Goed volk | Het esoterisch circus rond de Externsteine

ACHTERGROND - Het overbekende Stonehenge is in de loop der tijd een multi-purpose-monument geworden. Het werd rond 2.300 v.Chr. gebouwd (datering van 2008), maar ondanks veel wetenschappelijk onderzoek is het oorspronkelijke doel ervan nog altijd niet zeker, hoewel recente vondsten in Saksen-Anhalt in Duitsland, waar soortgelijke bouwsels van hout werden gevonden bij Pömmelte en Goseck, de observatoriumtheorie lijken te ondersteunen.

Stonehenge is ook een voorbeeld om te tonen dat zulke megalithische bouwwerken niet in één keer werd gebouwd. Ze werden later niet alleen vergroot maar ook uitgebreid waarbij het doel van het complex zo nodig werd aangepast. Er zijn nog steeds dwaallichten die beweren dat Stonehenge door druïden werd gebouwd. Dat dit allang is ontkracht, betekent niet dat de druïden er geen gebruik van hebben gemaakt, hetgeen ook aangetoond is. Heden ten dage wordt minstens één maal per jaar Stonehenge in bezit genomen door neo-paganisten. Als druïden verkleed vieren ze hun zonnewendefeest. Begonnen als een bouwsel van mensen uit de Bronstijd, vond eeuwenlang een soort stapeling van gebruiksmogelijkheden plaats.

Externsteine

Een vergelijkbaar lot trof de Externsteine in het Teutoburgerwoud nabij Detmold, die wel ‘Deutschlands Stonehenge’ worden genoemd. Nu zijn de Externsteine geen megalithisch monument. Het zijn door de natuur gevormde zandstenen pijlers, abrupt oprijzend uit het landschap. Als zodanig worden ze wel vergeleken met de zandstenen rotspijlers waarop de kloosters van Meteora in Griekenland zijn gebouwd.

De Externsteine

Zulke natuurlijke monumenten hebben de verbeeldingskracht van de mensheid altijd geprikkeld. Men zag ze aan voor versteende goden, demonen, attributen van reuzen of iets dergelijks en ze varieerden in grootte van een op een mens of dier lijkende rots die uit zee oprees tot complete bergen, waarvan de Kailas in de Himalaya wellicht de meest aansprekende is.

Ook de Externsteine vallen in deze categorie. Vlakbij zijn menselijke sporen aangetroffen uit ongeveer 10.000 v.Chr., wat minimaal bewijst dat het gebied destijds bewoond was. Bewijzen dat deze plek ook als cultusplaats diende, ontbreken echter. Het ligt voor de hand dat de plek ook in de IJzertijd gebruikt is geweest, maar sporen zijn nooit aangetroffen.

Heremieten en geologen

Dat wordt anders in de Middeleeuwen. Net als de zandsteenpilaren van Meteora worden de pijlers en de grotten van de Externsteine ontdekt als ideale plaats voor (enkele) heremieten om zich te vestigen. In de twaalfde eeuw richten monniken, waarschijnlijk uit de omgeving van Paderborn,  een paar kapellen in die door de bisschop van Paderborn worden gewijd. Bij de ingang van een van die kapellen bevindt zich een reliëf van de kruisafname van Christus, het oudst bewaarde stenen beeld van Duitsland. De hoogstgelegen kapel is wel met de heuvel van Golgotha geassocieerd. In de grootste grotkapel bevindt zich een inwijdingsinscriptie uit 1115.

Reliëf Kruisafname

Tegenwoordig zijn de Externsteine niet alleen belangrijk voor toeristen, geologen en historici, maar, net als Stonehenge, voor neo-druïden, esoterici, leyhunters, beoefenaars van wicca, Keltische en Germaanse geloofsgemeenschappen (die er de zonnewendefeesten vieren en de Germaanse goden vereren) en voor neo-fascisten. En een titel als die van het boek van Manfred Ehmer, Atlantis, Thule und die Externsteine (2019) zegt genoeg.

Wat mij vooral interesseert is hoe de volkscultuur en de pseudowetenschap met de Externsteine aan de haal is gegaan. Daarover bestaan, weinig verrassend, nauwelijks geschreven bronnen, maar er zijn diverse mythen, legenden en sprookjes in omloop. Zo zou in de Externsteine de Heilige Graal verborgen zijn. Het volksgeloof zag ze aan voor tanden van reuzen. In de ‘Wesersage von Wackensteinfels’ had de duivel de monniken bestookt met rotsblokken maar ze niet geraakt.

Nazi-wetenschap

In 1564 worden de Externsteine door de Lutherse theoloog en hervormer Hermann Hamelmann bestempeld als een voormalig Germaans heiligdom dat door Karel de Grote verwoest zou zijn. Hamelmann was de eerste die een poging deed de Externsteine historisch te duiden. Zijn theorie verdween onder de waterspiegel maar kwam in de Romantiek weer boven drijven en in de jaren tussen 1920 en 1945 ontfermden zich duistere lieden over zijn opvattingen.

Nazikopstukken als Heinrch Himmler hadden een voorliefde voor esoterie. Men wilde daarmee niet alleen aantonen dat het arische ras superieur was, maar was ook geïnteresseerd in diverse vormen van ‘verborgen kennis’ die het Derde Rijk aan een beslissende voorsprong kon helpen. Zo legden zij een ‘Hexenkartothek‘ aan als resultaat van een minutieus onderzoek vanaf 1935 naar heksenprocessen, de Hexen-Sonderauftrag. Men beweerde namelijk dat de heksenvervolgingen door de kerk op touw waren gezet om de kennis van de ‘witte vrouwen‘ te vernietigen.

Eind dertiger jaren werd door Ernst Schäfer [ ] een wetenschappelijke expeditie naar Tibet opgezet. Hitler kreeg hier lucht van en vond dit een prachtige gelegenheid om de occulte en paranormale krachten uit deze regio te onderzoeken. De nazi’s kregen weliswaar een zekere grip op de expeditie van 1938 (financiering!), maar Schäfer, die gedwongen werd tot de nodige concessies, ook persoonlijk, zag deze bemoeials als “waardeloze meelopers, ondersteund door een heel leger van kwakzalvers”.

Esoterisch circus

Voor dit hele esoterische circus werd in 1935 een speciale instelling in het leven geroepen onder de naam Ahnenerbe (voorouderlijk erfgoed). Liefhebbers die Marvels’ ‘Captain America‘ (2011) hebben gezien zullen zich er het nodige bij kunnen voorstellen. De film is voor 98% fantasie, maar geeft wel een indruk van wat de nazi’s met Ahnenerbe probeerden te bereiken.

De Wewelsburg, gebouwd tussen 1603 en 1609 door de vorst-bisschop van Paderborn, werd in 1934 door Himmler, op instigatie van de Oostenrijkse occultist en latere SS-militair Karl Maria Wiligut, aangewezen als een centraal religieus oord waarin de heidense Germaanse elementen van het nazisme zouden worden verzameld en verder ontwikkeld. In de burcht moesten allerlei christelijke elementen een nieuwe Germaanse invulling krijgen of vervangen worden door mythische elementen. Het moest de nazistische graalburcht worden.

Griezelig en fascinerend tegelijkertijd heeft de Ahnenerbe een reeks expedities op touw gezet, op zoek naar de herkomst van het arische ras, de overheersende cultuur en geschiedenis van de Germanen (Germanenmythos) en occulte wetenschap. Hoewel zeker in het begin de resultaten van hun onderzoek enige betrouwbare wetenschappelijke informatie heeft opgeleverd, met name de genoemde Tibet-expeditie, kan het grootste deel van de onderzoeksresultaten van Ahnenerbe als pseudowetenschap door de gootsteen worden gespoeld.

De verwoesting van de Irminsul door Karel de Grote, Heinrich Leutemann (1824-1904)

Irmensul

Terug naar de Externsteine. Uiteraard waren Ahnenerbe en hun tegenhanger Amt Rosenberg enthousiast over het idee van Hermann Hamelmann dat de Externsteine een Germaanse cultusplaats waren geweest. In 1935 meende amateurarcheoloog en NSDAP-lid Wilhelm Teudt op de plek van de Externsteine de Irminsul, Oud-Saksisch voor ‘grote pilaar’, ontdekt te hebben.

Deze houten zuil was een belangrijk heiligdom voor de Saksen van de achtste eeuw na Chr. met vermoedelijk grote symbolische betekenis. Hij wordt gezien als de Germaanse tegenhanger van de Noordse Yggdrasil. Hij zou zoals gezegd door Karel de Grote in zijn oorlog tegen de Saksen in 772 verwoest zijn. Waar de zuil gestaan heeft is tot op heden omstreden; Eresburg in Noordrijn-Westfalen en het Teutoburger Woud worden genoemd als mogelijke plaatsen. Teudt heeft dus wel in de goede richting kunnen zitten, maar enig bewijs heeft hij nooit geleverd.

De nazi’s zagen in de Irminsul het symbool van de laatste weerstand van de Germanen tegen de christelijke Franken. Nadat in 1933 de nazi’s aan de macht waren gekomen stelde Teudt Himmler voor de Externsteine tot een ‘Heiligen Hain’ (heilig bos, cultplaats) te maken. Himmler ging hiermee accoord en richtte in datzelfde jaar de Externstein-Stiftung op, waarvan hij zelf voorzitter werd.

In 1934 en 1935 werden onder leiding van geoloog en paleontoloog Julius Andree van het Ambt Rosenberg omvangrijke archeologische opgravingen verricht met als doel wetenschappelijk aan te tonen dat de Externsteine, zoals Hamelmann had beweerd, een Germaanse cultusplaats was geweest. Er werden weliswaar objecten van metaal en keramiek gevonden – die in het Lippischen Landesmuseum Detmold terechtgekomen zijn – maar zijn bewijs heeft Andree niet gevonden.

Reacties zijn uitgeschakeld