Goed volk | De Duivelsbijbel

ACHTERGROND - In de Zweedse Koninklijke Bibliotheek in Stockholm berust een middeleeuws manuscript van de Bijbel uit ongeveer 1230, de Codex Gigas. Wat in eerste instantie opvalt is het formaat: het in een houten band gebonden boek meet 92 bij 50 centimeter, is 22 centimeter dik en weegt 75 kilo.

Toch is dit niet zo bijzonder als het lijkt. Boeken van dit formaat werden in de Middeleeuwen wel meer gemaakt, vooral als koorboeken die men in kloosters gebruikte voor de mis en de officie’s. Opgesteld in het midden van het halfronde koor konden alle monniken en monialen meelezen uit één boek, wat wel zo praktisch was. Het rijk geïllustreerde manuscript bevat de gehele Bijbel in een Vetus Latina vertaling alsmede de nodige andere stof, waaronder de Antiquitates Judaicae van Flavius Josephus en, godbetere, een aantal magische formules.

Van de oorspronkelijke 640 pagina’s zijn er zestien om onduidelijke reden verwijderd. Volgens deskundigen bevatten deze ontbrekende pagina’s wellicht de Regula Benedicti, de kloosterregel van de Benedictijnen. Volgens een overlevering zijn de pagina’s verloren gegaan bij een brand, maar daarover straks meer.


Geschiedenis

Het manuscript staat bekend onder de naam Codex Gigas (reusachtige codex) maar heeft als bijnaam de ‘Bijbel van Satan’ of de ‘Duivelsbijbel’, naar aanleiding van een prominente afbeelding van de duivel op folio 290 recto van ongeveer 50 centimeter hoog.

Bibliothecaris bladert in Codex Gigas met rechts de beruchte afbeelding van de duivel

Na de vervaardiging heeft de codex waarschijnlijk geruime tijd in het bescheiden klooster van Podlažice in Bohemen gelegen, ongeveer 100 km van Praag, totdat het klooster begin vijftiende eeuw verwoest werd door de Hussieten. Van 1477 tot 1593 maakte de codex deel uit van de bibliotheek van het klooster in Broumov, waarna het in 1594 naar Praag verhuisde om een onderdeel van de verzameling van keizer Rudolf II te worden. In 1648 werd het boek door Zweedse troepen aan het einde van de Dertigjarige Oorlog als oorlogsbuit meegenomen.

Naar de codex is uiteraard het nodige onderzoek verricht. Volgens de wetenschapper Zdenek Uhlir is de codex inderdaad door een benedictijner monnik uit een klooster in Podlažice in de 13e eeuw geschreven, ene Hermanus Monachus Inclusus, en hij schat dat de monnik hier 25 tot 30 jaar voor nodig heeft gehad, hoewel andere bronnen spreken van ‘slechts’ tien jaar. Voor het illustreren moet er nog zeker vijf jaar bij worden opgeteld. Wat pleit voor één schrijver zijn de feiten dat de schrijfstijl (nogal grof en onbeholpen) in het gehele manuscript dezelfde is en dat de samenstelling van de inkt over het gehele boek vrijwel constant is. Middeleeuwse monniken mengden zelf hun inkt, die bestond uit galappelextract, looizuur en ijzersulfaat. Elke monnik mengde deze stoffen in een andere verhouding en alle inkt van de Codex Gigas blijkt volgens hetzelfde recept te zijn gemengd.

De duivelsafbeelding

De bewuste afbeelding van de duivel met zijn hoorns en klauwen is typisch voor de Middeleeuwen. Het zal de oplettende lezer wellicht opvallen dat deze verschijning weinig te maken heeft met de gevallen engel uit het bijbelboek Genesis die er in oudere manuscripten inderdaad engelachtig uitziet en vaak een blauwe kleur heeft. De middeleeuwse voorstelling van een gehoornde duivel met klauwen of bokkepooten is waarschijnlijk ontstaan uit figuren uit de Griekse mythologie (de goden Dionysos en Pan en de faunen) enerzijds en de geit als vruchtbaarheidssymbool uit de oude Europese mythologie (de bekende Krampus is hier een nazaat van) anderzijds.

De pagina met de duivel uit de Codex Gigas

De losbandige festiviteiten die rond deze figuren gevierd werden waren de kerk een doorn in het oog. Paus Gregorius I (reg. 590-604) was onder meer belangrijk voor de kerstening van Europa en gaf instructies om de heidense tempels, rituelen en weekdagen te integreren in het christendom. Hij bestempelde derhalve deze mythologische figuren, die bij de festivals uitgebeeld werden door gemaskerde mannen en soms vrouwen die vachten en maskers met hoorns droegen (of alleen zwart geschminkt waren), baarden, bochels en gespleten bokkenpoten of klauwen hadden, simpelweg tot duivels.

Niettemin ziet de duivel uit de Codex Gigas er bijna clownesk uit, alsof hij keihard ‘boe’ roept. Dit zal waarschijnlijk toeval zijn, maar onwaarschijnlijk is het niet. Deze ‘duivel’ kreeg namelijk in de middeleeuwse festivals een humoresk tintje: ze degradeerden via trickster (een nar met magische eigenschappen) via paljas tot ronduit een ‘fool’, een carnavalsfiguur. Pas in de Late Middeleeuwen en de Renaissance, toen de heksenvervolgingen en de heksenwaan opkwamen, kreeg deze duivel – tijdelijk – weer een satanisch tintje. Veel van deze ‘duivels’ zijn later als paljas en/of kinderschrik  toegevoegd aan de vele Europese verschijningsvormen van Sint Nicolaas, maar dit terzijde.

Legenden

Over deze groot-formaat bijbel met zijn al even grote afbeelding van de duivel ontstonden al snel sterke verhalen. Het eerste is waarschijnlijk echt gebeurd.

Nadat de codex aan de Dertigjarige Oorlog was ontsnapt en het veilig in Zweden lag opgeborgen, brak er in 1697 een felle brand uit in het koninklijk paleis (Tre Kronor) waar in die tijd de bibliotheek gevestigd was. Een functionaris redde de codex door hem simpelweg uit het raam te gooien, waarbij hij wel terecht kwam op een toevallig passerende ramptoerist. Deze brak de val van het boek en als bonus overleefde hij het incident, aldus het verslag van vicaris Johann Erichsons. In 1878 verhuisde de codex mee naar het nieuwe onderkomen van de Zweedse KB in de huidige Humlegården.

Interessanter is de legende over het ontstaan van de codex. In de Middeleeuwen deed al het verhaal de ronde dat er een Benedictijner monnik was die zijn kloostergelofte had verbroken en wel op zo’n ernstige manier dat men hem veroordeelde om levend begraven te worden. In een wanhopige poging zijn straf te ontlopen belooft de monnik in één nacht een boek te schrijven inhoudende de Bijbel en vele andere werken teneinde het bescheiden klooster voorgoed op de kaart te zetten. De overste gaat akkoord en de monnik begint met de moed der wanhoop aan zijn zelfopgelegde opdracht. Tegen middernacht wordt duidelijk dat zijn poging in de verste verte niet gaat slagen en de monnik bidt om hulp, niet richting God maar richting zijn tegenspeler, de duivel. De duivel zegt hem toe het boek in één nacht te voltooien, maar uiteraard in ruil voor zijn ziel – het bekende Faust-motief.

De legende is een typisch voorbeeld van een etiologische verklaring, een poging om het ontstaan van een fenomeen te verklaren. Waarschijnlijk berust de legende op een verkeerde interpretatie van de bijnaam van de schrijver, ‘Inclusus’. Het Latijnse woord werd bij het ontstaan van de legende kennelijk vertaald met ‘levend begraven worden’, maar het is meer waarschijnlijk dat het een adjectief is dat ‘de kluizenaar’ betekent. ‘Monnik Hermanus de kluizenaar’ dus. Waarschijnlijk gaat het hier om een monnik die teruggetrokken in het klooster leefde of in een kluis bij het klooster en een groot deel van zijn leven besteedde aan het schrijven van deze codex, als een godvruchtig werk of misschien in opdracht van de overste.

Magie

De bovengenoemde missende pagina’s zouden volgens een moderne fictieve opvatting een apocalyptische tekst hebben bevat, getiteld ‘Het gebed van de duivel’. Deze tekst zou spreuken bevatten die apocalyptische gruwelen zouden ontketenen, de sleutel tot een soort doos van Pandora. De bewuste pagina’s gingen verloren nadat het boek bij de brand van 1697 uit het raam werd gegooid, maar boze tongen beweren dat het boek uit het raam is gegooid om zo de bewuste pagina’s te kunnen stelen.

Dit is overigens ook een historisch of literair motief: het stichten van een brand om een diefstal te verhullen of te kunnen plegen. Zo wordt de brand uit de vorige eeuw die de grote bibliotheek van de Russische skite van Andreas op Athos geheel in de as legde nog steeds door sommigen verklaard uit het feit dat monniken of bezoekers de diefstal van boeken met een magische inhoud uit een geheim gedeelte van de bibliotheek wilden maskeren. Dat er in een Russisch klooster boeken met een pagane magische inhoud hebben gelegen is overigens niet helemaal onwaarschijnlijk.

De ‘magie’ die wel in de Codex Gigas bewaard is gebleven is één van de vele delen naast de Bijbeltekst die de codex rijk is, de ‘Medica’. Niet alle ziekten konden met kruiden genezen worden, want bepaalde symptomen wezen er op dat een mens ook door de duivel bezeten kon zijn. Met name een ziekte die plotseling opkwam zoals koorts, epilepsie, krampen en infecties waren duidelijke aanwijzingen. Het boek bevat dan ook instructies om de ziekte uit het lichaam te bannen met behulp van duiveluitdrijving. Zelfs een gewone verkoudheid kon met de volgende spreuk verdreven worden:

In naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest bezweer ik zeven verkoudheden, want gij zijt zeven zusters. Ilia, Restilia, Jogalia, Suffogalia, Affrica, Ionea, Ignea. Ik bezweer u, verkoudheden, waar gij ook vandaan komt.

Let op de personificatie van de ziekte, een verhaal op zich: zie bijvoorbeeld het hoofdstuk Mental Disorders in Anglo-Saxon Medical Sources with Scandinavian Parallels door Susan Závoti.

De codex nu

Na 359 jaar keerde de codex in 2008 tijdelijk terug naar Praag waar het tentoongesteld werd in de Nationale Bibliotheek van Tsjechië. Momenteel berust de codex in de Zweedse Koninklijke Bibliotheek in Stockholm op de tweede verdieping in een glazen kast, dichtgeslagen en in een kamer met gedempt licht om de inhoud van het boek zoveel mogelijk te beschermen. Gelukkig hebben de Zweden de codex wel geheel gedigitaliseerd. De site waarop dit product is geplaatst is hier te vinden. Helaas is de site nogal traag, maar zo’n oud boek heeft ook geen haast.

  1. 1

    Niettemin ziet de duivel uit de Codex Gigas er bijna clownesk uit

    Schrijver neemt de duivel als clown op met een overmaat aan luchthartigheid die opmerkelijk onmiddeleeuws is.

  2. 2

    Eens even kijken of er een verhelderend plaatje mogelijk is.

    [img]https://www.kb.se/images/18.5b3e4ab9166e825508810ffe/1543244263497/Codex_Gigas_uppslag_Djavulen_och_jerusalem.jpg[/img]

    Niet.

    Vergeten we nu maar termen als “Duivelsbijbel” die @0 niet binnen kon houden en bekijken we de prent.

    Links.
    Een stad of wereld met 10 sferen/verdiepingen. Elke nieuwe is weer gebouwd met een nieuwe kleurcombinatie (veel groen (fertiel), rood(heet, actief) ) uit de zuilen van de vorige. In het midden een aparte verschijning van rode planten ? Aan de top allemaal blauwe zuilen alsof het af is. (blauw = koel, koud)

    Rechts.
    Ingeklemd in muren van steen een ruimte met planten en bomen (fertiel). Daarin de duivelse minnekracht aan wie niemand ontsnapt. Er volgen onontkoombaar zonden uit.

  3. 3

    @2: de huidkleurige palen om de ruimte met de duivel heen maken van die voorstelling waarschijnlijk een metafoor voor de mens zelf.

    Volgt de vraag welke zonden dan ? Dat voert bijna automatisch terug naar de vraag welke echte zonde Adam en Eva hebben bedreven. Er is enige consensus dat het antwoord luidt: de erotiek, de lust. Mijns inziens is het echte – en nog veel schokkender – antwoord: het wegmaken van de ongewenste vrucht. Vooral een aantal onopgehelderde motieven in de westerse middeleeuwse kunst* als ook de vroege christelijke mythologieën zoals die rond Tekla wijzen daarnaar.

    *de aanbidding door de Magi of de Wijzen uit het Oosten bevat b.v. steevast elementen die hun status of hun bedoelingen in een ongunstig licht zetten. Ik ken maar één werk waar dat niet zo is.

  4. 4

    @3:

    maar één werk waar dat niet zo is

    en waar de schilder de traditionele geschenken niet kon negeren, maar verder niets ongunstigs liet zien.

    Geschenken waar een wederverplichting aan vastzit mogen als ongunstig worden opgevat in het licht van Jezus’ boodschap dat het behouden van het leven iedereens primaire doel zou moeten zijn. Ik geef er twee en de derde die i.m.o. in ieder geval zwaar verdacht is:

    1. goud, het hebben en bewaren van – : Jezus was erop tegen in het licht van het zorgen voor nageslacht. De auteurs van [Warenar], Hooft en Coster, bezorgden er nota bene *Hugo de Groot* twee kostelijke leeservaringen mee.
    2. wierook : verdrijft de stank van de verrottenen, ja, ook in úw middeleeuwse kerk
    3. myrre : abortivum (zeer waarschijnlijk, ondermeer of uitsluitend ?)

  5. 6

    Terry Jones is dood, dus dan kijkt iemand weer eens misschien “Life of Brian”.

    Ik mag graag Moeder Terry citeren [met schelle stem tot de Wijzen uit het O.]): “I could do without the myrrhe!!!”