O Brother, Where Art Thou?
26 jaar geleden kwam deze geweldige film uit die zich afspeelt in het landelijke Mississippi in de zomer van 1937. De film volgt drie ontsnapte gevangenen die op zoek zijn naar een verborgen schat, en hun ontmoetingen met tal van uiteenlopende mensen. Het verhaal is een moderne satire die losjes gebaseerd is op Homerus epische Griekse gedicht De Odyssee.
And for all you woke, liberal, treehuggin hippies, just sit back and click them play button.
Man of Constant Sorrow.
Down to the River to Pray.
Reacties (3)
Kijk eens aan broer, hebben we toch nog wat gemeenschappelijk! Wat een smakelijke, humoristische film is dat toch: vol zelfspot en optimisme.
En dan moet je bedenken dat dit zich afspeelt tijdens de Grote Depressie. Maar als je die film ziet, lijkt Mississippi een soort wonderlijk sprookjesland, vol komische en soms mythische figuren, en doldwaze quasi-gevaarlijke situaties waar onze stuntelende protagonisten steeds weer slechts met wat kleerscheuren uit weten te ontsnappen.
Wat me trouwens niet eerder was opgevallen: waar de aalgladde babbelaar Everett* hier herhaaldelijk struikelt over het woord ‘accompanist’, krijgt de dommige en agressieve Pete het in één keer uit z’n strot, al spreekt ‘ie het onjuist uit (“All except for our accompa.. nuhst.”)
Dat soort subtiele knipogen, daarmee tonen de gebroeders Coen hun meesterschap in het scriptschrijven.
–
* Ulysses Everett McGill: “Well, I don’t want FOP, goddammit! I’m a Dapper Dan man!”
Sir, we are Negroes. All except our a-cump- uh, company-accompluh- uh, the fella that plays the gui-tar…..
Dit was mijn film van 2000, gewoon geweldig. Grappig dat jij hem ook zo goed vindt.
Trouwens eind volgende week komt er wel weer een lhbt artikel….. ;) hehe.
Dapper Dan.
Zelf doe ik als hobby wat aan amateurtoneel, maar dat lijkt me dus nog verrekte lastig: om zo’n woord bewust verkeerd uit te spreken op zo’n manier, dat het natuurlijk klinkt, ipv gekunsteld.
Acteren (en ook regisseren) is wat dat betreft niet alleen een kunstvorm, maar ook een ambacht, waar je talent voor moet hebben.
Terzijde: Onlangs kwam me een clipje ter ogen uit Dead Man (1995) van Jim Jarmusch met een eveneens Coen-eske situatie, maar wat me meteen opviel is hoe subtiel geforceerd de interactie tussen Johnny Depps personage en diens Indiaanse kompaan ‘Nobody’ (Gary Farmer) klinkt.
Veel van die films worden later nog eens door de acteurs zelf in de geluidsstudio nagesynchroniseerd omdat het oorspronkelijke geluid teveel ruis heeft, en ik vermoed dat er bij het regisseren daar enige urgentie om het natuurlijk te laten klinken heeft ontbroken.
Aan de andere kant: Shark Tank-ondernemer Kevin ‘O Leary beweert dat ‘ie geen toneellessen heeft gevolgd in voorbereiding op zijn rol als rijke zakenman Milton Rockwell in Marty Supreme (2025) en als je hem bezig ziet, lijkt hij een verbluffend natuurtalent, een geboren acteur gewoon.
In een interview met The Morning Show onthulde O’Leary iets over het productieproces: terwijl de regisseur de acteurs begeleid, zat de medeschrijver en co-producent van de film ergens elders (in een tent) de gemonteerde beelden te beoordelen en feedback te geven. Maar daar zat natuurlijk een vertraging in, en die gebruikte regisseur Josh Safdie om opeenvolgende opnamen van dezelfde scène te draaien.
Het kan dus wel, onervaren acteurs gewoon zichzelf laten spelen en dan zo coachen dat ze al improviserend natuurlijk overkomen. Wonderlijk, maar fascinerend.