Coronacrisis: ICT omslag in onderwijs

OPINIE - een gastbijdrage van Hein Vrolijk.

Dat we op sommige terreinen veel te afhankelijk zijn geworden van het buitenland is nu wel duidelijk. Bij mondkapjes vooral van Chinese bedrijven, bij testmateriaal van het Zwitserse Roche. Vrijwel geen aandacht is er voor de omgekeerde situatie: op andere terreinen is er eveneens een te grote afhankelijkheid, juist omdat er te weinig wordt uitbesteed. Zoals in het onderwijs.

Verticale integratie is een belangrijk begrip in de economische wetenschap. Volledige integratie betekent dat vrijwel alle activiteiten die nodig zijn om het eindproduct te maken, binnen deze onderneming plaatsvinden. Een voorbeeld zijn olieconcerns zoals Shell: actief in alle schakels van de bedrijfskolom, van olieput naar benzinepomp.

Aan de andere kant van het spectrum heb je de ondernemer die vrijwel alle activiteiten heeft uitbesteed (verticale desintegratie).

Hij is eigenaar van het merk onder wiens vlag de verkoop valt, en hij regisseert en financiert soms alle overige activiteiten. Neem de supermarktonderneming AH. Geen van de producten die je daar koopt worden binnen het overkoepelende Ahold-concern gemaakt want AH beperkt zich tot inkoop en inschakeling van toeleveranciers. De meeste AH-winkels zijn bovendien eigendom van zelfstandige franchisenemers.

Dit businessmodel, vanouds dominant in de retail, heeft zich de laatste decennia over andere bedrijfstakken verspreid. Denk aan Philips dat steeds kleiner is geworden, zeker qua personeelsbestand. Deels door bepaalde onderdelen af te storen, deels door activiteiten die vroeger binnen Philips werden uitgevoerd, in de loop der tijd uit te besteden aan externe partijen. Vrijwel altijd in de vorm van lange-termijn contracten met een duidelijk hiërarchisch karakter – dus je kunt niet zeggen dat Philips ‘de vrije markt’ heeft ingeschakeld.

BTW (omzetbelasting) is een goede graadmeter voor de mate van verticale integratie. Heeft een bedrijf veel benodigde dienstverlening en onderdelenproductie in eigen beheer, dan is de toegevoegde waarde – en dus de BTW – relatief hoog. Worden daarentegen veel toeleverende activiteiten uitbesteed, dan betaalt het bedrijf relatief weinig BTW. Althans per saldo, omdat de te betalen BTW wordt verrekend met de BTW over ingekochte spullen en diensten.

De Coronacrisis maakt pijnlijk duidelijk dat bij sommige medische hulpmiddelen globalisering en verticale desintegratie te ver zijn voortgeschreden. We hebben de productie overgelaten aan buitenlandse bedrijven, wat in normale omstandigheden voor ons een goede deal leek afgaande op de lagere kostprijs die zij kunnen realiseren. Treedt echter een crisissituatie op, zoals nu met Corona, dan gelden andere wetten.

Nationale overheden geven voorrang aan hun eigen burgers, dat is een van die ‘nieuwe’ wetmatigheden. Deze vorm van protectionisme zien we bij elke crisis, en bij elke sector die als vitaal of ‘in lands belang’ wordt gezien. Zo stegen na de uitbraak van de financiële crisis overal de voedselprijzen omdat heel veel nationale overheden gingen hamsteren of hun eigen productie afschermen van de wereldhandel. Ook in de huidige crisis zullen de voedselprijzen gaan stijgen – en zo de inflatie ‘uit het slop halen’

Nationalisatie

Het is niet verbazingwekkend dat sommigen nu roepen om nationalisatie van sommige delen van de gezondheidszorg en het daarmee verbonden onderzoek. “Als we in staat zijn om een genationaliseerd leger op het land, de zee en in de lucht aan te houden tegen een vijand die we nog niet kennen maar die misschien al ergens snode plannen smeedt, moeten we datzelfde ook kunnen doen tegen een virale of bacteriële vijand”. Aldus Adam Cohen in Trouw van 28 maart jongstleden.

Nationalisatie is echter bij uitzondering een geschikte oplossing. Want zij creëert een monopolie – met alle nadelen van dien. Weliswaar heeft dit monopolie een publiek karakter en moet zij zich voegen naar de wens van het parlement maar in de praktijk ontstaat al snel een bilateraal monopolie met veel onderling getouwtrek.

Monopolies zijn er bovendien in alle soorten en maten. Een daarvan zien we in het onderwijs. Dit lijkt een rare bewering want zeker in Nederland kan in principe iedereen een school oprichten. En zelfs dezelfde financiering krijgen als bestaande scholen, mits ze aan bepaalde eisen voldoen. De eisen vanuit de overheidsbureaucratie worden echter steeds strakker, zodat er al gauw een soort eenheidsworst ontstaat – een gemaskeerd monopolie omdat je als ouder (of student) slechts uit één smaak kunt kiezen.

Dit wordt verergerd door het regiem van de visitatiecommissies die de overheid heeft opgelegd aan het (alleen hoger?) onderwijs, maar ook elders in de (semi)publieke sector. Bij een dergelijk regiem is het onvermijdelijk dat er een soort gemeenschappelijke noemer ontstaat waaraan alle instellingen in grote lijnen moeten voldoen. Het gevolg is dat diversiteit systematisch (en waarschijnlijk onbedoeld) de nek wordt omgedraaid, doordat bepaalde praktijken worden ontmoedigd. Zodat iedere ‘verstandige’ onderwijsinstelling zich voegt naar de grijze middenmoot, meestal al in de voorbereiding van de visitatieronde.

Dit leidt ertoe dat universiteiten en hogescholen (en voor andere onderwijscategorieën geldt vermoedelijk hetzelfde) nauwelijks meer op essentiële punten met elkaar wedijveren. Doch louter op sexy nieuwe studierichtingen en op secundaire zaken zoals: een gezellige binnenstad, een bruisend studentenleven en een hoge ranking (die overigens voornamelijk op onderzoek- en niet op onderwijsprestaties is gebaseerd). Verbazingwekkend dat lieden die veel waarde hechten aan diversiteit in de natuur, cultuur of wetenschap geen enkele moeite hebben met de eenheidsworst die het Nederlandse onderwijs is geworden.

Verticale integratie en Corona

Ik heb de oorzaken of de redenen niet onderzocht maar het is opvallend dat in het (hoger) onderwijs vrijwel het hele budget wordt besteed aan eigen personeel (naast geld voor investeringen en andere materiële uitgaven). Al zit dit eigen personeel in toenemende mate in een flexibele schil, dus in tijdelijk dienstverband. Andere contractvormen, zoals uitbesteding van onderwijsactiviteiten, komen nauwelijks voor. Zelfs de inschakeling van zzp’ers (zoals ik) blijft beperkt tot onvoorziene situaties, zoals een onverwachtse toestroom van studenten terwijl het personeelsbestand nog niet mag worden aangepast Dit alles betekent dat er sprake is van vrijwel volledige verticale integratie, omdat er geen toeleveranciers worden ingeschakeld in het onderwijsproces (met als enige uitzondering de gevestigde uitgeverijen die leerboeken produceren

De gevolgen van dit beleid werden pijnlijk duidelijk tijdens de Coronacrisis. Van de ene dag op de andere moesten alle docenten overschakelen op digitaal onderwijs. Iedereen die docenten en andere leerkrachten kent of zelf in het onderwijs zit, weet inmiddels hoe moeizaam dit in de meeste gevallen is verlopen; ondanks de vele inspanningen die de meeste docenten zich hebben getroost. Allerlei technische problemen in bestaande systemen kwamen aan het licht, een groot gedeelte van de leerstof bleek zich niet voor digitaal onderwijs te lenen, allerlei problemen met online-tentamens, enzovoorts. Kortom, de overgrote meerderheid van zowel leerkrachten als scholieren en studenten zullen blij zijn dat de scholen weer open gaan – en anders de ouders wel. Het klassikale onderwijs wordt na de Corona-crisis weer hogelijk gewaardeerd, en terecht. Maar het is niet zaligmakend, en niet (meer) geschikt voor alle onderwijsprocessen.

Een groot gedeelte van het onderwijs bestaat uit oefenen, eindeloos oefenen; negatief aangeduid als ‘stampen’, positief als ‘automatiseren’. Dan gaat het met name om sommige taal- en rekenvaardigheden. Dat scholieren en zelfs studenten daarop steeds slechter scoren, lijkt grotendeels samen te hangen met het feit dat deze vaardigheden steeds moeilijker bijgebracht kunnen worden, althans klassikaal en in onze westerse cultuur. Vergelijk een doorsnee klas met jonge pubers in een of ander Afrikaans land met de Nederlandse variant. Dan zie je een leraar die geen enkele moeite heeft een overvolle klas braaf zijn zinnen na te laten zeggen en simpele oefeningen te doen, versus in Nederland een docent duwend en trekkend aan een kruiwagen met kikkers die om het hardst individuele aandacht vragen, negatief en positief.

Zelfs op de universiteit is ‘oefening baart kunst’ in allerlei varianten een onmisbaar onderdeel van het leerproces. In onze cultuur en in ons tijdsgewricht is dit echter steeds moeilijker om dit klassikaal te organiseren. We moeten dus zo snel mogelijk overstappen – natuurlijk slechts voor een deel – op softwarepakketten waarmee scholieren en studenten op een individuele, speelse en creatieve manier basisvaardigheden oefenen. Ik vermoed dat de gaming-industrie op dit gebied heel wat te bieden heeft. Een extra voordeel is dat op die manier tegenwicht wordt geboden tegen de machtige positie van de leerboek-uitgeverijen.

Maar die computergestuurde onderwijspakketten zijn er toch allang, zult u tegenwerpen. Zeker, maar blijkbaar nog niet genoeg en onvoldoende professioneel. Want was dit wél het geval, dan had het onderwijs helemaal niet zoveel te lijden onder de Corona-crisis. Zoals de jeugd gewoon doorging met gamen, zo had ook een groot gedeelte van het onderwijs door kunnen gaan, tenminste als er een ruim aanbod van professioneel en attractief ICT-lespakketten was geweest. Waarom is dit nog steeds niet het geval?

Het heeft allemaal met verticale integratie te maken. Nederland had te weinig testmateriaal om voldoende mensen op Corona te testen omdat de productie daarvan te veel extern is geplaatst. In het onderwijs daarentegen is er te weinig ICT-materiaal omdat we teveel activiteiten intern hebben gehouden.

Meer gebruik maken van ICT-toeleveranciers

Drie redenen pleiten ervoor dat onderwijsinstellingen meer gebruik gaan maken van ICT-toeleveranciers. Ten eerste is het ICT-onderwijs als onderdeel van het eigen curriculum niet bepaald een succes gebleken: overal verdwijnt de ict-docent en de meeste scholieren zijn nog grotendeels digitaal ongeletterd (behalve als het om gamen gaat). Ten tweede heb je voor goede ict-producten voldoende schaalgrootte nodig, in de zin dat een bedrijf voldoende scholen als klant moet hebben om te kunnen renderen. Wat niet uitsluit dat ict-bedrijven middelgroot of zelfs klein kunnen zijn of blijven, door zich te richten op een hele specifieke deelmarkt. Tot slot geldt wat ik de Wet van Christensen (naar Clayton M. Christensen) wil noemen: innovatie wordt alleen gerealiseerd door bedrijven met een aangepast business model, en dat zijn bijna altijd nieuwe bedrijven.

Een bloeiende bedrijfstak van kleine en middelgrote bedrijven die in allerlei varianten ICT-lespakketten aanbieden (zodat onderwijsinstellingen voldoende keus hebben) kan alleen ontstaan wanneer onderwijsinstellingen worden verplicht zeg een kwart van het onderwijsbudget extern te besteden. Van bovenaf verplicht omdat er blijkbaar allerlei belangen, ‘wetten en praktische bezwaren’ zijn om vrijwel alles bij het oude te houden en eventuele veranderingen intern te organiseren. Een belangrijke factor tegenwerkende factor is het huidige business model. Hoewel de marginale kosten afnemen naarmate een universiteit of hogeschool meer studenten weet aan te trekken, levert iedere extra student hetzelfde bedrag aan Rijksbijdrage op. Vervolgens geldt de stelling: hoe aantrekkelijker de schaalvergroting, hoe meer activiteiten intern. Mede door de groei van het aantal managers en stafmedewerkers, want hun vaste kosten worden over steeds meer studenten verdeeld.

Ik verwacht dat de ICT-onderwijsbedrijfjes overwegend door voormalige docenten (samen met digitale nerds) worden opgericht. Niet alleen omdat sommigen door mijn voorstel overbodig worden maar omdat dit een aantrekkelijker loopbaanperspectief is: eerst in het onderwijs en daarna overstappen naar een toeleverancier die ICT-lespakketten ontwikkelt (een omgekeerde loopbaan of een periodieke detachering kan natuurlijk ook). En daarmee kom ik bij een belangrijk voordeel van mijn voorstel: de personele tekorten in het basis- en voortgezet onderwijs zullen als sneeuw voor de zon verdwenen. Niet alleen vanwege de 25%-reductie in personeelsbestand maar – veel belangrijker – omdat het onderwijs aantrekkelijker is geworden. Omdat het niet langer een fuik is waar je niet meer uit komt als je te lang wacht, maar een mooie afwisseling tussen voor en in de klas staan met lesmateriaal ontwikkelen die ruimte biedt voor een vruchtbare combinatie van online en offline onderwijs.

Zal de Coronacrisis later in de geschiedenisboeken worden herinnerd als de aanleiding voor een omslag in het onderwijs die al veel eerder had moeten gebeuren?

NB:
Een belangrijke inspiratiebron voor mijn voorstel is Disrupting Class, dat overigens een van de meest controversiële boeken van Christensen lijkt te zijn: zie hier voor een korte samenvatting, zie hier waarom zijn voorspelling nog niet is uitgekomen. Voor een overzicht wat er al aan ICT-gestuurd onderwijs op de Amerikaanse markt is, zie hier.

  1. 1

    “Dat we op sommige terreinen veel te afhankelijk zijn geworden van het buitenland is nu wel duidelijk. Bij mondkapjes vooral van Chinese bedrijven, bij testmateriaal van het Zwitserse Roche.” Dat is allemaal nog maar de vraag. Het probleem is niet zozeer waar het vandaan komt, maar de productiecapaciteit. De vraag van deze zaken is door Corona verveelvoudigd, maar productiecapaciteit opschalen kost nu eenmaal tijd.

    Die productiecapaciteit in Nederland opschalen kost net zoveel tijd, zo niet meer tijd dan in China, daar trekken ze in immers zo een paar blikken extra werknemers open, vervolgens is het in een dag met een vliegtuig hier als het moet. Als wij dat soort zaken in Nederland gaan produceren wordt de zorg duurder en worden de arme landen armer. Ook hebben we geen idee wat we bij de volgende crisis nodig hebben, de vorige epidemie was 100 jaar geleden, het heeft geen zin om voor de volgende 100 jaar een overproductie mondkapjes in stand te houden als we dan brandblussers nodig hebben. Veel schieten we daar dus allemaal niet mee op, ik beschouw dat soort voorstellen meer als nationalistische gevoelens die uit paniek opspelen dan als ratio.

    “Het is niet verbazingwekkend dat sommigen nu roepen om nationalisatie van sommige delen van de gezondheidszorg en het daarmee verbonden onderzoek”

    We hebben gezien dat onze private zorg in dit extreme geval prima de zaak aan kan, ook het OMT bestaat grotendeels uit mensen uit de private sector. De privatisering van de zorg heeft hiermee de ultieme stresstest doorstaan. Bij bepaalde politiek stromingen zag ik de voorspelling, en soms heimelijk ook de hoop, dat dit systeem nu in elkaar zou storten maar dat is duidelijk niet gebeurt. Landen waar alle zorg van de overheid komt het ik voorlopig ook niet beter zien presteren op het uitbreiden van de IC capaciteit en het verzorgen van de slachtoffers als wij.

  2. 2

    @1: Maar een goede zakenrelatie met die Chinezen opbouwen zodat je niet belazerd wordt als je te Hollands krenterig bent, vraag sowieso en zeker nu teveel van ons Hollandse ongeduld.

    Je smijt ook met honderdjaarintervallen, waar heb ik dat eerder zien misgaan? O ja, bij het hoogwater van door regen gevoede rivieren.
    Juist dankzij de privatisering moet alles asap geld opbrengen, gaan we tot het gaatje en is er nada reserve als het mis gaat.

    Enfin.
    Het onderwijs.
    Je kunt wel van alles anders gaan organiseren en als we vooral die op de beleefwereld van tieners gerichte, maar verder nutteloze pretstudies kunnen wegsaneren is er zeker al wat gewonnen, maar feit blijft dat je voor de klas en voor de webcam mensen nodig hebt die ook een boterham moeten eten en ergens moeten wonen. Lerarensalarissen moeten daarom omhoog en vergeet dan ook de AiO’s niet. Dat door de overheid onderhouden instellingen meedoen aan die academische uitbuiting van onbetaalde stages is immers onacceptabel.

  3. 3

    @1: “We hebben gezien dat onze private zorg in dit extreme geval prima de zaak aan kan”
    In tegendeel, we hebben gezien dat die het helemaal niet aankon. Er was in de zorg een tekort aan van alles (testkits, mondkapjes, beademingsapparatuur), de staat heeft uiteindelijk gigantisch moeten bijspringen en de alle andere zorg is vrijwel totaal stil komen te liggen.

  4. 5

    Elke bedrijfstak kan rendabel worden als de overheid daartoe verplicht.
    De overheid kan zelfs de klompen-industrie weer tot leven wekken als we verplicht klompen moeten kopen.

    Maar de auteur bepleit de subsidie van ICT-bedrijfjes.
    [quote]Een bloeiende bedrijfstak van kleine en middelgrote bedrijven die in allerlei varianten ICT-lespakketten aanbieden (zodat onderwijsinstellingen voldoende keus hebben) kan alleen ontstaan wanneer onderwijsinstellingen worden verplicht zeg een kwart van het onderwijsbudget extern te besteden.[quote]

    De vraag of het onderwijs beter wordt met software, en wat voor software dan nodig is, wordt niet beantwoord.

  5. 6

    @5: ik bepleit helemaal geen subsidie, alleen dat een gedeelte van de gelden die onderwijsinstellingen van de overheid krijgen (en dus van de belastingbetaler), extern besteed moet worden; en dan naturlijk niet aan soort uitzendbureaus waar ze goedkope arbeidskrachten kunnen inhuren).

    Wat voor software nodig is, hoef ik niet te bepalen; dat moeten de onderwijsinstellingen zelf doen

  6. 7

    @6: Die externe besteding laten de scholen aan de (ouders van de) scholieren, door hen elk jaar een nieuwe druk van het lesmateriaal op te dringen. Ik kan me nog goed herinneren hoe braaf precies de moeders op de boekenmarkt waren. Terwijl de docenten al jaren met hun oude druk werkten, want daar stonden hun aantekeningen in. Dat doorzie je ook pas wanneer het er voor jou niet meer toe doet.
    Tegenwoordig valt er qua privacy nogal wat op de software af te dingen. Uitgevers hebben nog steeds vrij spel omdat de schoolbesturen die die beslissingen moeten nemen er vaak de ballen van snappen. Ze komen dan niet verder dan hun IT-dienstverlener en die adviseert wat hem zelf het beste uitkomt.

  7. 8

    @6: U vindt het geen subsidie als de overheid bepaald dat gemeenschapsgeld aan de ICT-sector besteed worden moet.

    Ik wil het ook wel “verspilling” noemen als geld besteed wordt omdat het moet, en niet op basis van wat het oplevert.

  8. 9

    @7: Ik denk dat om te beginnen scholen moeten bedenken waarvoor ze software nodig hebben.

    Ik kan mij voorstellen dat het handig is als roosters op een web-site te vinden zijn, en dat resultaten van toetsen opgeslagen worden.
    (vroeger berekenden docenten zelf de rapportcijfers, en dan rondden ze af op basis van hun inschatting van “inzet” e.d.
    Maar als een docent dan zijn agenda kwijtraakte, was er een probleem).

    Maar dat zijn geen maatregelen waardoor opeens veel minder tijd nodig is voor onderwijs.
    Het lijkt mij sterk dat er software bestaat die zorgt dat een docent 25% minder tijd kwijt is.

  9. 10

    @8: Nu bepaalt de overheid de facto dat het belastinggeld volledig wordt besteed aan het loon van onderwijskrachten (die in het basisonderwijs te weinig en op de universiteit teveel worden betaald)

    Als u over roostering begint, vermoed ik dat u mijn artikel niet goed heeft begrepen

  10. 11

    @10: Het verschil tussen “te weinig” en “te veel” is in sommige gevallen knap klein:
    Basisonderwijs: https://ambtenarensalaris.nl/wp-content/uploads/2019/08/salaristabellen_cao_po_per_1_juli_2019.pdf
    Universiteit: https://ambtenarensalaris.nl/wp-content/uploads/2019/08/Salarisschalen-per-1-feb-2019_universiteiten.pdf

    Als gepromoveerd docent word je op de universiteit in schaal 10 ingeschaald. Ik geef toe dat die significant hoger ligt dan schaal 10 in het basis-onderwijs, maar als dat het verschil is tussen “veel te veel” en “veel te weinig” vind ik het knap dicht op elkaar liggen.

    Ik weet dat er ook functies op de universiteit zijn die beter betalen, maar ik vergelijk hier pure onderwijsfuncties in het basis-onderwijs en universitair onderwijs.

  11. 12

    @11: Dat lijkt mij geen juiste vergelijking. Want iemand in het basisonderwijs in schaal 10 blijft in die schaal, tenzij er managementtaken bij komen, terwijl op de universiteit de mensen doorstromen naar 12. En nog hoger als ze ook onderzoek kunnen doen.
    Bovendien is onderwijs geven op een basisschool veel zwaarder dan die paar uurtjes lesgeven op de universiteit.
    Maar mijn artikel gaat natuurlijk over andere zaken

  12. 13

    @12:
    Ik snap dat het niet over de onderlinge verhouding van inkomens in delen van het onderwijs gaat. Maar het gaat toch wel over inkomens van onderwijspersoneel, dacht ik. Die komen over de hele linie al jaren tekort. En ik zie daarin nog geen verbetering.

    Je bepleit een verschuiving van het onderwijsbudget van vast onderwijspersoneel naar ICT-bedrijfjes met ‘overwegend voormalige docenten’. Hoeveel gaan die verdienen? Krijgen ze een vast contract? Of worden ze toegevoegd aan het leger van zzp’ers en andere mensen met onzekere inkomens in de ICT die nu wakker liggen van de gevolgen van de coronacrisis? In het laatste geval past je plan uitstekend in de trend om bestaande banen te vervangen door los werk, goedkoper voor de werkgever en met minder zekerheid voor de werknemer.

  13. 14

    Ik bepleit een KLEINE verschuiving (max. een kwart) van het onderwijsbudget van intern onderwijspersoneel naar ICT-bedrijfjes met ‘overwegend voormalige docenten’. Het lijken voor de buitenstaander accentverschillen maar de consequenties kunnen groot zijn.
    Door ICT-onderwijspakketten in te kopen worden onderwijskrachten ontlast van allerlei vervelende onderwijsactiviteiten. Zoals scholieren en studenten bepaalde basisvaardigeheden bijbrengen. Bij sommigen gaat dit heel vlot terwijl andere scholieren eindeloos moeten oefenen (vaak per vak verschillend). Daarom moet dit soort onderwijs geindividualiseerd worden en dat kan bij ICT heel goed.
    De kern van mijn boodschap is dat het onderwijs niet langer compleet afhankelijk moet blijven van louter het eigen onderwijspersoneel.

  14. 15

    @9: Het invoeren van de leerlingendata zal eerder 25% méér tijd kosten…

    (Ook qua lesroosters is er wel wat op die digitalisering af te dingen. Ik weet dat het vroeger een wekenlang gepuzzel voor de conrectoren was, maar ze verstonden hun vak en de lesroosters hadden vrijwel geen tussenuren. Kom daar nu eens om, zijn we dat gesteggel over die ophokplicht alweer vergeten?)

  15. 16

    Nogmaals: het gaat helemaal niet om inroostering e.d. Was ik dan zo onduidelijk? Gelieve kennis te nemen van de literatuur die ik noem aan het eind van mijn artikel, bij NB.

  16. 17

    @16: Inderdaad had u het niet over roosters, maar over software die tijd van docenten besparen zou.

    Maar welke software zoveel tijd bespaart, dat het loont om 25% van het budget hieraan te besteden, is mij niet duidelijk.

    Software kan (in sommige testjes) meteen vertellen of een antwoord goed is. Voor routine-oefeningen (werkwoorden vervoegen en simpele sommetjes) kan het dus een beetje helpen.
    Maar als de software niet goed uitlegt waarom een antwoord verkeerd is, werkt dat ook niet motiverend.

    Er is ook leuke software:
    kinderen kunnen bijv. op een computer een melodietje programmeren.
    Ik vind het wel misleidend als zo’n programma een gitaar toont, en de toonhoogtes niet kloppen met de fretten.

    Ook bij natuurkunde is het mogelijk om software te schrijven die foute simulaties uitvoert.

    (Overigens denk ik dat een docent geen expert in ICT hoeft te zijn om te beoordelen of software geschikt is.
    Sterker nog, software die alleen door een expert in ICT gebruikt worden kan, lijkt mij te ingewikkeld voor de leerlingen.)

  17. 19

    @14: ik had je boodschap wel begrepen. Mijn vraag was of die outsourcing niet net als overal elders in de praktijk neerkomt op loondaling en verlies van rechten van werknemers

  18. 20

    Achteraf had ik de term uitbesteding, dus outsourcing, beter niet kunnen gebruiken. Ik had beter kunnen verwijzen naar de huidige ‘toeleveranciers’: de uitgeverijen die leerboeken produceren en distribueren. Vermoedelijk wordt daar goed verdiend en hebben de werknemers redelijke rechten. Ik pleit voor een tweede categorie toeleveranciers waar ICT-leerpakketten worden ontwikkeld, die niet door de scholieren en studenten worden aangeschaft (zoals bij de leerboeken) maar door de onderwijsinstellingen zelf.