Post-atheïst | Oude koran, jonge islam

ACHTERGROND - Arabieren, dat waren die nomaden uit het zuiden. Soms migreerde een stam naar het noorden, en die vestigde zich dan in de grensprovincies van het Romeinse Rijk of in Mesopotamië, waar de Perzen de macht hadden. Voor Romeinen en Perzen waren de Arabische stammen nuttige militaire bondgenoten en dat was dat. Geen Romein of Pers verdiepte zich in de Arabische cultuur, maatschappij of religie. De Arabieren waren marginaal. Althans, zo was het rond 630.

Twintig jaar later strekte het rijk van kalief Othman zich uit van Tunesië tot Afghanistan. Het Perzische Rijk bestond niet langer, het Romeinse was gehalveerd. De Grieks-Romeinse cultuur was ten einde gekomen, de islamitische beschaving ontluikte.

Arabische veroveringen

Hoe kan zoiets gebeuren? Sommige hedendaagse moslims zullen het antwoord  geven dat destijds ook werd gegeven: de islam was nu eenmaal superieur en God steunde de zijnen. Het echoot soms nog door in de wetenschappelijke literatuur, bijvoorbeeld als Hugh Kennedy in 2007 in de proloog van zijn The Great Arab Conquests wijst op de onverstoorbare doodaanvaarding van de Arabische krijgers. Eigenlijk is dat een uitglijdertje in een overigens uitstekend boek, want Kennedy wijst vooral op andere verklarende factoren. Religie speelde een ondergeschikte rol en het is geen toeval dat hij het in de titel heeft over Arabische veroveringen, want de meeste inwoners van het kalifaat waren geen moslims. De islam was als religie nog volop in ontwikkeling.

Wat Kennedy wél belangrijk vindt, is dat de Romeinse en Perzische wereldrijken zichzelf in een lange oorlog hadden gesloopt. Kennedy is niet de enige die er zo over denkt. Archeologen concludeerden in de jaren zeventig dat de Romeinse steden in het Midden-Oosten al ten onder waren gegaan vóór de Arabische veroveringen. De Arabieren werden een vacuüm binnengezogen, en niet door een nieuwe religie het Arabische Schiereiland uitgeduwd.

De vroege islam

Wat was dat bovendien van religie? Tot 750, toen een burgeroorlog uitbrak onder de Arabische heersers, schoof de buitengrens van het kalifaat ieder jaar zo’n vijfenzestig kilometer op. Het jonge wereldrijk groeide sneller dan de geloofsleer zich ontwikkelde en het is al heel lang bekend dat het idee van één islamitisch rechtsstelsel en één islamitische geloofsleer pas in de achtste eeuw ontstond. Toen werden ook de anekdotes over het voorbeeldige leven van Mohammed voor het eerst opgeschreven. De formatieve periode van de islam begon pas toen het kalifaat al een eeuw bestond en zich uitstrekte van Tajikistan tot Portugal.

Slechts weinigen zullen tegenspreken dat de islam zich later ontwikkelde dan het Arabische wereldrijk. Ook behoudende moslims erkennen het, al zeggen zij niet dat de islam zich in de achtste eeuw vormde, maar dat belangrijke aspecten van het geloof pas toen werden herkend.

De onomstreden constatering dat het geloof pas rond 750 uitkristalliseerde heeft echter een vérstrekkende implicatie: dat de mogelijkheid bestaat dat de islam een achtste-eeuwse nieuwvorming is. Bestond Mohammed wel? Hoe betrouwbaar zijn al die anekdotes over zijn leven? Was er een Koran in de eerste jaren van de Arabische expansie? Wat was de islam van geloof voordat het werd geïnstitutionaliseerd? Wat geloofden de leiders van de Arabische expansie?

Eén antwoord is alvast niet mogelijk: Mohammed was niet de eerste die de Arabieren vertelde dat er maar één God was. Veel van zijn volksgenoten waren al monotheïstisch: joods, zoals het koninkrijk Himyar en enkele stammen langs de Wierookroute; christelijk, zoals in Syrië en Mesopotamië; of nog anders, zoals de aanhangers van de Al-Hums-hervormingen in Mekka, waarop Marcel Hulspas onlangs de aandacht vestigde.

Donners hypothese

Omdat het monotheïsme al voet aan de grond had op het Arabische Schiereiland, ja misschien zelfs dominant was, heeft de Amerikaanse onderzoeker Fred Donner erop gewezen dat de tekst van de Koran, waarin de nadruk zo sterk ligt op het feit dat er maar één God is, wel eens ouder zou kunnen zijn dan de islam. Die hypothese is curieus en werd aanvankelijk onthaald op beleefd stilzwijgen; ze druist immers in tegen alles wat we meenden te weten over de vroege islam. Tegelijk is een doorslaggevend tegenargument moeilijk te vinden. Persoonlijk denk ik niet dat Donner gelijk heeft, maar mijn enige argument is dat ik vermoed dat de traditie niet helemáál zonder waarde zal zijn. In feite is dat dus een beroep op intuïtie en zoals bekend zijn Fingerspitzengefühl en gut feeling geen werkelijk betrouwbare methoden.

Donners hypothese zou zijn vergeten als de laatste tijd niet enkele oude Koranhandschriften waren gedateerd met de koolstof-14-methode. Vorige week kwam in het nieuws dat een manuscript uit Birmingham met 95% zekerheid dateert uit de jaren tussen 568 en 645. Aangezien Mohammeds optreden traditioneel tussen 610 en 632 wordt gedateerd, is de Donner-hypothese ineens actueel.

Natuurlijk kwam er kritiek. Eén tegenargument is dat het moment is gedateerd waarop het dier stierf waarvan het perkament is vervaardigd, en dat er tussen het prepareren en het beschrijven van de huid tijd kan zijn verstrijken. Dat kan, al lijkt het mij kras dat de eerste gelovigen de Koran schreven op oud perkament. Wie het antwoord krijgt geopenbaard op de ultieme vraag over het leven, het universum en alles, schrijf dat niet op kringlooppapier. Een andere tegenwerping is dat het handschrift een aanzienlijk jongere indruk wekt – maar ja, “wekt de indruk” valt in de categorie Fingerspitzengefühl en gut feeling.

Dat niet iedereen zich gemakkelijk voelt bij een datering die de Donner-hypothese mogelijk maakt, blijkt uit de publicatie van een ander handschrift, dat bekendstaat als Sana’a 1: er is 95% kans dat het stamt uit de periode 578-669, maar de betrokken wetenschappers vermeldden als datering “the period before AD 671 with a probability of 99%”. Met deze formulering leidden ze de aandacht er vakkundig van af dat het manuscript zou kunnen dateren van vóór het openbare optreden van Mohammed.

Hoewel sommigen dus proberen de aandacht van de Donner-hypothese af te leiden, lijkt het mij vooralsnog geen serieuze concurrent voor het traditionele beeld dat de Koran de openbaring aan Mohammed bevat. Donners hypothese is weliswaar niet onlogisch en wordt door de recente dateringen ook niet weersproken, maar er zijn ook weinig argumenten die er vóór pleiten.

Crones hypothese

We hebben dankzij de datering echter wel een andere zekerheid gewonnen: het idee kan van tafel dat de Koran pas is ontstaan in de achtste eeuw, zoals werd geopperd door de onlangs overleden Patricia Crone, die erop wees dat toen ook de verhalen over de profeet voor het eerst werden verzameld.

De recente Korandateringen betekenen, heel simpel, dat we nu zeker weten dat de tijd waarin de openbaringen mondeling werden doorgegeven, veel korter heeft geduurd dan Crone c.s. aannamen. Sterker nog, het is vanaf nu aannemelijk dat zo’n periode er nooit is geweest. Ik zet mijn geld erop in dat toekomstig onderzoek duidelijk zal maken dat de Koran inderdaad dateert uit de jaren van Mohammeds optreden, dat ze vrij snel op papier is gezet en dat het verhaal waar is dat de standaardeditie rond 650 is ontstaan.