Bloggen in real time

VERSLAG - Debatteren – als blogger vind ik dat niet zo makkelijk. Op Sargasso debatteren we natuurlijk heel veel, maar dan op ‘elektronisch-papier’. En papier is, zoals bekend, geduldig: je kunt rustig nadenken over je argumenten. Je maakt af en toe een voetnoot om je eruditie te bewijzen naar noodzakelijke uitleg die anders de draad van je betoog in de war zou brengen; en met een goed geplaatste hyperlink onder één woord kun je een lange alinea vervangen.

In een debat kan dat niet. Erger nog, debatteren doe je in real time. Je hebt meestal maar een paar seconden om te reageren en soms kun je maar beter niet reageren. Goede timing is essentieel. En het allerergste is dat je niets kan schrappen. Eens gesproken, altijd gesproken. Het enige voordeel van een debat is dat je geen spelfouten kan maken.

Toch ben ik afgelopen zaterdag 13 december – na enig aandringen – naar een ‘debatnacht’ gegaan. Niet alleen om te luisteren maar ook om zelf te discussiëren in een panel. Ook al is schrijven veel makkelijker, het debat blijft toch trekken.

Afgelopen weekend was ik daarom op de Debatnacht in Rotterdam, georganiseerd door Arminius, om te discussiëren over het onvoorwaardelijke basisinkomen. Mijn tegenstander in dat debat was niemand minder dan mijn gewaardeerd collega blogger op Sargasso, Kees Alders a.k. ‘Klokwerk’.

Het neoliberalendebat

Het eerste debat dat ik bijwoonde ging over neoliberalisme [1]. Omdat het Zwarte Pietdebat meer mensen trekt dan zo’n insider-discussie over neoliberalisme was het niet druk. De discussie ging tussen Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting (VVD) en Paul Kalma, oud-directeur van de Wiardi Beckman Stichting (PvdA). Van Schie en Kalma werden beiden geassisteerd door een raadslid uit Rotterdam: George van Gent, oud-gemeenteraadslid van de VVD en Leo de Kleijn van de SP. Het zijn professionele debaters, dat was onmiddellijk duidelijk, die elkaar goed kennen en aan elkaar gewaagd zijn. Gespreksleider Francisco van Jole had moeite om het geanimeerde debat onder controle te houden.

Maar het debat was ook één grote spraakverwarring. Volgens Patrick van Schie is ‘neoliberalisme’ een verzinsel van de SP en andere linkse mensen die hun zin niet krijgen. Neoliberalisme wordt als scheldwoord gebruikt voor alles wat links verfoeilijk vindt.

Volgens Paul Kalma bestaat neoliberalisme wel degelijk en heeft deze ideologie vanaf begin jaren tachtig algemeen post gevat. Toen zijn de veranderingen begonnen die hebben geleid tot de grote economische crisis waar we nu midden in zitten.

Van Schie ontkent dat en beweert dat het neoliberalisme juist een compromis (dus toch geen scheldwoord?) is tussen het klassieke liberalisme dat de staat zo klein mogelijk wil maken (de ‘nachtwakerstaat’) en de sociaaldemocratie die het liefst alles door de staat willen laten doen.

Door alle spraakverwarring bleef onvermeld dat het begrip ‘neoliberalisme’ al in 1938 is bedacht tijdens een congres in Parijs. Op dit congres werd de crisis besproken waarin het liberalisme toentertijd verkeerde. De beurskrach en de daarop volgende Grote Depressie waren het gevolg van teveel liberaal laissez faire. Het negentiende-eeuwse liberalisme was aan vernieuwing toe.

De nieuwe naam voor dat nieuwe liberalisme was het weinig originele neo-liberalisme. Na de Tweede Wereldoorlog werd verder gewerkt aan de constructie van dit neoliberalisme in de Mont Pèlerin Society. Daarna is niet veel meer van het neoliberalisme vernomen. De Mont Pèlerin Society bestaat nog steeds, maar de naam werd door de eigenaren zelf niet meer gebruikt. Al in de jaren vijftig – voordat het een scheldwoord werd – noemen de leden van de Mont Pèlerin Society zichzelf niet meer neoliberaal. De redenen hiervoor zijn niet helemaal duidelijk [2], maar het komt ze waarschijnlijk wel goed uit: een naamloze vijand is moeilijker te bestrijden.

De verwarring tijdens het debat van die avond is typerend voor het neoliberalisme. Wat neoliberalisme is, zal altijd vaag blijven. Dat is natuurlijk ook precies de reden waarom Friedrich Hayek, Milton Friedman en de andere Mont Pèlerin-leden de naam niet meer gebruiken. Het neoliberalisme ging undercover. In Duitsland stond het neoliberalisme bekend onder de naam Ordoliberalisme. Ook die naam wordt niet meer gebruikt.

Omdat het geen negatieve klank heeft zoals neoliberalisme, vermelde Patrick van Schie dit laatste feit, om er mee aan te tonen dat het ‘echte’ neoliberalisme niet asociaal is. Hij sprak het woord nadrukkelijk op zijn Duits uit: Ordoliberalismus.

De ordoliberalen groeperen zich vanaf de jaren vijftig onder de naam Sociale Markwirtschaft. ‘Sociaal, ziet u wel, net als sociaaldemocratie!’ Onbedoeld laat van Schie zo zien dat het neoliberalisme als een kameleon zijn kleur aanpast aan het politieke klimaat waarin het opereert.

Ondertussen zijn veel neoliberale ideeën gemeengoed geworden, zonder dat men zich van de herkomst bewust is. Dagelijks worden we gewezen op de noodzaak om te ‘hervormen’ om de eurocrisis op te lossen. Door deze hervormingen moeten Zuid-Europese landen weer ‘competitief’ worden.

Ook in Nederland en Duitsland worden technocratische hervormingen voorgesteld, die er voor moeten zorgen dat we in de internationale concurrentiestrijd mee kunnen doen. Het zijn de ‘marktdokters’ die quasi neutrale, apolitieke marktoplossingen voorstellen, die altijd pijnlijk zijn. Voor deze hervormingen is dan ook geen alternatief zoals Margaret Thatcher ons al leerde.

Deze ‘hervormers’ zijn de nieuwe ‘progressieven’. Sociaaldemocraten die niet mee willen doen, worden weggezet als ‘conservatieven’. ‘Links’ en ‘rechts’ zouden verouderde begrippen zijn. VVD en D66 zijn als grote voorstanders van hervorming daarom ‘het nieuwe links’. Deze gedaanteverwisseling is kenmerkend voor het neoliberalisme en dit debat was een mooie demonstratie.

Na afloop van het debat bedenk ik wat ik aan van Schie had willen vragen: waarom hij denkt dat neoliberalen hun naam hebben afgezworen. Maar u begrijpt het al, in real time dacht ik daar natuurlijk niet aan, en eigenlijk weet ik het antwoord ook wel.

De rafelranden van de democratie

Daarna ben ik gaan kijken naar de presentatie van het boek Wat te doen met antidemocratische partijen? De oratie van George van den Bergh uit 1936 met Paul Cliteur, René Cuperus, Arendo Joustra en Bastiaan Rijpkema en als ‘tafeldame’ Sandra Phlippen, hoofdredacteur van het economenvakblad ESB.

Het boek is een heruitgave van de bijna vergeten oratie van George van den Berg. Met deze dappere oratie was van den Berg een van de eersten die pleitten voor een verbod op antidemocratische partijen zoals de NSB. Het is een actueel onderwerp, want net als in de jaren voor de oorlog zijn er nu opnieuw partijen die de grenzen opzoeken van de democratie.

Mag je pleiten voor het invoeren van de sharia, of scanderen dat er minder Marokkanen moeten komen zoals Geert Wilders deed? Sandra Phlippen had na afloop van de presentatie van René Cuperus een opmerkelijke vraag aan laatstgenoemde: of hij niet dacht dat een goed functionerende democratie een voorwaarde is voor het kapitalisme? Zij dacht zelf van wel.

De presentatie was voor mij voldoende reden om de heruitgegeven oratie van van den Berg te kopen – misschien wel vanwege die vraag van Sandra. In de inleiding lees ik dat aan de politieke carrière van van den Berg een einde is gekomen door de ‘crisismaatregelen van een van de kabinetten van Hendrik Colijn (Anti-Revolutionaire Partij). Dat kabinet wilde drie procent bezuinigen op de salarissen van ambtenaren in provincies en gemeenten. ‘Van den Berg stemde uiteindelijk onder grote druk [hiermee] in’.

Zo ging bezuinigen in die tijd: ondanks de hoge werkloosheid die het veroorzaakte, werd deflatie van de gulden noodzakelijk geacht om de munt in de goudstandaard te houden. Nergens heeft de crisis zo hard toegeslagen als in Nederland. Nu hebben we de euro en wordt medewerking van sociaaldemocraten gevraagd om de een na de andere pijnlijke bezuiniging erdoor te drukken. Dat zou nodig zijn om de euro te behouden [3]. Plus ça change, plus c’est la même chose [4] zeggen de Fransen – zouden ze daarom niet willen hervormen?

Heel ouderwets alles eerlijk delen

Later in de avond ben ik zelf aan de beurt en mag ik uitleggen waarom ik denk dat het onvoorwaardelijk basisinkomen niet zo’n goed idee is. Hakkelend worstel ik me door het debat heen. Zoals ik had verwacht, is schrijven iets heel anders dan spreken en debatteren.

Ik hoop dat ik een beetje heb kunnen overbrengen waarom het geen goed idee is. Het grote probleem met dit onderwerp is dat mijn argumenten zo ingewikkeld zijn: hoe leg je uit waarom het belangrijk is dat de loongroei gelijk op moet gaan met de productiviteitsgroei? Wat heeft volledige werkgelegenheid daarmee te maken en hoe bereik je die?

Na veertig jaar neoliberaal beleid en neoliberale indoctrinatie, gelooft niemand meer dat dit nog mogelijk is. De verzorgingsstaat is afgeschreven, zelfs door de sociaaldemocraten die regeren met de VVD en nu een ‘participatiesamenleving’ nastreven, wat dat dan ook mag betekenen.

Werkloosheid zal nooit helemaal verdwijnen, maar de meeste mensen willen werken en het rigide controlesysteem dat nu moet worden opgetuigd om mensen weer aan het werk te krijgen, is bij (bijna) volledige werkgelegenheid niet meer nodig.

Het probleem is niet dat mensen niet willen werken, maar dat er geen werk is. Het onvoorwaardelijk basisinkomen is een dure bureaucratische en kunstmatige oplossing die voor nieuwe economische problemen zal zorgen. Ook zal de controle niet verdwijnen, maar zich verplaatsen van de uitkeringstrekkers naar de belastingbetalers, want de belasting zal fors omhoog moeten.

De oorzaak van de werkloosheid moet worden aangepakt: de ongelijke verdeling van dat wat wij als maatschappij produceren. Dankzij de neoliberale revolutie van de afgelopen veertig jaar gaat een steeds groter aandeel daarvan naar het kapitaal en krijgen de arbeiders steeds minder. Klinkt ouderwets misschien, maar daarom is het nog niet conservatief of rechts. Plus ça change …

Ik vrees dat dat allemaal niet is overgekomen in het debat met Kees. Ik neem me voor binnenkort maar weer een lijvig stuk van 2000 woorden te schrijven, desnoods in meerdere delen en met veel voetnoten en links, waarin ik uitleg waarom het basisloon zo’n slecht idee is. Misschien had ik toch maar beter naar de Masterclass overtuigend debatteren kunnen gaan, die eerder die avond werd gehouden.

Mij werd die avond ook duidelijk dat de drie debatten die ik bijwoonde iets gemeen hadden. De jaren dertig, de jaren tachtig en het heden worden gedomineerd door een ernstige economische crisis. Tijdens de Grote Depressie werd door Colijn over de rug van werklozen de gulden in de goudstandaard gehouden. In de jaren tachtig, toen de neoliberalen aan de macht kwamen, is de economie steeds onstabieler geworden [5]. De voorstanders van het basisinkomen denken dat dat komt door het in gebreke blijven van de verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat is volgens hen een achterhaald, ouderwets idee van verstokte sociaaldemocraten.

Uiteindelijk gaan al deze discussies over maar een ding: wie over het geld gaat is de baas. Als het niet (meer) eerlijk verdeeld wordt, zijn mensen bereid geweld te gebruiken, zoals de fascisten in de jaren dertig. Voor democratie is dan geen plaats meer.

Voetnoten

[1] Wat volgt schrijf ik op uit mijn herinnering. Ik heb geen aantekeningen gemaakt en aanhalingstekens duiden niet op letterlijke citaten.
[2] Voor een goed overzicht van deze geschiedenis zie: Merijn Oudenampsen Mistvorming rond neoliberalisme. Dit is een recensie van het boekje van Patrick van Schie. Waarschijnlijk heeft de naamsverandering te maken met het feit dat in de VS de term liberal gebruikt wordt voor links. In Amerikaanse oren klinkt neoliberal daarom als nieuw links. En links zijn neoliberalen zeker niet!
[3] Maar de eurocrisis kan niet worden opgelost door de euro af te schaffen, dat kon toen met de goudstandaard wel.
[4] Alles verandert, toch blijft alles bij het zelfde.
[5] Een klein overzicht van neoliberale crises:

  • Recessie in jaren 80 die begon met de rente verhoging van Paul Volcker.
  • Japanse vastgoedcrisis 1986–2003
  • Zwarte Maandag 1987
  • Savings & Loans crisis in de jaren 80 in de VS
  • Zweedse bankcrisis 1990
  • Mexicaanse crisis 1994
  • Azië crisis 1997
  • Russische crisis 1998
  • Argentijnse crisis 1999–2002
  • Dotcomcrisis 2001
  • Kredietcrisis 2008
  • Eurocrisis 2010

Tot de jaren zeventig waren er geen grote crises. De oliecrisis in de jaren zeventig had een andere oorzaak.

  1. 1

    Plusje ;-). BTW, ik neem aan dat je dit stuk van Rutger Bregman over hoe Lieftinck na de oorlog de economie hervormde en de depressie overwon. IIRC waren soortgelijke maatregelen (m.n. rantsoenering, maar ook veel werk wat door de overheid werd betaald (wapenindustrie ;-) ) waren in de VS tijdens de oorlog al genomen, zodat mensen na de oorlog voldoende budget hadden en de gaten die de crisis had geslagen te boven waren gekomen.

    In een oorlog/post-oorlog-economie accepteert men het dat men tijdelijk op een houtje moet bijten, maar in de hudige tijd is dat minder geaccepteerd (zeker niet als de pijn zo onevenredig verdeeld is over inkomens en vermogens).

  2. 2

    @1: Dank voor de link! Mooi geschreven stuk over deze na-oorlogse economische geschiedenis.

    Wat die gelijkheid betreft: oorlog is altijd een grote gelijkmaker: alle kapitaalgoederen worden vernietigd – iedereen begint bij nul. Hoe meer de oorlog verleden wordt, hoe groter de ongelijkheid.

  3. 3

    @2: Graag gedaan. Wat mij vooral bijbleef van dat artikel was dat er in de paar jaar *na* de oorlog ook nog flink op de tanden werd gebeten. Dat d’r aan wederopbouw gedaan werd, soit; dat de oorlogsjaren slopen waren, duh, maar dat het zeker tot begin ’50 ook nog afzien was, was nieuw voor me.

  4. 5

    Een mooi verslag van een leuke avond, dank. En volgens mij kwam je punt op een aantal wel goed over hoor. Op schrift is iedereen beter. Kijk hier bijvoorbeeld naar mijn antwoord:

    Je had een punt gehad als gebrek aan werk het enige probleem zou zijn dat het basisinkomen op zou moeten lossen. Maar ook bij volledige werkgelegenheid (laten we even aannemen dat je gelijk hebt en dit lukt) heb je een sociaal stelsel nodig omdat je mensen hebt die niet kunnen werken, en er altijd sprake is van frictiewerkloosheid. Daarbij houd je gezien er altijd mensen zijn die niet kunnen werken het probleem dat de sociale diensten en andere uitvoeringsorganen een scheiding moeten aanbrengen tussen mensen die werkelijk gemotiveerd zijn en mensen die maar doen alsof, wat fundamenteel onmogelijk is, want we kunnen nu eenmaal niet in iemands hoofd kijken: het kan enkel leiden tot bureaucratie.

    Daarbij is het basisinkomenstelsel ook een antwoord op de onderwaardering van vrijwilligers en de grote emancipatieachterstand van mensen die afhankelijk zijn van een kostwinner. Daarbij zijn er naast mensen met betaalde banen ook mensen die een onderneming willen runnen. En verder is er het probleem dat vies en smerig werk onderbetaald wordt, en zogenaamd ‘leuk’ werk wordt overbetaald, en bovendien mensen voor een belangrijk deel van hun sociale zekerheid ook na ontslag afhankelijk blijven van hun werkgever en vaak een heel juridisch circus nodig hebben om hun recht te halen.

    Al die problemen heb je niet opgelost, niet eens geadresseerd, en zolang je daar geen oplossing voor hebt, houd ik vast aan het basisinkomen als blauwdruk voor hoe (een deel) van de sociale zekerheid mijns inziens georganiseerd zou moeten zijn.

    Maar geen paniek! Een basisinkomen maakt jouw oplossing niet onmogelijk. Sterker nog, ze brengt het dichterbij. Omdat werknemers met het basisinkomen een veel sterkere onderhandelingspositie hebben is het basisinkomen juist eerder hét hulpmiddel om te bereiken wat jij wilt dan dat het het in de weg staat.

    Een volgende keer weer live ;).

  5. 6

    @5: Dank je Kees voor je lof en je reactie.

    Ik ga nu niet op je stellingen reageren – ik ga echt doen wat ik schrijf: nog eens goed mijn argumenten op een rij zetten, en ik zal dan ook zeker jou argumenten aan de orde stellen.

    En zeker, graag weer een keer live!