Wie is de werkelijke vijand?

Veel Europese steden worstelen met dilemma’s bij het tegengaan van radicalisering. Frank Bovenkerk en Floris Vermeulen onderzochten hoe men daarmee omgaat. Hun les: koppel de aanpak van islamitisch extremisme niet te snel aan algemeen integratiebeleid.

De sociale stabiliteit van onze samenlevingen kent sinds het begin van de 21ste eeuw een nieuwe bedreiging: de islamitische terrorist. Dergelijke terroristen kan men niet altijd als buitenstaanders of een ‘extern probleem’ zien, omdat zij vaak in diezelfde westerse samenlevingen zijn opgegroeid. Overheden hebben in het algemeen op twee manieren gereageerd op dit ‘gevaar van binnenuit’: allereerst door anti-terreurmaatregelen te nemen die specifiek gericht zijn op verdachte moslims en in de tweede plaats door contact te zoeken met islamitische organisaties. Er zijn echter grote verschillen in de manier waarop steden dit contact in de praktijk vormgeven.

Onderzoek naar de typische eigenschappen van de terrorist laat zien dat het meest opvallende kenmerk is dat hij zo normaal is. Hét terroristenprofiel bestaat niet, of het is in elk geval nog niet ontdekt. Onderzoek naar het radicaliseringsproces stuit op het probleem dat in het Westen het absolute aantal werkelijke terroristen zo laag is dat er nauwelijks iets algemeens te zeggen valt over hun eigenschappen en de weg die ze hebben afgelegd. Er bestaan ook ongewenste neveneffecten van onderzoek naar extremisten en terroristen. Bij etnische profilering wordt een hele categorie mensen als verdacht beschouwd. Dit ondermijnt het principe van gelijke behandeling en gaat ten koste van de bereidheid van de betreffende groepen om samen te werken met de overheid.

Moslimgemeenschap

Het in korte tijd creëren van een effectief netwerk van informanten en informatie door de geheime diensten was aanvankelijk niet eenvoudig. Slechts een zeer klein aantal medewerkers sprak Arabisch of andere relevante talen. De groep die bekend was met het politieke landschap van de Arabische wereld en de immigrantenpopulatie was nog kleiner.

Uit onderzoek blijkt eveneens dat het aantal actieve terroristen erg klein is, terwijl de groep van personen met radicale ideeën die zich tot terroristen kunnen ontwikkelen enkele procenten van de moslimbevolking kan uitmaken. De groep van radicalen en fundamentalisten waar deze extremisten oorspronkelijk toe behoorden, is nog groter. Dit heeft ertoe geleid dat de islamistische veiligheidsdreiging wordt voorgesteld als een piramide, met een paar terroristen bovenaan en een basis die bestaat uit de gehele moslimbevolking.

Met als ongelukkig resultaat dat de hele moslimgemeenschap als een (potentieel) veiligheidsrisico is bestempeld.

Dilemma’s

De autoriteiten in Europa zijn doorgaans geneigd om (gewelddadig) extremisme te zien als een probleem van de (gebrekkige) integratie van de islam of moslims in Europese samenlevingen. Daarom koppelen ze het antiterrorismebeleid aan algemenere maatregelen op het gebied van de integratie van islamitische immigranten. Dit plaatst de autoriteiten voor dilemma’s die nog ingewikkelder zijn: over representativiteit, over het bepalen wie ‘de vijand’ is, over het kiezen van geschikte partners en over de modus operandi. De standpunten die autoriteiten innemen hangen gedeeltelijk af van de manier waarop ze de aard van de dreiging van gewelddadig islamitisch extremisme zien. De Britse onderzoeker Yahya Birt onderscheidt hierbij twee benaderingen.  Een op waarden gebaseerde benadering (‘value-based approach’) stelt religieuze factoren centraal bij de verklaring voor het terrorisme. Het uiteindelijke doel is om de islam in Europa uiteindelijk meer in overeenstemming te brengen met ‘westerse’ normen en waarden. Een op middelen gebaseerde benadering (‘means-based approach’) ziet het islamitisch terrorisme vooral als een sociaal-politieke beweging en meent dat persoonlijke omstandigheden doorslaggevend zijn voor hen die de route naar gewelddadig terrorisme kiezen. De resultaten van de samenwerking tellen zwaarder dan het eens zijn over normen en waarden.

In de meeste steden is een mix van een op middelen gebaseerde en een op waarden gebaseerde benadering te zien. Door orthodoxe en (voormalige) extremistische individuen bij zijn radicaliseringsbeleid te betrekken, laat Amsterdam bijvoorbeeld een pragmatische houding zien. Tegelijkertijd wordt extremisme (tenminste deels) als een religieus probleem beschouwd en probeert men daarom (extra) steun te bieden aan ‘gematigde’ islamitische organisaties. Misschien kan het duidelijkste voorbeeld van een op middelen gebaseerde benadering worden gevonden in Berlijn, waar men de samenwerking boven alles beoordeelt op de relevantie en effecten voor de beleidsdoeleindenAntwerpen en Parijs lijken vooral een op waarden gebaseerde benadering te hanteren.

Dilemma 1: representativiteit

Autoriteiten die een op waarden gebaseerde benadering hanteren, zullen vooral streven naar samenwerking met (of steun aan) ‘gematigde’ islamitische organisaties. Ze maken zich niet veel zorgen om de representativiteit van de islamitische partner, het gaat hen alleen om de ideologie. Dit kunnen we inderdaad zien in Antwerpen en Parijs. Aan de andere kant wordt in Berlijn en Londen een evenwichtige en brede vertegenwoordiging van de moslimgemeenschap van groot belang geacht, omdat de autoriteiten hiermee toegang tot de doelgroepen kunnen krijgen. Amsterdam vormt hier een uitzondering, omdat de autoriteiten dit dilemma lijken te omzeilen door samen te werken met individuele islamitische actoren, die orthodox of zelfs (voormalige) extremisten kunnen zijn, maar die niet bij een organisatie zijn aangesloten. De autoriteiten weten niets over de representativiteit van deze personen, wat de vraag oproept of ze dan wel echt de doelgroep bereiken.

Dilemma 2: bepalen wie de werkelijke vijand is

Autoriteiten die een op waarden gebaseerde benadering volgen, zijn geneigd om een ruime definitie van de vijand te hanteren. In Antwerpen en Parijs worden de niet-gematigden – en dit is een groot deel van de lokale moslimbevolking – als vijand en als ongeschikte partner beschouwd. Lokale autoriteiten in Amsterdam geven tegenstrijdige signalen. Aan de ene kant zeggen ze niet expliciet wie de vijand is en werken ze samen met orthodoxe of (voormalig) radicale individuen. Aan de andere kant worden lokale moskeeën die als orthodox of radicaal worden beschouwd openlijk bekritiseerd door het Amsterdamse bestuur. In Berlijn voert men in vergelijking met de andere steden een heel open debat over de vraag wie de vijand is. De vijand  wordt er heel ‘smal’ gedefinieerd: weinig organisaties worden echt uitgesloten.

Dilemma 3: het vinden van geschikte partners

Wie als geschikte partner wordt beschouwd, hangt natuurlijk sterk af van de definitie van het begrip vijand. Toch spelen ook lokale factoren een rol, zoals in Amsterdam, waar de relatie met religieuze organisaties wordt bemoeilijkt door verhitte en principiële debatten over de scheiding van kerk en staat. De conclusie van die debatten is dat geen enkele organisatie geschikt is. Anders dan in Berlijn, waar er een breed scala aan partnerschappen, zowel met ‘gematigde’ als met orthodoxe of fundamentalistische organisaties.

Dilemma 4: modus operandi

Steden die een op middelen gebaseerde benadering hanteren, krijgen te maken met het dilemma van de modus operandi. Dit dilemma geldt niet voor steden met een op waarden gebaseerde benadering (zoals Parijs en Antwerpen), omdat samenwerking met orthodoxe of extremistische organisaties hier helemaal niet voorkomt. Het is overduidelijk dat de autoriteiten in Londen met dit dilemma worstelen. In Amsterdam hebben de autoriteiten dit dilemma geprobeerd te vermijden door enerzijds geen enkel debat te verbieden maar anderzijds ook niet bij die discussies betrokken te raken. In Berlijn gaat men op een heel interessante manier met dit dilemma om. Hier gingen de autoriteiten in debat met orthodoxe en (potentieel) radicale en extremistische organisaties, maar achter de gesloten deuren van het besloten ‘Berlijn islamforum’. Op deze manier kon worden gereageerd op extremistische ideeën, zonder dat men bang hoefde te zijn dat hierdoor de invloed van die ideeën daardoor zou toenemen.

Hoe dan wel?

Analyseer het dreigingsniveau zo goed mogelijk en koppel de reactie aan het niveau van de dreiging.  Sta daarbij kritisch tegenover de veronderstelde relatie tussen gewelddadig islamitisch extremisme en marginalisering van de islam en/of moslims in Europese steden. Er van uitgaan dat deze relaties automatisch bestaan is stigmatiserend voor de moslimbevolking, terwijl er weinig bewijs voor is. In lijn hiermee is behoedzaamheid op zijn plaats bij het koppelen van beleid tegen gewelddadig islamitisch extremisme aan algemeen integratiebeleid.

Het vinden van representatieve partners zal altijd moeilijk zijn en ze zullen nooit helemaal representatief voor hun gemeenschap zijn. Door niet samen te werken met religieuze organisaties – of alleen samen te werken met zogenaamde gematigde organisaties – kunnen ongewenste neveneffecten ontstaan: de groep kan bijvoorbeeld afgezonderd raken van de samenleving, wat tot verdere gevoelens van frustratie, boosheid en uitsluiting kan leiden.

Hanteer een nauwe definitie van het begrip vijand om geen groepen en individuen uit te sluiten die fundamenteel anders denken dan de samenleving om hen heen. Autoriteiten dienen zich er echter wel bewust van te zijn dat vermoedelijke extremisten de samenwerking kunnen gebruiken om meer politieke invloed te verkrijgen. Indien er weinig ontwikkeling of vooruitgang in de discussie zit, is het daarom soms beter om de samenwerking helemaal te beëindigen. Ook kunnen hun standpunten zoveel negatieve aandacht trekken dat dit weer leidt tot meer stigmatisering en uitsluiting van de andere betrokken islamitische actoren. Misschien is daarom de Berlijnse benadering, waarbij deze vormen van contact en debat achter gesloten deuren plaatsvinden, wel de beste oplossing.

In plaats daarvan lijkt het voor het definiëren van de vijand en het kiezen van geschikte partners beter om zelf contacten te leggen met verschillende organisaties. Tegelijkertijd lijkt de op individuen gerichte benadering van de Amsterdamse autoriteiten, waarbij religieuze organisaties van elke vorm van samenwerking worden uitgesloten, niet de beste weg te zijn. De persoonlijke netwerken van de individuele, niet aan een organisatie verbonden sleutelfiguren zijn uiteindelijk vaak te klein en nog minder representatief dan de netwerken van organisaties binnen hun gemeenschappen.

Dit kan voor de autoriteiten een van de moeilijkste dilemma’s zijn. In principe lijkt de steun aan een open debat waarin ook verschillende extremistische stemmen te horen zijn, de beste optie. Deze stemmen maken nu eenmaal deel uit van de bestaande ideologieën in de stad. Autoriteiten zouden zelfs meer belang kunnen hebben bij het contact met dit soort groepen, omdat het de groepen zijn die ze het meest vrezen. Het is ook belangrijk dat deze extremisten worden geconfronteerd met de politici om hen en hun eventuele achterban te laten weten dat ze niet automatisch worden uitgesloten door de politieke elite.

Frank Bovenkerk is bijzonder hoogleraar aan de FORUM Frank Buijs leerstoel Radicalisering Studies, Floris Vermeulen is assistent professor aan de afdeling politieke wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam en mededirecteur van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES). Dit is een ingekorte versie van hun onderzoeksrapport Engaging with violent islamic extremism, FORUM, Instituut voor Multiculturele Vraagstukken, juni 2012 .

Foto flickr cc TijsB

  1. 2

    Onder welke wetenschap valt dit eigenlijk. Ik ken geen wetenschappen waarbij de methodologie het toelaat om vragen te stellen als “Wie is de vijand?” (zie ook dilemma 2).

  2. 4

    Visie op radicalisering slaat een 180 graden om, afhankelijk van hoe je b.v. Lockerby, Madrid, Londen, en 11 sept ziet.
    Het bovenstaande artikel is van twee figuren die voor wetenschappers doorgaan.
    Straalmotoren hebben als brandstof kerosine, in feite petroleum.
    Nog nooit smolt een straalmotor.
    Maar op 11 sept lukte het wel om met een petroleumvuur ijzer te smelten.
    De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

  3. 5

    Sinds Twente een professor huishoudboekjes heeft is de vraag naar wat wetenschap is zinloos geworden.
    Maar missschien begon dat al toen het vak politicologie werd uitgevonden.
    Hoewel, sociologie wordt ook al voor journalistiek gehouden.

  4. 6

    De berichten dat de man die o.a de joodse kinderen doodschoot undercover voor de Franse geheime dienst werkte haalden niet het Nederlandse nieuws.
    Of het waar is zullen we uiteraard nooit weten.