Goed volk | Pierepauwen op Vlieland (3)

ACHTERGROND - In mijn twee vorige blogs schreef ik over het mysterieuze verschijnsel op Vlieland dat bekend staat onder de merkwaardige naam ‘Pierepauwen’. Over dit fenomeen is bijzonder weinig bekend en zelfs de meest gerenomeerde instellingen op het gebied van volkscultuur in Nederland zwegen hierover in alle talen. In deel 1 deed ik een poging tot een etymologie van het begrip en besprak ik, voortgezet in deel 2, de meest belangrijke secundaire bronnen – met een toegift in dit deel (primaire bronnen zijn tot op heden niet bekend, tenzij men krantenartikelen als primaire bronnen wil bestempelen). In dit deel geef ik commentaar op de blog uit 2016 van Bert van Zantwijk, die alles voor wat mij betreft aan het rollen bracht. Daarna ga ik over tot de onvermijdelijke – voorlopige – conclusies.

De blog van Bert van Zanten

Op 4 juli 2016 publiceerde Bert van Zantwijk op zijn website over “Herkomst van volksgebruiken” een blog over Pierepauwen dat hij op 2 november 2019 opnieuw op zijn site zette en waarin hij nader ingaat op het volksgebruik en verklaringen hieromtrent probeert te vinden. Het blog bleek voor mij als trigger bijzonder waardevol en er staan de nodige zinnige dingen in, maar met alle respect voor het werk van Van Zantwijk heb ik niettemin een paar opmerkingen, waarbij aangetekend zij dat niet alles op het conto van deze auteur geschreven kan worden, aangezien er nu eenmaal bijzonder weinig bronnen over Pierepauwen bestaan en ook Van Zantwijk moest roeien met de riemen die hij had.

Van Zantwijk noemt slechts (twee) digitale bronnen: de website van Ecomare en van Het Ommetje, “de Vlieland informatiesite sinds 2005” van Folkert Janssens, volgens zijn eigen Facebookpagina “All-round employee bij Spar Vlieland”. Janssens beweert dat het fenomeen “niet zo heel veel met Sint Maarten heeft te maken maar veeleer met jongens en meisjes die gaan trouwen”. Kennelijk heeft Janssens de bekende klok horen luiden. Te verifiëren is het allemaal niet meer, want de website Het Ommetje is inmiddels ter ziele.

De info op de site van Ecomare citeert Van Zantwijk in zijn blog letterlijk:

Het gebruik zou stammen uit de tijd van de Franse bezetting. Men gaat er van uit dat de naam ‘Pierepauwen’ afkomstig is van het lichtfeest rond de apostelen Petrus en Paulus; in het Frans Pierre et Paul. Net als het Sint Maarten, dat op alle andere waddeneilanden op 11 november wordt gevierd (behalve dus op Vlieland), het oorspronkelijk Schotse Halloween en het Scandinavische Santa Lucia wordt het in een tijd gevierd dat het vroeg donker is. Het licht van kaarsen speelt een grote rol.

Het verhaal van het ‘Franse lichtjesfeest van Pierre et Paul op 2 november’ is de lezer ook al tegengekomen in het in deel 2 genoemde artikel in Volkscultuur Magazine (2011) en de masterthesis van De Boer (2014). Wie hier van wie informatie klakkeloos overneemt is niet eens zo belangrijk, wel het feit dát het gebeurt. Beide bronnen gaan waarschijnlijk terug op Jan Houter.

Verder vallen twee kardinale fouten op die geen vertrouwen inboezemen. Om Halloween bij Pierepauwen te betrekken is op zichzelf zo onlogisch niet (zie verder bij de conclusies), maar het is van origine een Iers feest en geen Schots. Om de Zweedse Santa Lucia erbij te slepen is helemaal buiten proporties. De festiviteiten rondom Lucia van Syracuse dragen waarschijnlijk elementen van pagane zonnewendefeesten en het joelfeest in zich die niets met doden- of voorouderverering te maken hebben, noch met de viering van Sint Maarten. Het op één hoop gooien van fenomenen die uiterlijke verwantschap vertonen (in dit geval het “licht van kaarsen”) en daarbij causale verbanden veronderstellen is een typisch toonbeeld van dilettantisme.

Vervolgens beweert Van Zantwijk dat Pierepauwen niets met ‘Pierre et Paul’ te maken heeft omdat een pie(re)pauw een lieveheersbeestje is en bouwt daar vervolgens een inventieve theorie op, met als conclusie dat het verbum pierepauwen “hemelen’ (naar de hemel gaan) betekent. Ik zou willen dat het waar was, maar ik ben zo vrij door de hele redenering een streep te halen gebaseerd op het feit dat ‘pierepauw’ of ‘piepauw’ weliswaar ‘lieveheersbeestje’ betekent maar een Vlaams begrip is. Zoals ik later zal beargumenteren is ‘pierepauwen’ waarschijnlijk Vlielands. Dit dialect is uitgestorven maar vertoonde veel overeenkomsten met het nog steeds levende Tessels. In het dialect van Texel is een lieveheersbeestje een ‘meeseke’ of gewoon een ‘liêvehéérsbeessie’. Er is derhalve geen enkele overeenkomst met ‘pierepauw’ of ‘piepauw’ en dus met een lieveheersbeestje.

Hierna slaat Van Zantwijk naar mijn mening wat op hol. Op basis van zijn veronderstelling dat ‘pierepauwen’ ‘hemelen’ betekent legt hij een verband tussen de oorspronkelijk witte kleding van de pierepauwers, en het feit dat ‘huwelijk’ en ‘heilig’ beide van het woord ‘hilic’ zijn afgeleid en derhalve hetzelfde betekenen. Volgens het Etymologisch Woordenboek wordt ‘hilic’ (en spelvarianten) inderdaad gebruikt voor zowel ‘heilig’ als ‘huwelijk’, maar ‘heilig’ wordt gezien als een afleiding van de wortel van ‘heel’ of ‘heil’ (synoniemen) en ‘huwelijk’ is een oude samenstelling uit de stam van het werkwoord ‘huwen’ en een Proto-Germaans woord ‘laik’ (spel, sprong) dat in het Middelnederlands geattesteerd is als ‘leec’ (lied, gezang), Die vlieger gaat dus niet op. Hilic is dus kennelijk een homoniem.

Voorts legt Van Zantwijk een link tussen de oorspronkelijk witte kleding van de pierepauwers (“jongens met een wit overhemd aan/en meisjes met witte mouwen”) met een doodskleed en trekt de conclusie dat de kinderen overledenen uitbeelden die naar de hemel gaan Ik vind dit nogal kort door de bocht en vooral niet onderbouwd, maar het is mogelijk. Maar wat te denken van deze zin: “Sint Maarten en ook Sint Nicolaas behoren te heiligen die in deze periode naar de aarde afdaalden om de zielen te heiligen, waardoor ze toegang tot de hemel zouden krijgen“. Naar mijn weten worden zowel Sint Maarten als Sint Nicolaas niet van deze activiteiten beticht. Het klinkt allemaal prachtig, maar in de laatste alinea’s zitten drogredenaties en missen elke onderbouwing en verwijzing. Alleen Van Zantwijks slotconclusie lijkt mij gerechtvaardigd: “Pierepauwen is dus een gebruik dat volledig behoort tot Allerzielen“. Vroeger tenminste.

Anne Doendens

Voordat ik overga tot de slotconclusies wil ik in aansluiting aan deel 2 nog één secundaire bron noemen. Dat ik dat vorige keer niet heb gedaan is simpel te wijten aan het feit dat ik toen deze bron nog niet in handen had. Het gaat om het 359 pagina’s dikke boek “Vlieland – een Nederlandse geschiedenis” (2016, tweede herziene druk), een naslagwerk over de geschiedenis van Vlieland door dr. Anne Doedens, dat hij schreef in samenwerking met de reeds ter sprake gebrachte en straks nogmaals genoemde Jan Houter.

Voor wat betreft het Pierepauwen biedt deze bron geen nieuws en de twee kleine paragrafen op pp. 171 en 287, inclusief de afkomst van de term uit het veronderstelde lichtjesfeest ‘Pierre et Paul’, vertellen hetzelfde als de beweringen van Jan Houter en het ligt dus voor de hand dat de inhoud uit zijn koker komt. Doedens legt hierbij een duidelijk scharnierpunt in de Franse tijd (“een heel nieuwe rite”) en gaat niet in op het feit dat het fenomeen onmogelijk uit de lucht is kunnen komen vallen. Doedens heeft zelf verder kennelijk geen nader onderzoek naar het fenomeen ingesteld. Zelf zegt hij over de beknoptheid van de informatie: “Dat ik in de geschiedenis van Vlieland niet veel over Pierpauwen schreef – niet meer dan in de twee citaten – komt 1. omdat het een overzichtswerk is en 2. omdat er niet meer over bekend is.” Argument 1 is overigens vreemd aangezien het boek een bijlage van ruim twee bladzijden over Volksgebruiken bevat (pp. 287-289).

Voorlopige slotconclusies

Omwille van de lengte van deze toch al lange blog houd ik de conclusies zo beknopt mogelijk. De motivaties inzake deze conclusies staan vermeld in deze en de twee voorgaande blogs, tenzij er sprake is van ‘voortschrijdend inzicht’, dan ga ik nader op de betreffende conclusie in.

1. De term ‘Pierepauwen’: ontstaan en betekenis

De oorsprong en betekenis van de term ‘pierepauwen’ blijft tot op heden in nevelen gehuld. Men kan zinnig over de etymologie ervan speculeren (zie deel 1), maar aantoonbaar is er niets. Omdat morfologisch bezien niets in de term doet denken aan Oud- of Middelnederlands, 17e eeuws Nederlands of desnoods Oud-Fries, zal het mij niet verbazen als de term uit de 19e eeuw stamt. Aangezien in die tijd op Vlieland het dialect Vlielands werd gesproken en het verschijnsel alleen op Vlieland voorkomt, lijkt het mij voor de hand liggen dat de term Vlielands dialect is. Over het inmiddels zo goed als uitgestorven Vlielands is erg weinig bekend, maar het dialect lijkt op dat van het buureiland Texel, het Tessels, en dat is een nog levende en goed beschreven taal, inclusief woordenboeken. Misschien dat na bestudering hiervan enig licht op de term ‘pierepauwen’ vanuit taalkundig opzicht geworpen kan worden. Prof. dr Theo Meder deed mij de suggestie dat het ook mogelijk is dat de term slaat op de witte pauw (pauwen) en dood (pier, zo dood als een pier). De witte pauw is vrij zeldzaam en het is de vraag of hij op Vlieland voorkwam. Het is wel zo dat met name rond 1900 pauwenvereren werden verwerkt in (bruids-)kleding. Over de veronderstelde afstamming van het begrip van het Franse ‘lichtjesfeest van Pierre et Paul van 2 november’ kom ik in conclusie 3 terug.

2. De bronnenproblematiek en de persoon Jan Houter als bron

Over ‘Pierepauwen’ bestaan voor zover bekend geen contemporaine primaire bronnen zodat we het zullen moeten doen met niet bepaald overdreven veel secundaire bronnen. Wel bestaan er krantenartikelen die men als primaire bron zou kunnen aanduiden (omdat ze niet naar oudere bronnen verwijzen), maar dat zijn geen contemporaine bronnen. Wel beweert Houter in een voetnoot in de masterthesis van De Boer (2014) dat hij in historische archieven documenten uit de Franse bezetting over het Franse lichtjesfeest heeft gevonden. Zonder neerbuigend te willen doen vraag ik mij af of Houter in staat was deze waarschijnlijk handgeschreven archiefstukken in vroeg 19e eeuws Frans, te lezen. Over de inhoud van deze archiefstukken meer in conclusie 3. De inhoud van de secundaire bronnen komt telkens min of meer overeen hetgeen verraadt dat men elkaar napraat, in de volkskunde overigens bepaald geen zeldzaam fenomeen.

De persoon van Jan Houter (als bron) blijft een onzekere factor. Dat is lastig, aangezien hij regelmatig als ultieme bron wordt aangehaald; zelfs De Boer baseert zich op hem. Bert van Zantwijk heeft een expliciet negatief oordeel over Houter dat ik hierbij – met Berts toestemming – letterlijk citeer: “Ik kom de naam van Jan Houter vaak tegen. Hij weet veel van Vlieland, maar volgens mij helemaal niets van algemene geschiedenis. Hij heeft vaak heel stellige uitspraken over tradities en gebeurtenissen op Vlieland, maar altijd zonder historische context, zonder onderbouwing en zonder bronnen. Veel van zijn uitspraken zijn eenvoudig historisch te weerleggen. Mijn indruk bij hem is dat hij denkt dat als hem als Vlielandkenner een vraag wordt gesteld, hij dan met een antwoord moet komen, ook als hij het antwoord op de vraag eigenlijk niet weet. Hij antwoordt dan wat hij denkt dat het zou kunnen zijn, maar doet dat met een stelligheid alsof hij het wel even zal uitleggen. Dat antwoord gaat daarna een eigen leven leiden omdat het door anderen wordt overgenomen.”

Het is jammer dat Van Zantwijk zijn uitspraken niet onderbouwt met voorbeelden. Hier lijnrecht tegenover staat de mening van dr Anne Doedens die veel met Houter heeft samengewerkt en gepubliceerd. Doedens beweert: “Zeker, Houter is een bevlogen promotor van het eiland, en een goede vriend. En iemand die veel van de geschiedenis weet. Twee lovenswaardige zaken. Als wetenschapper kan ik alleen maar jaloers zijn op het enthousiasme waarmee hij en zijn eiland en de belangen van geschiedeniskennis op zijn eigen wijze voor een groot publiek verwoord.”. En: “Houter weet inderdaad heel veel en heeft een zeer groot archief, dat dat van de gemeente en Tresoar in omvang en scope overtreft.”.

De waarheid zal wel ergens in het midden liggen. Opvallend is wel dat Doedens niet ingaat op inhoudelijke professionele kwaliteiten en werkwijzen van Houter. Veel feitenkennis, een groot archief en een groot enthousiasme zijn nu juist eigenschappen van de amateur. Ik heb overigens Houter in een e-mail om nadere toelichting inzake Pierepauwen gevraagd, maar daar nooit antwoord op gekregen.

3. Fransen op Vlieland en het veronderstelde ‘lichtjesfeest’ Pierre et Paul op 2 november.

Volgens diverse bronnen (zie de vorige delen) zou de term pierepauwen een verbastering zijn van het Franse ‘lichtjesfeest’ ter ere van of als gedachtenis aan de marteldood van de apostelen Pierre et Paul (Petrus en Paulus, hoogfeest op 29 juni) op dezelfde datum als Allerzielen, 2 november. Kinderen van het dorp Oost-Vlieland (de restanten van het andere dorp op het eiland, West-Vlieland, zijn in 1736 in de golven verdwenen) zouden in opdracht van soldaten van het op Vlieland gelegerde Franse detachement ‘opdracht’ hebben gekregen met lichtjes langs de huizen te gaan, zoals dat ook met Sint Maarten gebeurt (‘Saint Martin’ wordt ook gevierd in Noord-Frankrijk en Wallonië).

t Oosteynde opt Vlie 1669, Stellingwerff, Jacobus (1667-1727), Noord-Hollands Archief, Provinciale Atlas - Prenten en Tekeningen, Inventarisnummer NL-HlmNHA_359_003386_K

Het dorp Oost-Vlieland

Doedens schrijft in zijn genoemde boek op p. 182 over een Frans garnizoen op Vlieland dat in 1811 in ieder geval al bestond, bestaande uit 24 manschappen en een luitenant, vanwege burgerlijke ongehoorzaamheid van de eilandbewoners vanaf dat jaar uitgebreid met 50 soldaten vanuit Texel en diverse militairen vanuit Harlingen. Dat er dus in de Franse tijd op Vlieland een Frans detachement lag wil ik graag geloven, maar ik vraag mij dan direct af of op andere eilanden geen Fransen gelegerd waren en waarom daar dan geen ‘Pierepauwen’ Is ontstaan. Misschien was het een hobby van een paar soldaten op Vlieland die heimwee hadden naar Frankrijk.

Op p. 24 van zijn genoemde masterthesis schrijft De Boer in een voetnoot: “De heer Houter meldde dat hij dit (de verbastering van Pierre et Paul in pierepauwen – JHO) zelf heeft gevonden in historische archieven daterende van de Franse bezetting. Hij heeft dit bericht over Pierre et Paul zelf in archiefstukken gevonden bij het Fries Museum, nadat hij op hun bestaan was geattendeerd door de museumconsulent van Friesland. Het was een notitie over wat de Franse bezetters op Vlieland ondernamen“. Aangezien De Boer geen ontsluitingsgegevens van de archiefstukken noemt (waarschijnlijk omdat Houter ze ook niet kan noemen en er ook geen kopieën van heeft gemaakt) zit er voor een nadere onderzoeker niets anders op dat naar Leeuwarden af te reizen. Over het veronderstelde lichtjesfeest heb ik niets boven water weten te krijgen, zowel niet uit digitale als uit papieren bronnen en ‘God knows how hard I tried’.

Het kan zijn dat Houter de bewuste documenten niet juist geïnterpreteerd heeft, zoals ik in conclusie 2 al suggereerde. De Boer geeft niet aan wanneer Houter de documenten gezien heeft, maar Houter was ten tijde van het interview met De Boer 70 jaar en elke deskundige kan vertellen dat een gemiddeld geheugen na pakweg 20 jaar of zelfs nog eerder vreemde trucks gaat uithalen, daar hoef je echt niet dement voor te zijn. Het bestaan van een Frans lichtjesfeest ‘dat nog steeds op 2 november op het platteland van Frankrijk gevierd zou worden’ ter ere van de apostelen Pierre et Paul lijkt dus onwaarschijnlijk, maar zolang het tegendeel niet bewezen is houd ik de optie open, al is het natuurlijk makkelijker te bewijzen dat is wel bestaan dan aan te tonen dat iets niet bestaat, want dan blijft er altijd twijfel.

4. Het fenomeen ‘Pierepauwen’: ontstaan en ontwikkeling.

Wat kunnen we nu uiteindelijk, bij het ontbreken van de nodige fatsoenlijke bronnen, zeggen over het fenomeen zelf ? Zolang er geen nieuwe bronnen boven komen drijven kunnen we alleen gericht en beargumenteerd speculeren. Ik heb mij bij de bespreking van dit onderwerp niet zozeer gericht op het huidige kinderfeest Pierepauwen dat, afgezien van het in deel 1 genoemde specifieke liedje en natuurlijk de datum, ongeveer 1:1 inwisselbaar is met Sint Maarten.

Zoals ik al in deel 1 beweerde kunnen de lichtjes van Sint Maarten naar 2 november zijn verhuisd vanwege de overgang van de Juliaanse naar de Gregoriaanse kalender. Wel is opvallend dat zowel Sierksma als Van der Ven (zie deel 2) wel de nadruk leggen op witte kleding maar niet reppen over meegedragen lichtjes. Foto’s van deelnemers aan Pierepauwen schijnen niet (meer) te bestaan, maar wie weet, als een schoenendoos van een hoogbejaarde Vlielander nog eens omgekeerd wordt.

Alles wijst mijn inziens op een ontwikkeling van een oorspronkelijke processie ter ere van Allerzielen (zoals die in vroeger tijden inderdaad voorkwam) waarbij de (toenmalige) rouwkleur wit werd gedragen. Het is eventueel mogelijk dat de witte kleding en de lichtjes naar zielen van overledenen verwezen, maar eerlijk gezegd had ik geen tijd meer om mij nader in Allerzielenprocessies te verdiepen.

Volgens Doedens (2016) was Vlieland niet bepaald kerkelijk ingesteld en zeker niet vanaf de Reformatie. Het kan dus zijn dat de oorspronkelijke betekenis van de processie verloren ging of vergeten werd en de witte kleding logischerwijze geassocieerd raakte met trouwen, wellicht mede geïnspireerd door de witte vitrage die voor het gezicht werd gedragen. De oorspronkelijke opzet veranderde in een meer speels kindergebeuren (vroeger liepen ook volwassen mannen in de tocht mee) dat uiteindelijk – zie bovenstaand – een soort kopie van Sint Maarten werd, wellicht onder invloed van immigranten uit het huidige Noord-Holland. Nog in 1997 werd vastgesteld dat de sint-maartensviering in Noord-Holland (West-Friesland) en Groningen nog vrij actueel was.

Over een pagane oorsprong van het feest (voorouderverering, gunstig stemmen van de doden) kan men slechts gissingen doen. Het is theoretisch mogelijk dat immigranten in de loop van de Middeleeuwen het feest in gekerstende vorm maar met bewaard gebleven heidense elementen meenamen naar Vlieland. Opvallend is wel dat Pierepauwen elementaire overeenkomsten vertoont met bijvoorbeeld het uit Ierland stammende Keltische Halloween, waarbij ik zeker niet wil beweren dat dit feest Pierepauwen beïnvloed heeft, maar wellicht is er sprake van een algemeen etnisch motief. Sint Maarten valt wat dit betreft buiten de boot aangezien het tot de midwinter- of joelfeesten behoort.

Dat kinderen overigens met gemak Sint Maarten en Halloween door elkaar haspelen toont was te zien tijdens het Martinisingen op de avond van 10 november in het Zuid-Duitse plaatsje Markdorf waarbij een jongetje een Jack o’ Lantern draagt die onmiskenbaar bij Halloween hoort. Niets zo veranderlijk als volkscultuur.

Volgens het V.V.V. Vlieland leeft het Pierepauwen nog steeds en is het hele dorp erbij betrokken. Vaak wordt er op de basisschool een lampion gemaakt en ’s avonds trekken de basisschoolkinderen door het enige dorp dat Vlieland rijk is. Het Gemeentelijk Informatiebulletin van Oost-Vlieland van 27 oktober 2018 toont als reminder slechts een lampionnetje met de tekst “vrijdagavond 2 november Pierepauwen”. Meer is kennelijk niet nodig.
© Gemeente Vlieland, Nieuwsbrief Uit het kastje, Gemeentelijk Informatiebulletin Oost-Vlieland 27 oktober 2018


Uitspraken van personen die een inbreng in deze blog hebben geleverd en welke ik niet nader heb verantwoord, zijn afkomstig uit digitale privé correspondentie tussen de betreffende contribuant en ondergetekende.
Met dank aan prof. dr Nicoline van der Sijs, prof. dr Theo Meder, Iris Stofberg MA, Arjan Sterken MA (allen – eventueel tijdelijk – behorende tot het Meertens Instituut), Bert van Zantwijk, dr Anne Doedens en Annie Beiboer van het VVV Vlieland voor hun inbreng bij de totstandkoming van deze drie blogs
.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren