Goed volk | Iemand naar de andere wereld helpen

ACHTERGROND - ‘Iemand naar de andere wereld helpen’, kent u die uitdrukking? Wij hebben bepaald geen positieve connotatie met deze zegswijze, behalve als je deze letterlijk neemt en zo is de uitdrukking oorspronkelijk misschien wel bedoeld.

Vrijwel elke cultuur, ook de christelijke, kent een kosmologie (in de mythologische of religieuze zin) die meestal neerkomt op een drieslag onderwereld – aarde – bovenwereld. We mogen gerust van een archetypisch motief spreken. Nu gaat het in deze blog niet om een vergelijking van al deze kosmologieën – dat zou een heel boekwerk vergen – maar om de vraag hoe je na je dood op aarde van de ene naar de andere wereld komt. Dat schijnt namelijk niet vanzelf te gaan, gegeven een of meerdere obstakels die de ziel op zijn weg tegenkomt.

Rituelen

Om de ziel te helpen bij de oversteek zijn vele rituelen bedacht en schriftelijk vastgelegd. Zo hebben de Tibetanen hun ‘dodenboek‘ evenals de oude Egyptenaren. Ook de christenen kennen liturgische gebeden en gezangen om de overledenen bij te staan in hun reis naar het hiernamaals: “In paradisum deducant te angeli” (Ten paradijze geleiden u de engelen). En stel je voor dat je blijft steken in het ‘Niflheim‘ in plaats van naar het Walhalla te gaan!

De Hades en de Styx

De bekendste voorstelling van de reis van ‘deze zijde’ naar ‘gene zijde’ is wellicht de oversteek over rivier de Styx die de bovenwereld of de door de mensheid tijdens hun leven bewoonde aarde scheidt van de onderwereld/schimmenrijk of Hades. Als de schimmen van de overledenen wilden rusten op de Elyzese velden, de verblijfplaats van de gelukzaligen die een rechtvaardig leven hadden geleid, werd men de Styx overgezet door de veerman Charon in ruil voor een antieke voorloper van de OV-chipkaart.

De Hades had overigens nog twee afdelingen: de Tartaros, vergelijkbaar met de christelijke hel, waar je terecht kwam als je het op aarde te bont had gemaakt, en de Asphodel, een plek “zonder hoop of vrees”. Hier werden al overledenen naartoe gestuurd die een doorsnee leven hadden geleid, noch goed, noch slecht. Wie hier terechtkwam mocht als vleermuis voor de rest van de eeuwigheid rondvliegen en rondlopen, met andere woorden: zich voor altijd ‘dood’vervelen.

De overtocht over het water naar ‘gene zijde’ is, naar men wel beweert naar analogie van de mythe van Charon, treffend weergegeven in de diverse versies van het schilderij ‘Die Toteninsel‘ van de Zwitserse symbolistische schilder Arnold Böcklin (1827–1901).

Arnold Böcklin, Die Toteninsel III (Alte Nationalgalerie, Berlin)

Engel-land

Een grotere plas water is die, die het Europese vasteland scheidt van Engeland. Het huidige Engeland inclusief Wales heette in het Oud-Engels ‘Engla land’, wat letterlijk ‘Land van de Engelen’ betekent. Hierbij wordt niet verwezen, zoals wel beweerd wordt, naar die bijbelse figuren met vleugels, maar naar de Angelen, een Germaanse stam van het vasteland die in de Vroege Middeleeuwen het gebied veroverde. Niettemin heeft er, waarschijnlijk door verbastering van de naam, een identificatie plaatsgevonden van Brittannië met het ‘Land der Engelen’ oftewel het hiernamaals, het land aan gene zijde. Het huidige Engeland heette in het Welsh ‘Loegria’, een naam die afkomstig is uit de sagen over King Arthur. Hoeveel mystieke nevelen wil je hebben?

Witte zwanen, zwarte zwanen

Illustratief is het kinderliedje ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’, dat ruim 300 varianten kent in heel West-Europa. Voor het eerst afgedrukt in de liederenbundel van Achim von Arnim en Clemens Brentano, Des Knaben Wunderhorn (1808), is het hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit de mondelinge traditie. De wat raadselachtige tekst – waarvan de betekenis door de kinderen die het liedje zongen en zingen al lang geleden vergeten moet zijn – luidt in de bekendste hedendaagse versie aldus:

Witte zwanen, zwarte zwanen
wie gaat er mee naar Engeland varen?
Engeland is gesloten
de sleutel is gebroken.
Is er dan geen smid in ’t land
die de sleutel maken kan?
Laat doorgaan, laat doorgaan
wie achter is moet voorgaan!

Gerrit Kalff stelde al in 1883 dat de verwijzing in dit liedje naar Engeland uit de Middeleeuwen moet stammen, waarbij Engelland (met dubbel l) staat voor een sprookjeswereld of engelenland aan gene zijde waar de zielen van de overleden zich na hun dood zouden ophouden, dit in navolging van een klassieke studie van de mytholoog en volkskundige Wilhelm Mannhardt uit 1858. Soortgelijke conclusies trokken de Nederlandse theoloog Laurentius Knappert (1863-1943) in zijn dissertatie over de mythen rond Vrouw Holle uit 1887, en de bekende Nederlandse taalkundige Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1960)  in een artikel over traditionele volksrijmpjes uit 1893.

Op deze opvattingen uit de Romantiek kwam in het begin van de twintigste eeuw het nodige tegengas – onder andere van de Rooms-Katholieke priester, classicus en volkskundige Jos Schrijnen (1869-1938), die er in 1915 op wees dan Mannhardts opvattingen inmiddels wel erg gedateerd waren. Echter, niet alle aanvallen op de volkskundigen uit de Romantiek bleven overeind. Zo was de volkskundige Tjaard W. de Haan (1919-1983) geneigd in te stemmen met Boekenoogen wegens het overvloedige etnologische materiaal. In sommige versjes zou de herinnering aan een overzees dodenrijk versluierd voortleven.

Een christelijk dodenrijk overzee

Om het Engelland (lees: de christelijke hemel) te bereiken moest een breed water worden overgestoken. Dit was voor de overledene op eigen kracht onmogelijk, hij of zij moest de hulp hebben van een begeleider, in dit geval een zwaan. Je zou kunnen stellen dat de witte zwanen de zielen naar de hemel begeleiden, de zwarte voor de minder braven naar het dodenrijk.

Met de ‘smid’ zou Christus bedoeld kunnen zijn – als was die van beroep waarschijnlijk timmerman – die door zijn plaatsvervangend lijden de toegang tot de hemel weer mogelijk gemaakt heeft. Dat Christus bedoeld is wordt ook aannemelijk gemaakt door de laatste zin die verwijst naar een uitspraak van Jezus (“de laatsten zullen de eersten zijn en de eersten de laatsten”) die in alle synoptische evangeliën voorkomt, onder andere in Mattheüs 20.16.

De noordse brug

Dankzij Marvels Thor en HBO’s Vikings heeft nu bijna iedereen een vage notie van de Noordse kosmologie: negen werelden die bijeen gehouden worden door de Yggdrasil, de Noordse wereldboom. Voor de lezer die zich in deze kosmologie wil verdiepen verwijs ik ‘ruimtebesparingshalve’ naar dit wikipedia-artikel, per definitie een must voor diegenen die iets willen snappen van de context van de twee superheldenfilms die Marvel over de dondergod Thor heeft gemaakt, in de films gedegradeerd (of gepromoveerd, het ligt er maar aan hoe je het bekijkt) tot één van de Avengers. Overigens is het Marvell-universe aanmerkelijk complexer dan de hele Noordse en Germaanse mythologie samen, maar dit terzijde. Je kunt de Marvell-versie ook zien als een voortzetting van de oorspronkelijke verhalen, een ‘invented tradition’.

De werelden van de Noordse mythologie met de Yggdrasil

Natuurlijk neemt Marvell een loopje met de oude mythen, maar er zijn wel aanknopingspunten. Zo is bij Marvell sprake van de Regenboogbrug Bifrost, bewaakt door de door Odin aangestelde Asgardian Heimdall, in de oorspronkelijke mythe een Noordse godheid. De Bifröst (letterlijk: schommelige hemelstraat) is in de oorspronkelijke Noordse mythologie de driekleurige vlammende regenboogbrug die de werelden Asgard (de wereld waar de goden woonden) en Midgard (‘midden-aarde’, het mensenrijk) met elkaar verbindt. Als bij de Vikingen een strijder tijdens het gevecht stierf kwam hij via de Bifröst in het Walhalla geheten deel van Asgard terecht.

Thin places

Het afgelopen decennium is de term ‘Thin places’ in de mode gekomen, zodanig dat het inmiddels een containerbegrip is geworden waar ieder het zijne onder verstaat. Oorspronkelijk slaat de term op een fenomeen binnen de insulaire c.q. Keltische mythologie, waarom gedoeld wordt op het verschijnsel dat de ‘wereld der mensen’ dichtbij of zelfs geraakt wordt door de ‘otherworld‘ waardoor er contact tussen beide werelden mogelijk is middens een soort ‘wormhole’. Dit fenomeen deed zich voor op bepaalde tijden, met name tijdens de donkere maanden van het jaar: tijdens de huidige ‘twaalf dagen van kerst’, tijdens Halloween en dergelijke.

Wie als overledene denkt dat hij of zij zo fluitend naar de overkant kan lopen, heeft het helaas mis. Het omgekeerde is het geval: de zielen die zich inmiddels in de ‘otherworld’ bevinden kunnen zo tijdelijk naar deze zijde komen, vergezeld van allerlei wezen die zich traditioneel in de otherworld bevinden: fairies, elven en dergelijke.

Als je in die tijd in de otherworld terecht komt betekent dat in de regel dat je ontvoerd bent. Aangezien de tijd in de otherworld anders verloopt dan op aarde, blijken er bij een eventuele terugkeer eeuwen verlopen. De inmiddels populaire uitgeholde pompoenen-met-lichtjes dienen van origine om de huizen waarvoor ze worden neergezet te beschermen tegen deze overledenen en andere wezens uit de otherworld.

Gekaapte thin places

Inmiddels is de term ‘thin places’ gekaapt door christenen, die er inspirerende plaatsen ‘waar men duidelijk God ervaart’ mee aanduiden. Uiteraard bestaan zulke plekken, maar die godservaring heeft met de oorspronkelijke ‘thin places’ niets te maken maar slaat eerder op omgevingsvariabelen als stilte en eenzaamheid.

Daarnaast is de term geconfisqueerd door neo-paganisten die het fenomeen hanteren als een synoniem van ‘krachtplaatsen’, een pseudowetenschappelijk verschijnsel over plaatsen die een intrinsieke kracht of energie zouden bezitten maar waarvan het bestaan nooit is aangetoond, net als de veronderstelde leylijnen. Het fenomeen ‘thin places’ is dus duidelijk iets anders dan de hierboven beschreven verbindingen tussen de mythologische kosmologische werelden.

Ik wens u een fijne voortzetting en een aangenaam etensmaal.

  1. 2

    Vroeger zat je in je plaggenhut te luisteren naar de geluiden buiten in het donker en dan ging je vanzelf nadenken en fantaseren. Zeker als opa pas 3 dagen geleden in het hunebed was bijgezet.

    Tegenwoordig wordt fantasie alleen nog bedacht door productiemaatschappijen en geconsumeerd van een groot beeldscherm aan de muur.

    Olla vogela, wo bestu bleven? :p