A.F.Th. van der Heijden – Doodverf

Cover van Doodverf (Foto: Site Van der Heijden)

Uit de envelop, die aan de binnenkant gecapitonneerd was met in plastic gevangen luchtbellen, gleed een boek met glanzende kaft. Op de voorkant een zwartwitfoto van een persoon die in gips gewikkeld leek, het hoofd hing licht over zijn rechterschouder. Ver achter de dikke bovenlip, in de schaduw van de geopende mond, was een deel van de tanden te zien. Het verhemelte werd verhuld in een grijs gelijk aan de achtergrond. Grote pseudo-reliëfletters verkondigden dat het hier om de nieuwe roman van A.F.Th. van der Heijden ging: Doodverf.

De manier waarop het boek is vormgegeven is even iets anders dan we van Van der Heijden gewend zijn. Sterker nog, de zeer opvallende buitenkant zou weinig gelijken vinden in de sectie literatuur van de boekwinkel. Doodverf verscheen dan ook niet voor niets tijdens de maand van het spannende boek en misstond toen niet tussen alle andere boeken met om aandacht schreeuwende hoogglansomslagen en liefst tweelettergrepige titels. Het kan verbeelding zijn, maar zelfs de grillige rimpels op de rug van het boek, ontstaan tijdens het lezen, doen denken aan een thriller die op een ligbed in de zon doorgeploegd is.

Afgaande op het uiterlijk, heeft het er dus veel van weg dat Van der Heijden een thriller heeft willen publiceren. Toch is het waarschijnlijker dat hij een roman in vermomming heeft gemaakt. Belletrie in travestie. Met een inhoud die nog donkerder is dan de buitenkant doet vermoeden.

Terug in de (tandeloze) tijd
Sinds 2003 publiceert Van der Heijden regelmatig een deel uit zijn tweede grote cyclus Homo Duplex. Het is zaak aan de verschijningsvolgorde vooral geen conclusies over de opbouw van de cyclus te verbinden: het deel dat het eerst verscheen, De Movo tapes, is deel 0. Drijfzand koloniseren is de sleutel tot Homo Duplex en van Het Schervengericht is nog geen plaats bekend.

Zo ging dat van 1983 tot 1996 ook met de eerste cyclus, De tandeloze tijd. Deel vier verscheen voorafgaand aan het derde deel, dat overigens plotseling uit twee lijvige boeken bleek te bestaan. Voor simultaanschrijver Van der Heijden loopt het wel eens anders dan vooraf bedacht, vandaar dat waarschijnlijk niemand nog echt zat te wachten op het nieuwe deel uit De tandeloze tijd, dat ooit was aangekondigd. Nu, dertien jaar na Onder het plaveisel het moeras, verschijnt het alsnog.

Wat in Doodverf te lezen valt, is niet nieuw. Oneerbiedig gezegd bestaat het uit gerecyclede lappen tekst uit de gehele cyclus De tandeloze tijd, met het focus op een verhaallijn:

“De schaar is een symbool van vernietiging en, tegelijkertijd, van (her)schepping: zoveel wist Albert Egberts al in De slag om de Blauwbrug, de proloog bij De tandeloze tijd. Uit die cyclus heb ik, met de schaar in de hand, de verhaallijn over de zogeheten Gipsmoord gelicht, om die via een proces van herzien, aanvullen, herordenen en opnieuw monteren tot een roman te verzelfstandigen. Het resultaat is Doodverf.”

Een verhaal van twee experimenten
We zien jeugdvrienden Albert, Flix en Thjum rond hun 27e levensjaar. Albert is in zijn ?experiment met het leven? verzeild geraakt in een heroïneverslaving, die hij bekostigt door kleine kinderen van Italië naar Nederlandse adoptiefouders te smokkelen, een schimmig handeltje waarvan de Napolitaanse sjacheraar Gesù Porporà aan het hoofd staat. Flix, de net afgestudeerde kunstenaar, zoekt naar de verwerkelijking van het hyperrealisme: het vangen van de momenten voorafgaande aan de dood in elastisch gipsverband. Hij reist naar Napels, voor de inspiratie van Pompeii en om modellen voor zijn gipswerk te zoeken in de sloppenwijken. Albert reist met hem mee, om van zijn verslaving af te komen.

Om tot deze reis naar (en het verblijf in) Napels te komen, gebruikt Van der Heijden fragmenten tekst uit de verschillende delen van De tandeloze tijd. Ingekort, aangepast en in een andere volgorde gezet, met korte hoofdstukken en telkens vanuit het perspectief van Albert, Flix, Thjum en Gesù. Het zorgt voor een sterk focus op de verhaallijnen van de gipsmoord en de kinderhandel. Waar het in De tandeloze tijd regelmatig puzzelen was om verbanden te leggen, loopt het verhaal in Doodverf in een eenparige beweging op de ontknoping af.

Het omhulde duister
Doordat de Gipsmoord, Alberts verslaving en ontwenning en de handel van Gesù Porporà meer centraal staan, lijkt ook, met terugwerkende kracht, De tandeloze tijd van karakter te veranderen. Doodverf schetst een duistere wereld vol kinderhandel, infanticide, de lichamelijke en geestelijke verrotting door heroïneverslaving en een kunstenaar die misschien vooraf wel wist wat de uiterste consequentie van zijn hyperrealisme zou zijn:

“Je zult zien, op een dag ben ik helemaal onzichtbaar geworden achter wat ik gemaakt heb. Nee, niet gemaakt, aangericht. (Flix)”

Van der Heijden pelt de glanzende rokken van de ui, die de necrose, kwaadaardigheid en het menselijk tekort verhullen. We zien de travestieten, die voor Flix model willen staan op voorwaarde dat ze, eenmaal naakt, hun kunstmatig gevulde bh?s mogen aanhouden. We zien Thjum:

“De dokter legde de schaar op Thjums borst, en trok zachtjes wrikkend met beide handen het witte masker los. Hij plukte de vilten lapjes van de ogen, die Thjum bij zijn leven al gesloten had. Zijn gezicht stond neutraal als dat van een etalagepop. De doodsstrijd was uitsluitend af te lezen aan de rimpels, groeven, plooien en scheuren in het witte harnas.”

Zo gaat dat met de kinderlijkjes van Gesù, die ontdaan van de ingewanden volgestouwd worden met zakjes heroïne, om eenmaal dichtgenaaid, met nieuwe kleertjes aan te dienen als smokkeltransport. En we zien het terug in De slag om de Blauwbrug bij Albert Egberts, die de sporen van injectienaalden op zijn armen onzichtbaar maakt met overhemden en manchetknopen als hangsloten. Zijn lange overjas verbergt het inbrekersgereedschap. Het zijn geen incidenten, De tandeloze tijd blijkt er vol mee te zitten (boektitel Onder het plaveisel het moeras bijvoorbeeld). Hoe een lelijke kaft weer een puzzelstukje van A.F.Th. op zijn plaats krijgt.

Roman in vermomming
Het mag inmiddels duidelijk zijn dat het groteske omslag van het boek een oppervlakkig eufemisme is van de inhoud. Van der Heijden speelt zo met het genre van de thriller, waarvan sommigen zeggen dat het niets met literatuur van doen heeft. Hoewel ik me niet in die slangenkuil wil begeven, is het voor mij duidelijk dat Doodverf weinig met een thriller te maken heeft.

Het moet een moeilijk proces zijn geweest: uit meer dan 3000 pagina’s Tandeloze tijd twee verhaallijnen isoleren en die zo monteren dat er een boek ontstaat met een niet af te remmen plot, tot een spannende roman. Is het boek daarmee aan te raden aan lezers die Van der Heijden nog niet kennen? De onmiskenbaar krachtige en geroemde A.F.Th.-stijl typeert dit boek (wat niet onlogisch is, het zijn immers teksten die al bestonden). Het is ook zo dat in dit boek nogmaals duidelijk wordt hoe nauwgezet Van der Heijden een verhaal kan opbouwen.

Hoewel ik mensen die onbekend zijn met het werk van Van der Heijden eerder aan zou raden Het leven uit een dag of Vallende ouders te lezen, kán Doodverf inderdaad een opstapje zijn voor nieuw publiek. De lezers die echt bediend zijn met dit boek, zijn zij die De tandeloze tijd gelezen hebben en er geen vrede mee hadden dat de cyclus ten einde was gekomen. Voor hen biedt Doodverf een nieuwe kijk op twee prominenter gemaakte verhaallijnen en geeft het boek nieuwe aanwijzingen over de interpretatie van De tandeloze tijd als geheel.

Tegen hen die zich verleid voelen door de glimmende voorkant zeg ik: probeer het eens. Je zult zien dat er tussen al die andere boeken met een glanzende foto en tweelettergrepige titel in grote letters weinig zo goed geschreven zijn als Doodverf.

  1. 1

    Gaan we hier literatuurrecensies als vast onderdeel krijgen? Gesponsored door bol.com?

    Voor alle duidelijkheid: niks op tegen hoor. Gewoon even nieuwsgierig vragen.

    Terzijde: zouden de recensies in de reguliere media ook gesponsored worden door uitgevers?

  2. 3

    @1: Ja, de literatuurrecensies worden een vast onderdeel.

    De “sponsoring” van bol.com is eigenlijk niet eens sponsoring te noemen. Ik word niet betaald om een recensie te schrijven. Het kleine beetje geld dat we hiermee zouden kunnen verdienen gaat in de redactiepot.

    Wat je terzijde betreft: NRCboeken.nl houdt er een boekenwinkeltje op na. VN ook. En iedere recensent krijgt natuurlijk zijn te recenseren boek thuisgestuurd.

    Terzijde: wat vond je van de recensie? Het verbaast me namelijk dat je het na een stuk van 1100 woorden wilt hebben over een miniadvertentietje.

  3. 4

    @Roy: ah ja sorry, de recensie…
    Zowel deze als de vorige (Ceasarion) vond ik goed, helder geschreven.
    Ik weet niet of het de rode draad in je recensies gaat worden, maar vergelijk met ander werk spit je nogal uit. Dat zie je bij andere recensies ook wel.
    Daarvan vind ik dat elk boek op zijn eigen waarde moet worden beoordeelt. Tenzij de schrijver een trilogie of zoiets aan het maken is.

    Natuurlijk ontkom je , ook als lezer, niet aan enig vergelijk. Het vergelijk mag echter niet gericht zijn op of een auteur een minstens net zo goed(of slecht) volgend boek aflevert. Geen mens presteert continu op toppen.

    Met Van der Heijden heb ik niet zoveel. De recensie vond ik boeiend, maar zal me toch niet tot lezen aanzetten.
    Ceasarion had ik al gelezen en vond je recenise raak. Tcoh had ik wel plezier aan dat boek.
    De uiteindelijke waarderingen blijven toch op persoonlijke smaak gebaseerd.

  4. 5

    @4: Tja, je zegt het zelf al “tenzij de schrijver een trilogie of zoiets aan het maken is.”

    En Van der Heijden doet “zoiets”: Wat in Doodverf te lezen valt, is niet nieuw. Oneerbiedig gezegd bestaat het uit gerecyclede lappen tekst uit de gehele cyclus De tandeloze tijd, met het focus op een verhaallijn.

    En wat Wieringa’s Caesarion betreft, daar snijd ik het dilemma zelf ook al aan: s het wel gerechtvaardigd om het nieuwste werk van een kunstenaar te beschouwen tegen de standaarden van het voorgaande, dat hem in één klap op de kaart zette.
    Om het verder pas op het eind over Joe Speedboot te hebben, nádat Caesarion op eigen kracht beoordeeld is.

    Ik denk dat ik niet gericht ben op of een auteur een minstens net zo goed(of slecht) volgend boek aflevert. Wel wil ik proberen elk boek een plek te geven in het oeuvre of tussen de andere boeken die ik ken. Ik kan je bijvoorbeeld verklappen dat het hele kopje “Het omhulde duister” uit deze recensie geschrapt kan worden als ik het niet over de rest van AFTh zijn boeken zou hebben. Juist Doodverf heeft ervoor gezorgd dat wat ik daar noem mij überhaupt opviel.

    Nog een voorbeeld: In “Tussen kruis en kraai” heeft Van der Heijden iets gezegd over het genre van de literaire thriller. Dat is van belang nu het erop lijkt dat hij zelf een thriller heeft geschreven (quod non). Intertekstualiteit is het woord.

    Vergelijken met andere werken is niet malicieus, het is niet koket, het is duiding. Moet je voorstellen dat je, bij het bespreken van Thomas Mann’s Toverberg, meneer Settembrini niet mag vergelijken met Vergilius uit De goddelijke komedie van Dante.
    Of moet je voorstellen dat je naar een willekeurige cabaretier kijkt die een typetje nadoet. Als de context wegvalt, kun je het niet meer beoordelen.

  5. 6

    @Roy: Dank voor de reactie. Wil ik toch wat op kwijt.

    Er zijn natuurlijke creatievelingen, die doelbewust bezig zijn hun individuele werken zo in elkaar te zetten, dat ze uiteindelijk als een groot geheel kunnen worden gezien.
    Ik verdenk Van der Heijden daar wel een beetje van.
    Tom Wieringa niet.

    Ik zou er overigens geen bezwaar tegen hebben als een auteur (of componist, schilder, etc.) elke keer iets nieuws schept, dat op geen enkele wijze met een ander werk te vergelijken is. Zelfs niet qua stijl.
    Dat laatste zal het publiek, de recenscent en de uitgever hem/haar dan niet in dank afnemen. Stijlvastheid in het hele oeuvre wordt nogal als (commercieel?) belangrijk gezien.

    Tot slot: zeker, vergelijk kan duiding zijn. Mits dat dan niet te ver gezocht is. Zo lees ik wel eens recensies die een werk niet alleen in de totale context van de auteur (en zijn tijd, plaats, vrou, kin en hond) plaatsen, maar er ook nagenoeg de hele geschiedenis van de wereldliteratuur er bij slepen.
    Gelukkig heb ik dat bij jou niet gezien. Hoewel, Settembrini en Vergilius? ;-)

  6. 7

    @Peter: Van der Heijden is inderdaad bezig een groot geheel te bouwen. Wieringa misschien niet, maar dan moet je alsnog dat boek proberen te passen in zijn werk en in de literatuurgeschiedenis.

    Geschiedenis is ook geen verzameling willekeurige momenten, maar een keten van gebeurtenissen. Het heeft geen zin om slechts naar de moord op Franz Ferdinand door Gavrilo Princip te kijken: “ja, dat was niet erg vriendelijk van Princip”. Er gaat iets aan vooraf en er komt iets na. Zonder context is alles wezenloos.

    Als ik meld dat Caesarion een ander boek is dan Joe Speedboot, dan is dat handig te weten voor mensen die hadden gehoopt dat het nieuwe boek hetzelfde zou zijn. Als het andere recensenten opvalt dat Wieringa al eerder een vernietigende kunstenaar ten tonele heeft gevoerd, vind ik dat goed om te weten. Als ik nadenk over welke thema´s er in een boek zitten, dan doe ik dat op basis van kennis van andere boeken. Als Wieringa wil dat zijn boek compleet geisoleerd wordt beoordeeld, moet hij het niet een motto meegeven afkomstig uit een werk van Plato. Dan moet hij de hoofdpersoon niet Ludwig (bijnaam Caesarion) noemen. Misschien moet Wieringa dan zelfs geen boeken schrijven.

    Zoals je uit voorgaande alinea wel kunt afleiden, zie ik absoluut niet zitten wat je in de tweede alinea noemt. Het zou misschien een interessant experiment zijn om elke keer iets onvergelijkbaars te maken. Maar dat is een onmogelijkheid. Bovendien zou zo’n boek zweven in zelfgeschapen vacuum.

    Ik begrijp niet goed wat je bedoelt met

    Dat laatste zal het publiek, de recenscent en de uitgever hem/haar dan niet in dank afnemen. Stijlvastheid in het hele oeuvre wordt nogal als (commercieel?) belangrijk gezien.

    Wat mij betreft maakt een schrijver elke keer een ander boek. Dat kan zelfs interessante dingen opleveren. Het gebeurt ook vaak genoeg trouwens. Dan staat er in een recensie iets als: “compleet anders, maar toch onmiskenbaar” of “geslaagd experiment” of “geen one-trick pony”.
    Dat ‘stijlvastheid’, wat nogal een breed begrip is, commercieel belangrijk wordt geacht, tja. Dat zou ik niet weten.

    Als je trouwens zowel Dante als Mann zou lezen, weet je waarom ze met elkaar in verband worden gebracht. Ik denk dat het de taak is van de recensent om zulke verwijzingen te signaleren.
    Misschien schiet een recensent soms wat door. Een vals-positief resultaat zogezegd. Maar als de professionele recensenten niet meer vergelijken en plaatsen, wordt de literatuur gefragmenteerd, ongeindexeerd en een stuk minder interessant.

  7. 8

    @Roy: met die ondankbaarheid van publiek, etc. bedoel ik dat lezers en de rest stijlvastheid wellicht belangrijker vinden dan de schrijver zelf.
    Het komt overigens niet zo vaak voor dat auteurs boeken afleveren die telkens van genre èn stijl totaal verschillen.
    Zo’n experiment zou ik wel interessant vinden, want als elk product dan ook nog eens zeer het lezen waard blijkt, kan zo’n auteur dan schrijven of niet? Misschien is zo’n schrijver wel een beter vakman/vrouw dan de collega’s die zich aan een running gag binden??

  8. 9

    @Peter: Het is hier toch helemaal de vraag niet of iemand die telkens iets anders doet wel of niet kan schrijven? Je begon met de stelling dat een boek niet met andere boeken vergeleken moet worden. Ik geloof dat ik daar in de voorgaande reacties nogal wat over geschreven heb, maar ik kom er straks nog op terug.

    Ik vind de term “running gag” nogal misplaatst. Iedereen heeft een bepaalde stem. Intonatie, ritme, woordkeus, timbre etc. Ik ga aan jou toch ook niet vragen of je elke dag een ander stemmetje wilt opzetten? De aard van het beestje is altijd herkenbaar, zelfs door oppervlakkige verdoezelingen heen. Mocht er een schrijver zijn die elke keer een andere stem heeft, dan wordt dat juist weer zijn eigenschap en wordt het de taak van de recensent om die eigenschap te beschrijven en punten aan te wijzen in zijn werk waarop dat het mooist naar voren komt.

    Wel aardig dat we die laatste vraag op je eerdere punt terechtkomen. Als het de vraag is of je elk boek op eigen merites moet beoordelen of dat je er niet aan ontkomt het te beschouwen binnen een veel groter geheel, doe jij nu zelf ook dat laatste door een puur hypothetisch “uniek” boek van een schrijver met continu veranderende stem te vergelijken met schrijvers die zich van een “running gag” bedienen.

  9. 10

    @Roy: Scherp, die laatste opmerking! Overigens vel ik niet meteen een vergelijkend oordeel, maar (zie de twee vraagtekens) vroeg ik me af of in zo’n geval goede schrijvers van minder goede te onderscheiden zouden zijn.
    Maar goed, da’s allemaal te hypothetsich om over door te gaan, wellicht.

    Tot slot: Met mijn hele gezever over “het vergelijk” sla ik ook wat door. Iets wat, zoals ik eerder stelde, ook wel eens onder analyserende resenscenten voorkomt.
    Ik kwam er op omdat ik dat soort analyses vaak heb meegemaakt in mijn conservatoriumtijd en waarbij regelmatig mij de gedachte besprong: “Maar zonder al die analytische rimram hebben we hier toch een heel goed stukkie muziek?”

  10. 11

    @Peter: Het is nogal een theoretische discussie geworden inderdaad.

    Volgens mij is er continu discussie over wat een recensent zou moeten doen. Ik denk dat in de internettijd, waarin meningen over dingen overal te zien zijn, men meer behoefte heeft aan verdieping.

    Brengt mij tot overdenkingen over de taak van de recensent door Kees Fens in het essay ‘De eigenzinnigheid van de literatuur’:

    De criticus dient een boek te kunnen situeren, in het geheel van de literatuur en in het werk van een schrijver. Daartoe behoeft hij vergelijkingsmateriaal en behoort hij dus op de anderen een zekere mate van belezenheid voor te hebben. Die is echter niet iets om zich op te laten voorstaan; zij is een voorrecht van zijn minder of meer vrijgesteld-zijn voor de literatuur.(…)

    De weg van de buitenkant van een bepaald werk naar het wezenlijke ervan -de grote waarheid achter de leugen- en daarmee naar het wezenlijke van alle literatuur dient de criticus voortdurend af te leggen.

    Dit is eigenlijk de samenvatting van wat ik hierboven in de verschillende reacties al betoogd heb. Gisterenavond dacht ik plotseling dat ik zoiets als mijn betoog al eens gelezen had. Het bleek dit essay te zijn. Een half jaar eerder gelezen. Kennelijk ben ik door Fens beïnvloed en passen mijn opvattingen over boekbesprekingen en de manier waarop ik die besprekingen uitvoer binnen een groter kader. Het lijkt me ook daarmee aangetoond dat het goed is om continu te blijven kijken naar invloeden en vergelijkingen.

    Soms slaan recensenten natuurlijk door. Maar dat heb je overal. Er zijn rancuneuze tussen, er zijn gedesillusioneerde tussen en er zijn gewoon kwaadwilligen tussen. Die moet je dan maar een beetje negeren.

  11. 12

    “Er zijn rancuneuze tussen, er zijn gedesillusioneerde tussen en er zijn gewoon kwaadwilligen tussen. Die moet je dan maar een beetje negeren.”

    Of beschrijf je nu “recensenten” die artikelen van bloggers recenseren ;)