Goed volk | De verdampte heilige (2)

Het eerste deel van dit artikel eindigde met het feit dat op 11 juni j.l. onder de toren van de oude Jeroenskerk in Noordwijk op aanwijzing van een paragnost twee schedels waren gevonden waarvan er één van Sint-Jeroen zou zijn. De betreffende paragnost bleek helaas niet helderziend genoeg om te vertellen welke van de twee schedels aan Jeroen had behoord, maar had misschien zijn dag wel niet.

Hierover zo meteen meer. Ik laat het nu even bij het feit dat de schedels momenteel wetenschappelijk worden onderzocht door IDDS Archeologie in Noordwijk, die ook de opgraving zelf verrichtte en pas na de zomervakantie de uitkomsten bekend kan maken. We gaan eerst kijken naar de negentiende-eeuwse opleving van de Jeroen-bedevaart in Noordwijk en de wetenschappelijke publicaties die daarvan het gevolg waren.

Opleving van de Jeroencultus

Zoals we in het eerste stuk zagen hebben de relieken van Sint-Jeroen gerust in de abdij van Egmond tot deze in 1573 werd verwoest. (De huidige abdij met die naam dateert uit de jaren dertig.) Er kwam een einde aan de pelgrimage. De relieken waren echter naar Haarlem overgebracht en in 1892 werden ze ten geschenke gegeven aan de parochie te Noordwijk.

De oorspronkelijke Sint-Jeroenkerk verviel na de Reformatie aan de protestanten en wordt sindsdien de ‘Oude Jeroenkerk’ genoemd. Ze behoort tegenwoordig aan de Protestantse Gemeente Noordwijk. Opvallend is overigens dat deze kerk zó is gebouwd dat de ondergaande zon op de gedenkdag van Jeroen (17 augustus) langs de as van de kerk valt. Wat dit verschijnsel ook zegt.

Reeds in 1835, dertien jaar vóór de liberale grondwetsherziening van 1848 die de aanzet zou geven tot de periode die men het ‘Rijke Roomsche Leven’ is gaan noemen, werd in Noordwijk een nieuwe Sint-Jeroenkerk gebouwd. In 1892 werd Noordwijk door paus Leo XIII opnieuw tot bedevaartsplaats verheven, waardoor er behoefte ontstond aan een grotere kerk. Op de feestdag van Sint-Jeroen in 1894 werd de eerste steen gelegd van een neogotische kerk, die was ontworpen door de bekende architect Nicolaas Molenaar Sr. Momenteel wordt deze kerk, erkend als rijksmonument, gebruikt door de parochie Sint-Jeroen en Maria ter Zee.

Ups and downs van een processie

De Noordwijkse bedevaarten namen een grote vlucht. Onderdeel hiervan was een bezoek aan het landgoed Calorama (potjesgrieks voor ‘mooi uitzicht’), waar het ‘martelveld’ ligt, de plek waar volgens de overlevering Jeroens hoofd was afgehakt. De niet-rooms-katholieke eigenaren van het landgoed waren zo vriendelijk de bedevaarten toe te staan zolang deze niet plaatsvonden op zondag. (Het landgoed en martelveld zijn overigens op Open Monumentendag (a.s. 8 september) te bezichtigen.)

De processie in Noordwijk (foto Meertens-instituut)

Omdat de belangstelling voor de tochten naar het martelveld na enige tijd terugliep wilde de toenmalige pastoor ze verplaatsen naar de zondag, maar de eigenaar van Calorama wilde op dit punt geen concessie doen, zodat halverwege de jaren zestig de laatste pelgrimage naar het martelveld plaatsvond. Ook de processies door Noordwijk werden achterwege gelaten.

In 1997 werd echter besloten de ceremonie te herstellen in de vorm van een jaarlijkse stille omgang door Noordwijk, de Jeroensommegang, vergelijkbaar met de stille omgang van Amsterdam. Vorig jaar werd het 125-jarige bestaan van Noordwijk als herleefde pelgrimsstad groots gevierd en werd zowaar het martelveld op landgoed Calorama weer bezocht.

Jeroen gaat in rook op

Op de website die aan dit evenement is gewijd, wordt op geen enkele wijze getwijfeld aan de historiciteit van Sint-Jeroen en geen enkele bedevaartganger zal dit waarschijnlijk doen. Wie dat wel deden waren de wetenschappers, die nu eenmaal altijd de lol moeten bederven. Al vanaf het begin van de twintigste eeuw, en mede als reactie op al die devotionele tam-tam uit Noordwijk, onderzochten ze de historische figuur van Jeroen.

Er zijn weinig argumenten voor diens bestaan. Er is een cliché-hagiografie die een paar honderd jaar na zijn veronderstelde dood op schrift werd gesteld. Contemporaine documenten waarin hij voorkomt, bestaan niet of niet meer. De legende zelf komt hoogstwaarschijnlijk uit de mondelinge overlevering. Er zijn relieken, maar die kunnen (zoals we zagen in het eerste stukje) van Jan en alleman afkomstig zijn.

Vlak na de eeuwwisseling is de historicus Petrus Johannes Blok (1855-1929) één van de eersten die de historiciteit van Jeroen ter discussie stelde. Een min of meer fatale klap deelde de mediëvist Otto Opperman in 1923 uit in zijn geschrift ‘Opmerkingen over Hollandsche stadsrechten der XIIIe eeuw – met een aanhangsel over de wording der legende van St Jeroen’. Dit vormde een reactie op kritiek die Opperman had gekregen van de franciscaan B. Kruitwagen, die aanstoot had genomen aan een eerder artikel van Opperman, waarin deze onder meer had beargumenteerd dat het Jeroensfeest was ontstaan uit een verwarring met het feest van de oudchristelijke martelaar Sint-Orion, dat werd gevierd op 16 augustus.

Kon men na de bijdragen van Opperman al niet anders dan concluderen dat Sint-Jeroen, zoals die tegenwoordig wordt voorgesteld, niet heeft bestaan, Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg wierpen in 2005 nog wat olie op het vuur in hun handboek Nederlandse religiegeschiedenis. Op p.93 schrijven zij over in zekere zin gefingeerde heiligen die uit de eigen regio afkomstig waren en voorzagen in behoeften van de lokale bevolking, niet zozeer als voorbeeld voor een christelijk leven maar vooral als wonderdoener (zo werd Jeroen aangeroepen als er iets zoek was). Zulke legenden circuleerden in eerste instantie in de mondelinge cultuur en werden pas later opgetekend.

Bovendien kon een bedevaartsplaats, zoals bekend, bijzonder winstgevend zijn, waardoor de autoriteiten nog weleens een oogje wilden toeknijpen. Even verderop stellen de schrijvers:

Zo zijn er wel meer legenden in omloop geraakt (zoals over Oda in Sint-Oedenrode, Odrada van Alem of Jeroen in Noordwijk) die meestal dienden om een nieuw ontgonnen nederzetting of een bestaande ‘heidense’ plaats te kerstenen. Een willekeurig opgegraven skelet uit een pre-christelijk graf kon daarbij tot reliek worden verheven.

Dit helpt allemaal niet echt om van Sint-Jeroen een historische figuur te construeren. En dan wordt recentelijk, voor de derde keer, de schedel van de heilige gevonden. Door een helderziende nog wel, dus het moet wel waar zijn. Mijn vertrouwen in een positieve uitslag van het onderzoek naar de schedel is echter nihil. Voor wie meer over de soap en sensatie rondom de vondst wil lezen verwijs ik nogmaals naar de website Klopt dat wel?

Waarom een hedendaagse Jeroenverering?

Ik schreef het al: niemand laat zich zijn geliefde heilige zomaar afpakken. Bovendien is de volksdevotie minder geïnteresseerd in feiten en wetenschap. De volkscultuur creëert haar eigen feiten, een poëtische waarheid.

Maar dan is er ook nog een kerkelijk beleid. De verantwoordelijken van de Kerk van Rome begrijpen ook wel dat bijvoorbeeld in de beroemde reliekschrijn in de Dom van Keulen echt niet de overblijfselen liggen van drie personen die bekend staan als ‘de wijzen uit het oosten’. Toch is deze plek een officiële Rooms-Katholieke bedevaartplaats. De kerk erkent deze relieken niet omdat ze waarachtige overblijfselen zijn van heiligen, maar omdat de voorwerpen katalysators zijn voor het christelijke geloof en de christelijke gemeenschap. Soms worden de relieken of verschijningen zelf gewoon overgeslagen. Zo erkent Rome niet de Mariaverschijningen in Međugorje, maar erkent ze de plek wel als een plaats die het geloof in Christus en Maria en de gemeenschap der christenen bevordert.

In 1928, dus vijf jaar na de publicatie van Opperman, wordt in de Haagse Spoorwijk de Sint-Jeroenkerk ingewijd. Na enige tijd leegstand brandde deze in 1991 af. Een beter symbool voor de historische Sint-Jeroen is nauwelijks denkbaar, maar de legendarische Sint-Jeroen is onbrandbaar.