De vermogensrendementsheffing: mensen in een mal

COLUMN - In de troonrede zei de koning: “De levens van 17 miljoen individuele mensen passen niet in een mal.” In dit verband lijkt het mij een goed idee om ook even te kijken naar de toekomst van de omstreden vermogensrendementsheffing. Daarvoor staat een voorstel in de kamerbrief van staatssecretaris Snel van 6 september jl.

De vermogensrendementsheffing werd in 2001 ingevoerd en aanvankelijk berekend op basis van een fictief rendement van 4%. In de navolgende tijden van dalende rentes schepte deze aanpak gaandeweg een steeds oneerlijkere situatie. Zo konden spaarders dit rendement uiteindelijk helemaal niet meer halen en werd in vele gevallen de heffing hoger dan de rente zelf. Daarom heeft het Ministerie van Financiën al enkele jaren geleden een splitsing gemaakt tussen het lagere fictieve rendement op sparen en het hogere fictieve rendement op beleggen. De verhouding tussen sparen en beleggen wordt daarbij nu vooraf vastgesteld en is onafhankelijk van de individuele situatie. Wie alles spaart betaalt hetzelfde als iemand die alles belegt.

Dit laatste punt zal volgens de nieuwste plannen in 2022 veranderen.

Dan zal niet meer de fictieve, maar de daadwerkelijke, individuele verdeling tussen sparen en beleggen relevant worden, met de intentie dat de spaarder minder en de belegger meer gaat betalen. Het belangrijke punt is echter dat de fictieve rendementen van kracht blijven. Waarom?

Oorspronkelijk was het fictieve rendement een percentage dat werd berekend op basis van rendementen uit het verleden. Toen bleek dat deze geen garantie gaven voor de toekomst. Hoe de rendementen nu worden berekend, weet ik niet. Worden bijvoorbeeld de kosten voor beleggingsfondsen afgetrokken? In het ergste geval zijn de rendementen inmiddels, zoals de naam het eigenlijk altijd al zei, fictief. Maar laten we vooralsnog toch maar het beste geval veronderstellen, namelijk dat de fictieve rendementen het resultaat zijn van vakkundige berekeningen van de gemiddelde werkelijke rendementen in het betreffende jaar. Anders komen we nergens.

Het probleem is dan dat gemiddelden in individuele gevallen nagenoeg nooit kloppen. Er is altijd variatie om het gemiddelde heen. De een verliest alles en de ander wordt stinkend rijk en zolang beide hetzelfde bedrag aan vermogensrendementsheffing moeten betalen, blijft de vermogensrendementsheffing dus oneerlijk. De met afstand beste mogelijkheid om deze oneerlijke situatie te veranderen is de overgang naar heffing op individuele, werkelijke rendementen.

Het hele voorstel voor de toekomst van de vermogensrendementsheffing lijkt dan ook op een poging om op zijn minst alle box 3-belastingsbetalers ondanks alle protesten nog steeds in een mal te stoppen, met alleen hier en daar wat halfslachtige aanpassingen om de ergste pijn te verzachten. Aanpassingen die overigens zelf weer vele nieuwe problemen opleveren. Waarom blijven de fictieve rendementen dus van kracht?

  1. 3

    Na meer dan 10 jaar sinds de crisis gaan ze het nog een keer aanpassen. Dat schiet niet echt op. Sowieso raar dat men niet vanaf het begin onderscheid tussen sparen en beleggen heeft gemaakt.

  2. 4

    Echte rendementen zijn ook lastig te berekeken. Wispelturig zijn die ook wat een constante stroom belastinginkomsten bemoeilijkt.
    Bereken je het rendement als verschil tussen aan-en verkoop, dan mis je belastinginkomsten in de tussenliggendr jaren waarin je niets verkoop.
    Rendement als verschil van de waarde op 1 jan en 31 dec kan, maar dan moeten verliezen ook aftrekbaar zijn . In jaar 1 belasting over 15% rendement en in jaar 2 een daling van 10% is gemiddeld maar 5%.
    Daar komt bij het effect voor de belastingopbrengsten over bijvoorbeeld het jaar 2008, begin crisis. Een waardedaling van de effecten heeft dan en dramatisch gevolg voor de belastingopbrengsten als verliezen aftrekbaar zijn. Het is een lastige materie bij effecten.