Ziende blind

Beeldtaal is de overdracht van gedachten waarbij het geschreven woord – geheel of gedeeltelijk – vervangen is door beeld. In de maanden augustus en september publiceert Willem Visser (beeldend kunstenaar, psycholoog en tekstschrijver) op zaterdagochtend artikelen over beeldtaal aan de hand van voorbeelden uit kunst, psychologie en alledaagse waarneming.

Beeldtaal moeten we leren, net als gesproken en geschreven taal. Leren zien is een ontwikkelingsproces dat binnen een cruciale periode plaats moet vinden. Gebeurt dit niet of onvolledig, dan ontwikkelt de visuele cortex zich onvoldoende.

Visuele deprivatie heeft een nadelige invloed op het vermogen om visuele informatie te verwerken. Katten die opgroeiden in hokken met alleen maar horizontale en verticale lijnen werden getest of ze gevoelig waren voor diagonale lijnen. Ze reageerden alsof ze er blind voor waren. Zelfs de neuronen die gevoelig zijn voor diagonalen ontbraken in de visuele cortex.

Blindheid genezen?

Hoe zou het zijn om blind te zijn? Sluit uw ogen en zie.
Niets…
Voelt dit zoals een blinde de wereld ervaart? Natuurlijk niet.
De vertrouwde, zichtbare wereld is immers slechts één oogopslag verwijderd. Bovendien is ons hele denken, voelen en ervaren mede opgebouwd rond onze waarneming. Voor wie kan zien, is het moeilijk, eigenlijk onmogelijk, voor te stellen hoe een blinde de wereld ‘ziet’.

De vraag hoe de wereld eruit ziet voor een blinde die weer kan zien is iets makkelijker te beantwoorden. Voorbeelden bestaan, zijn onderzocht en gedocumenteerd. Daar komen geen Nieuwtestamentische mirakels, zoals in het schilderij van Strozzi, aan te pas. Een hoornvliestransplantatie en de aanwezigheid van een rudimentaire gevoeligheid voor licht en donker van de cellen op de retina maken het wonder mogelijk.

Bernardo Strozzi (1581 – 1644)
Tobias geneest zijn vaders blindheid (1635)
Hermitage, St. Petersburg

Sidney Bradford

Er bestaan een aantal gevalsbeschrijvingen van blinden die weer konden zien. Zo beschreef de waarnemingspsycholoog Richard Gregory in 1963 de lotgevallen van Sidney Bradford. Bradford werd tien maanden na zijn geboorte blind door een hoornvliesontsteking. In 1959, Bradford is dan 52 jaar, ondergaat hij een transplantatie en krijgt zijn gezichtsvermogen terug.

Het eerste wat hij ziet als hij zijn ogen opent is het gezicht van de chirurg; een donkere vorm met in het midden een uitstekend onderdeel. Hij hoorde ook een stem. Hij voelde aan zijn neus en concludeerde dat het uitstekende deel de neus moest zijn: ‘Toen wist ik dat als dat een neus was, ik een gezicht voor me zag’.

Toch bleven gezichten een probleem voor hem. Hij was niet in staat ze van elkaar te onderscheiden. Tijdens een gesprek keek hij de spreker ook niet aan. Gezichtsuitdrukkingen hadden geen betekenis voor hem. Non-verbale communicatie was uitgesloten.

Hij had een sterke voorliefde voor concrete objecten, zoals auto’s en bussen. Bijkomend voordeel: ze maakten een karakteristiek geluid, wat het makkelijker maakte ze te herkennen. Bovendien was hij vertrouwd met auto’s omdat hij regelmatig de auto van zijn zwager waste. Daarna trachtte hij te visualiseren wat nu precies de vorm van de auto was.

Aanpassing en onvermogen

Gaandeweg bleek dat de aanpassing aan de wereld van de zienden niet vanzelf verliep. Afbeeldingen op foto’s van stadsgezichten of landschappen plaatsten hem voor grote problemen. Wat was voor en wat achter? Gebouwen konden niet in hun totaliteit betast worden en hij kon daardoor die vorm slechts met de grootste moeite duiden.
Diepte en perspectief zeiden hem niets.
Gregory liet hem de Neckerkubus zien. Bradford was niet in staat deze anders te zien dan een verzameling lijnen. Hij kon deze niet interpreteren als een kubus en evenmin kon hij zich een voorstelling maken van de omkering waarbij we de kubus van de onderkant, óf van de bovenkant zien.

Neckerkubus

Datzelfde deed zich voor bij de afbeelding van de perspectiefillusie. Hij zag geen verschil in grootte tussen de laatste drie figuren. In letterlijke zin had hij daarmee gelijk, omdat deze allemaal even groot zijn. Wie echter normaal ziet, ervaart de figuren, door de context waarin ze staan, naar achter toe als steeds groter.

perspectiefillusie

Een bus was onderwerp van een van de eerste tekeningen die hij maakte. Hij was als blinde bekend met bussen en bovendien erg geïnteresseerd in alle vormen van transport:

Bradford had al een zeker beeld van een bus voor de operatie. Hij reisde veel en was bekend met het geluid van de bus die aan komt rijden, stopt en weer wegrijdt. Omdat hij nog enigszins gevoelig was voor licht en donker, kon hij een inschatting maken van de lengte als de bus stopte en vertrok terwijl hij bij de halte stond te wachten.
Hij tekende de bus en profil en met de voorkant naar links. Als blinde man kon hij de bussen alleen aanraken als ze dit aspect lieten zien. In Engeland rijden ze immers links en bij de halte arriveren ze van rechts naar links.

Teleurstelling

Tijdens de eerste ontmoetingen met Gregory kwam Bradford over als een opgewekte, enigszins extravagante man die met vertrouwen de wereld tegemoet trad. Dat veranderde snel. Tijdens een uitstapje naar Londen raakte hij snel vermoeid en verveeld. Hij kon weinig maken van ruimte om hem heen en was angstig voor het verkeer. Ook viel het Gregory op dat hij de wereld nog steeds toetste aan de hand van tast. Zo zei hij letterlijk: ‘Nu ik het gevoeld heb, kan ik het zien’.

Na zes maanden maakte hij een uitgebluste indruk. De wereld zag er veel minder fraai uit dan hij zich voorstelde. Overal zaten rafels aan en barsten in. En niet alleen dat: zijn positie in die wereld was totaal veranderd. Toen hij blind was hielden mensen rekening met zijn handicap. Hij onderscheidde zich juist doordat hij ondanks zijn handicap tot opmerkelijke dingen in staat was. Nu hij kon zien wierp dat hem juist terug in een staat van afhankelijkheid. Buren en collega’s vonden hem nu ‘sloom’ of zelfs ‘niet helemaal goed snik’. Maatschappelijk gezien voelde hij zich bovendien, gezien zijn intelligentie en capaciteiten, mislukt.
Bradford raakte steeds gedeprimeerder en twee jaar na de operatie stierf hij.

Met het terugkrijgen van zijn visuele vermogens had hij uiteindelijk meer verloren dan hij terugkreeg. Eigenlijk was hij nog steeds blind. Gregory concludeert dat hij vooral erg zijn best deed te zien, om de mensen om hem heen niet teleur te stellen, maar het gegeven dat hij kon zien, interesseerde hem niet meer.

Emotionele crisis

In de literatuur zijn meer gevallen beschreven van mensen die een emotionele crisis doormaken nadat ze van hun blindheid zijn genezen. ‘Zien’ wordt nooit een vanzelfsprekendheid; eerder een moeizaam proces dat ze nooit volledig onder de knie krijgen.

Zo beschrijft Oliver Sacks in ‘An anthropologist on Mars’ de lotgevallen van Vigil, een man die op 50 jarige leeftijd na een operatie weer zijn gezichtsvermogen terugkrijgt. In zijn gedrag vertoont hij dezelfde kenmerken als Bradford. Hij ziet van alles, maar is vaak niet in staat uit te maken wat de betekenis is. Ook hem brengt het geen meerwaarde. Sterker: hij verliest zelfs zijn baan en onderkomen. Vigil trekt zich soms letterlijk terug in zijn blindheid die hem wel vertrouwd is. Dat leidt, net als bij Bradford, tot verwarring en uiteindelijk depressie. Slechts vier maanden na zijn operatie sterft hij aan een longontsteking.

Toch een happy end?

Het geval van de Amerikaan Mike May eindigt positiever.
Op driejarige leeftijd raakte hij blind ten gevolge van een chemische explosie. In 2000 kreeg hij op 46-jarige leeftijd zijn zicht terug. May geeft te kennen dat hij goed kan omgaan met zijn nieuwe situatie. Toch blijkt uit onderzoek dat hij niet in staat is om afbeeldingen en illustraties te begrijpen. Inschatting van diepte vormt eveneens een moeilijkheid en ook kan hij geen onderscheid maken tussen mannelijke en vrouwelijke gezichten. Zijn blindheid gaf hem echter een voordeel: hij ontwikkelde een fantastisch gehoor en tastzin.

May was een succesvol skiër die records vestigde in de afdaling. In 1984 deed hij mee aan de Paralympische winterspelen in Sarajevo en werd derde in de afdaling en slalom.

Daarnaast ontwikkelde hij als uitvinder en zakenman GPS-producten voor blinden.

Hoewel May ook de problemen kent met visuele informatie die we bij Bradford en Vigil tegenkwamen, lijkt hij daar psychologisch minder moeite mee te hebben. Dat kan te maken hebben met zijn achtergrond in de sport en zijn positie als uitvinder en zakenman. Hij heeft al veel bereikt in zijn leven. Het gegeven dat hij nu kan zien, maar daar niet optimaal gebruik van kan maken, vormt geen extra handicap. Dit maakt het hem waarschijnlijk makkelijker de tekortkomingen en onvolledigheden te accepteren.