Goed volk | Hans en Grietje en een broodje aap

COLUMN - De wetenschap kent verscheidene hoaxes, mystificaties, falsificaties of hoe je ze ook maar wilt noemen en die ik voor de leesbaarheid in deze column maar door elkaar zal gebruiken. Ze worden om uiteenlopende redenen geschreven of in elkaar gezet: puur als academische grap, om iets aan te tonen, om verwarring te stichten of gewoon als bedrog om geld aan te verdienen. Niet zelden zijn er serieuze wetenschappelijke studies voor nodig om zo’n falsificatie te ontmaskeren. Gaat het dan om een beroemde mystificatie, dan krijgt het werk vervolgens een eigen intrinsieke waarde, zoals de vervalsingen van Han van Megeren.

Ons ‘eigen’ Oera Linda Boek is misschien wel één van de bekendste. In 1867 dook het manuscript op en in 1876 bewees taalkundige Jan Beckering Vinckers reeds dat het vals was. In 2004 publiceerde Goffe Jensma een dissertatie waarin hij uit de doeken deed hoe het allemaal zo ver had kunnen komen. Intussen ligt het oorspronkelijke manuscript te pronken in het Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum Tresoar in Leeuwarden. Ik zou mij er als Fries dood voor schamen.

Geheime Marcus

Er zijn ook hoaxes die maar blijven dooretteren, gewoon omdat nog steeds niet bewezen is dat het om een hoax gaat, als het al een hoax is. Een bekende op theologisch gebied is het verhaal van het ‘Secret Gospel of Mark’ dat in 1973 werd gepubliceerd door Columbia-hoogleraar Morton Smith (1915-1991). Smith bevond zich tijdens een sabbatical in 1958 in het Mar Saba, een Grieks-Orthodox klooster ten oosten van Jeruzalem, waar hij trachtte enige orde te scheppen in de chaos van de bibliotheek aldaar. Al doende ontdekte hij naar verluid een afschrift van een brief van Clemens van Alexandrië (ca 150 – 215) aan een zekere Theodoros, waarin Clemens gedeelten citeert uit een onbekend evangelie van de evangelist Marcus. Smith fotografeerde de betreffende passages nauwkeurig en liet het boek achter in de bibliotheek op de plaats waar hij het had gevonden. Het is nooit teruggevonden.

Direct na zijn wetenschappelijke publicatie in 1973 kwam er uit academische hoek de nodige kritiek op de authenticiteit van de brief. Smith werd niet direct beschuldigd van oplichting, maar er werd over het algemeen gesteld dat het hier om een antieke dan wel middeleeuwse falsificatie ging. Sindsdien blijft het tot op heden bij beleefd en minder beleefd academisch moddergooien, niet in het laatst door Morton Smith zelf. De zaak werd helemaal pikant toen Morton’s homoseksualiteit er bij werd gehaald en er beweerd werd dat hij de tekst zelf had geschreven teneinde homoseksualiteit onder christenen acceptabel te maken.

Geleerden van straat

Hij heeft tot zijn dood volgehouden dat de tekst van de brief authentiek is. Ikzelf tikte in augustus 1984 een exemplaar van de oorspronkelijke publicatie van Smith uit 1973 op de kop bij de toenmalige De Slegte in de Spuistraat in Den Haag. Het boek had bij uitgave Fl. 109,20 gekocht, ik mocht het meenemen voor een tientje. Kennelijke geloofde in ieder geval de boekverkoper toen al niet meer in het geheime evangelie van Marcus.

In 2005 publiceerde Stephen Carlson Gospel Hoax: Morton Smith’s Invention of Secret Mark waarvan de titel niets aan de fantasie over laat. Echter, zeer recentelijk, in mei 2019, promoveerde Timo Paananen aan de universiteit van Helsinki op een dissertatie onder de titel The Secret Gospel of Mark is not a fake. Het zal de geleerden dus voorlopig nog wel even van de straat houden. Hoaxes schijnen in ieder geval nuttig voer voor promovendi te zijn. De ultieme falsificatie is natuurlijk eerst zelf een hoax schrijven en er vervolgens op promoveren :- ) . Voor wie één hoax per dag niet genoeg is, kan het allemaal hier nalezen.

Een mystificatie omtrent een beroemd sprookje

De meesten van ons kennen van de middelbare school waarschijnlijk nog het rijtje sprookje, mythe, sage, legende, waarbij ons geleerd werd dat sprookjes en mythen géén historische kern bezitten, in tegenstelling tot de andere twee. Dit prikkelde de Duitse cartoonist Hans Johann Georg Traxler (geb. 1929) die wel eens zou bewijzen aan de hand van het overbekende sprookje over Hans en Grietje dat sprookjes wel degelijk gebaseerd kunnen zijn op c.q. ontstaan kunnen zijn uit historische gebeurtenissen. Hij introduceerde daarbij de term ‘Märchenarchäologie’. Maar eerst iets over het sprookje zelf.

Het met name door de gebroeders Grimm bekend geworden sprookje ‘Hänsel und Gretel’ verscheen in de Kinder- und Hausmärchen (vanaf 1812) onder nummer KHM15 en werd door Grimm waarschijnlijk opgetekend in Hessen, al is dit niet zeker. Het sprookje werd door Ludwig Bechstein overgenomen in de eerste editie van zijn Deutsches Märchenbuch (1845), onder de titel ‘Vom Hänschen und Gretchen, die in die roten Beeren gingen’. Niet alleen hebben de gebroeders Grimm veel aan de tekst geschaafd, het sprookje komt in vele variaties door heel Europa en zelfs andere delen van de wereld voor. Het motief toont grote gelijkenis met het sprookje van Klein Duimpje en is onder nr 327A terug te vinden in de index van Aarne-Thompson (The Children With the Witch).

Om even het geheugen op te frissen en met zevenmijlslaarzen door de inhoud te stappen: Hans en Grietje wonen met hun vader en stiefmoeder aan de rand van het bos. Het gezin is erg arm en op een dag besluit de stiefmoeder, tegen de wil van de vader in, de kinderen in het bos achter te laten omdat er geen eten voor hen alle vier is. Na de eerste keer en truck uitgehaald te hebben met kiezelsteentjes waardoor ze de weg naar huis hebben kunnen terugvinden, verdwalen ze een tweede keer echt en komen aan bij een huisje gemaakt van brood en snoepgoed. In het huisje woont een vriendelijke vrouw die de twee kinderen melk en pannenkoeken geeft en bij haar laat overnachten. De volgende ochtend openbaart de vrouw zich als een kwaadaardige heks die Hans wil vetmesten om op te eten en Grietje als slavin wil houden. Na een poosje besluit de heks dat het tijd is om Hans te gaan verorberen en na een list duwt Grietje de heks in haar eigen brandende oven. In het huisje vinden ze kisten vol parels en edelstenen die ze meenemen naar huis, waar de stiefmoeder gestorven blijkt te zijn. Dankzij de schat hoeven ze nooit meer in armoede te leven en het drietal leefde nog lang en gelukkig.

De waarheid over Hans en Grietje

In 1963, op de kop af honderd jaar na de dood van Jacob Grimm, verschijnt Die Wahrheit über Hänsel und Gretel. Het boek verhaalt over een zekere Georg Ossegg, schoolmeester en fervent amateur-archeoloog, geboren op 21 mei 1919. Hij wilde in de sporen van beroemde archeologen als Heinrich Schliemann, die in feite archeologisch gezien ook amateur was, het huisje ontdekken uit het sprookje over Hans en Groetje. Zoals Schliemann overtuigd was van het bestaan van Troje en het ook daadwerkelijk vond, zo was Ossegg overtuigd van de historiciteit van deze woning.

Zo trekt Ossegg met zijn leerlingen naar het dorpje Steinau an der Straße in Hessen en weet een boer te traceren die hen verwijst naar het nabijgelegen bos van Spessart dat bekend zou staan als het Hexenwald. De grootvader van de boer zou het huisje gezien hebben en er zelfs binnen zijn geweest. De Tweede Wereldoorlog verhinderde echter nader onderzoek en Ossegg keert terug naar zijn huis in Praag.

Maar in 1962 gaat Ossegg terug en pakte de zaken nu groots aan. Na twee maanden slaagde hij er in het snoephuisje te traceren, althans de ruïneuze resten, inclusief de restanten van vier bakovens. In één ervan lag, jawel, het gedeeltelijk verkoolde skelet van een vrouw. Verder vond hij de scharnieren van de deur van het huisje, waarvan er één met kracht gebroken moet zijn geweest. Ossegg concludeerde dat Hans en Grietje ingebroken hadden in het huisje teneinde een geheim recept voor ‘Lebkuchen’, een soort peperkoeken, te stelen, waarna ze de bakster teneinde hun sporen uit te wissen in de oven hadden geduwd.

Hans en Grietje zouden in werkelijkheid de bakkers Hanz en Grete Metzler geweest zijn die tijdens de Dertigjarige Oorlog leefden en de ‘heks’ heette Katharina Schraderin, geboren rond 1618. Ossegg sleept er ook nog een manuscript uit 1647 bij, het Wernigerode Manuscript, dat een proces tegen Katharina Schraderin beschreef, de bakker-heks, die overigens volgens het manuscript werd vrijgesproken.

Ophef

Zo samengevat klinkt het verhaal weinig overtuigend, maar Ossegg, wat later een synoniem van Hans Traxler bleek, had zijn boek zeer professioneel vormgegeven. Het werk van 120 pagina’s stond vol met bewijsmateriaal: foto’s, tekeningen, modellen, een foto van Ossegg zelf (waarvoor Traxler had geposeerd), compleet met een ‘Anhang’ met ‘Literaturhinweise’, een ‘Zeittafel’ en wat dies meer zij. Wat bijvoorbeeld te denken van een foto (Abb. 35) met als onderschrift:

Eine Aufnahme aus der Erbenheimer Polytechnischen Versuchsanstalt. Hier werden gerade die Reste des Pfefferkuchens einem radiologischen Zerfallstest unterworfen.

Kortom: een groot deel van de Duitse academische wereld en aangrenzende landen trapte er levensgroot in en het boek veroorzaakte nogal wat ophef. Media in zowel West- als Oost-Duitsland brachten het nieuws met grote koppen en groepen schoolkinderen maakten excursies naar Spessart om de ruïne van het heksenhuisje te bekijken.

Door de mand gevallen

In 1964 viel Traxler door de mand. Hij had in zijn boek een reconstructie opgenomen van een in het heksenhuisje gevonden verkruimeld recept voor de ‘Lebkuchen’. Een slimme geest ontdekte echter dat Traxler het recept (voor Nürnberger Lebkuchen) had overgeschreven uit een kookboek van Dr. Oetker! Van het één kwam het ander, maar velen weigerden te geloven dat de studie van Traxler een mystificatie was. Het verhaal was gewoon te leuk en zat te goed in elkaar.

Nürnberger Lebkuchen

Dr Claudia Schwabe, een sprookjes-onderzoekster van Utah State University, beweerde dat de hoax was “one of the bigger ones out there, one that was done at a very sophisticated level, fooling even a lot of academics and scholars in the field.”. De cartoonist Hans Traxler had de hele mystificatie – met behulp van enkele vrienden die hem geholpen hadden met de in het boek opgenomen foto’s, tekeningen en dergelijke – opgezet niet alleen als practical joke, maar vooral als parodie op de dikdoenerige (Duitse) wetenschap. In Duitsland staat dit werk bekend als een Wissenschaftssatire.

Maar niet iedereen was ‘amused’. Een verontwaardigde lezer sleepte Taxler zelfs voor de rechter wegens fraude, een klacht die overigens door de rechtbank terzijde werd geschoven. In 1987 werd er zelfs een filmversie van het boek opgenomen met de Franse acteur Jean-Pierre Léaud als Georg Ossegg.

Volgens de genoemde dr Schwabe zegt de receptie van het boek veel: “People just love a good story. Any discovery that promises to reveal a hidden truth or secret or mystery is enticing.” Mensen creëren graag hun eigen feiten die bij hun wereldbeeld passen. Daarom zijn broodjeaapverhalen zo hardnekkig.

Slot

Bij mijn weten heeft de Märchenarchäologie, zoals door Traxler geïntroduceerd, geen navolging gevonden. Jammer, wat als er iemand is die uit wat voor verhalen ook feiten wil opdiepen, ben ik het wel.

In 2012 kreeg Hans Traxler voor zijn werk in Hanau de Grimm-Preis en in 2015 de Wilhelm-Busch-Preis. Ter gelegenheid van zijn 90ste verjaardag werd in het Caricatura Museum in zijn woonplaats Frankfurt een overzichtstentoonstelling gehouden. Zijn boek Die Wahrheit über Hänsel und Gretel wordt nog steeds herdrukt. Er zijn nog immer vele bewonderaars die weigeren te geloven dat het werk een mystificatie is.

  1. 1

    Smullen.

    Een andere fabeltast – Perrault – schijnt zijn oerversies van Roodkapje e.d. rigoreus uit volksverhalen te hebben omgewerkt, veel rigoreuzer dan je verwacht. /offtopic

    Ik ken dat laatste plaatje, het komt uit een hele serie necrologieën van echte mannenbroeders van een Duits klooster meen ik. /geenhoax

    Dat gewelf met portret lijkt toch ook wel dezelfde setting te zijn als de vele genrepaintings met een boodschap(!) die Gerrit Dou produceerde.

  2. 2

    Een middeleeuwse verdediging van homosexualiteit is moeilijk aan te nemen. Maar een vroege verdediging ervan is wel denkbaar in een tijd waar het eind van de wereld werd verwacht en er ook andere rigoreuze denkbeelden opkwamen die als kern hadden de aan vrouwen opgedrongen abortussen en kindermoorden te stoppen. Vgl. Tekla.

  3. 3

    Dat de late middeleeuwen weinig oog hadden voor de benarde positie van de vrouw is trouwens een opmerkelijke misvatting als je de kunst van toen goed bekijkt.

    Hier een vroeg 16eE boekverluchting. Die illustreert nogal hard de positie van veel hofvrouwen

    http://listingz.nl/media/meisjehangendaanboom.png

    Moet ik het monster aanwijzen, nee toch? Let ook op de rol van: veel groen en planten.

    Één, twee eeuwen hiervóór was alles nog koek en ei ?
    Nou, ik wil wel een signaal van het tegendeel herkennen in het aantal plooien (aantastingen) dat je kunt tellen in geschilderde vrouwengewaden. Nooit overtroffen…