (de kiezersgunst). Bovendien hebben we – in lijn met het participatieve democratiemodel van Robert Dahl – vrije toegang tot het politieke bestel: continu worden in Nederland nieuwe politieke partijen opgericht door kiezers die ontevreden zijn met het huidige keuzepalet. En die nieuwe partijen zijn ook nog eens veelvuldig succesvol, zo lieten in het verleden onder andere de Boerenpartij, D66, DS 70 of de PSP en RPR zien. Recenter braken ook de LPF, PvdD, PVV, SP en de ouderenpartijen door. Op lokaal niveau wordt de zogenaamde greep van de partijelites op de verkiezingen nog veel frequenter doorbroken door de opkomst van lokale partijen. Zij kanaliseren het wantrouwen en verversen het politieke systeem.

Als het niet ondemocratisch is, wat is dan wel het probleem van het monisme? Het essay van Baudet wijst op een wat fundamentelere afkeer van machtige partijen. Daarmee lijkt Baudet afstand te nemen van de Nederlandse consensusdemocratie. Om in een meerpartijenstelsel als het Nederlandse tot effectief beleid te komen, is een dergelijke partijinvloed noodzakelijk. Politici moeten nu eenmaal compromissen sluiten, en dat gaat makkelijker met gecentraliseerde partijen. Het opbreken van partijinvloed zal niet bijdragen aan efficiëntere en meer transparante besluitvorming: in een electoraal verdeeld land als het onze blijven compromissen noodzakelijk. Hoe meer spelers daaraan deelnemen, hoe moeilijker het is.

De relevantie van het probleem?

Dan de vervolgvraag: waarom is de partijmacht zo’n belangrijk probleem? Baudet is kraakhelder. De macht van politieke partijen is volgens hem “dodelijk voor de democratie”. Hij stelt: “Niemand kan ontkennen dat in ons land sprake is van een ernstige vertrouwenscrisis tussen de burger en de politiek”. Een vertrouwenscrisis? In Nederland? Die door niemand ontkend kan worden?

Baudet echoot hier wat media ons voorspiegelen. De feiten liggen – volgens talloze onafhankelijke Nederlandse en internationale onderzoeken – anders. Politiek-filosoof Baudet zou ze eens moeten openslaan. De Nederlandse tevredenheid met de democratie stijgt al sinds de jaren 70. Het meer concrete vertrouwen van burgers in de Nederlandse regering kende weliswaar tussen 2003 en 2006 (Balkenende 2 en 3) een tijdelijke en voor Nederlandse begrippen forse dip, maar is sindsdien slechts volatiel. Van een crisis is geen sprake. Het vertrouwen bereikte zelfs een historisch hoogtepunt in het voorjaar van 2009 (alvorens met de val van het kabinet weer weg te zakken). Bovendien hoorde Nederland zelfs ten tijde van de vertrouwensdip tot de meest vertrouwende van de westerse landen, na de Scandinavische landen en Malta. Op zijn minst kan dus gesteld worden dat het niet slechter gaat het Nederlandse politieke vertrouwen dan voorheen; chagrijn was er altijd al.

Dan Baudet weer. Volgens hem is de macht van partijen “de directe oorzaak van de veelbesproken ‘kloof’ tussen burger en politiek. Het verklaart voor een belangrijk deel waarom buitenstaanders – ofwel ‘populisten’ – zo succesvol zijn.” Politicologisch onderzoek nuanceert deze stelling. Kiezersonderzoek toont aan dat populistische partijen vooral aanhang vergaren op basis van inhoudelijke standpunten. Politieke onvrede speelt slechts een secundaire rol: populisten mobiliseren ontevreden kiezers. Maar die onvrede is niet oorzakelijk de verklaring van hun succes. Populisten braken in veel landen door, hoewel de politieke onvrede er niet was gestegen. Bovendien zijn ze recentelijk vaak succesvol in die landen waar de bevolking haar politieke instituties nog het meest vertrouwt, zoals Nederland en de Scandinavische landen.

De oplossingen voor het probleem?

Tot slot komen we bij de oplossingen die Baudet aanbiedt voor zijn ‘probleem’. Hij noemt een districtenstelsel politiek onhaalbaar. Wat volgens ons veel relevant is, is dat een districtenstelsel helemaal geen oplossing is voor het – toch al fictieve – probleem dat hij signaleert. In landen met districtenstelsels is het vertrouwen van burgers in de politiek systematisch lager dan in landen met en proportionele kiesstelsels en enkelvoudige kiesdistricten (als Nederland). Kiezers voelen zich er minder gerepresenteerd in een districtenstelsel, doordat een klein aantal partijen op zoek gaat naar de mediane kiezer. Door enkelvoudige meerderheden staat de oppositie er bovendien volledig buitenspel.

Baudets alternatief is het breken van de partijpolitieke macht, ten gunste van individuele politici. Het archetype van een land met zwakke partijen en sterke politici is de Verenigde Staten. Het is ook het land dat bekend staat om zijn structurele politieke wantrouwen en om zijn gelegenheidscoalities en politieke ruilhandel, om pork-barrel en tit-for-tat politics. Er zijn vast redenen om te kiezen voor een dergelijk systeem. Maar als oplossing van het door Baudet verfoeide probleem van politieke ruilhandel slaat het de plank mis. Meer macht voor individuele politici betekent tenslotte niet dat er geen massale uitruil meer zal plaatsvinden van beleidspunten. Politici hechten immers een verschillend belang aan verschillende issues, en weten niet altijd even goed wat hun persoonlijke achterban vindt. Voorbeelden hiervan zijn nu al te zien in de Nederlandse politiek, bijvoorbeeld in de vorm van de toezeggingen die Rutte en Wilders misschien wel maar officieel niet gedaan hebben over de Hedwigespolder in ruil voor de stem van Statenlid Johan Robesin. Deze uitruil werd juist mogelijk door de grote macht van individuele politici (in de Eerste Kamerverkiezingen) en zwakke partijpolitieke groeperingen (als de OSF).

Het blijft al met al onduidelijk welk probleem Baudet met zijn suggesties hoopt op te lossen, en op welke feiten hij zijn aannames baseert. Om het Nederlandse systeem “ondemocratisch” te noemen is een gotspe. Ja, politieke elites hebben een grote invloed op allerlei benoemingen en besluiten. Maar deze elites beconcurreren elkaar om de gunst van de kiezer. Juist het extreem open en proportionele Nederlandse kiesstelsel garandeert een vrije toegang van partijen en is daarmee zeer democratisch.
Door ongefundeerd het tegengestelde te beweren bedrijft Baudet een staaltje ‘fact free philosophy’.

Dr. Tom van der Meer en dr. Sarah de Lange zijn als universitair docent verbonden aan de vakgroep Politicologie van de Universiteit van Amsterdam. Van der Meer doet onderzoek naar kiezersgedrag en politiek vertrouwen. De Lange bestudeert de electorale achtergronden en regeringsdeelname van rechts-populistische partijen in West-Europa.

  1. 1

    Misschien is democratie geen oplossing. Misschien is democratie een probleem.
    Wie zal het zeggen. Wie durft het te zeggen.