‘Woke’? Het is juist belangrijk dat universiteiten diverser en inclusiever worden

Waarom wordt streven naar diversiteit en inclusie toch steeds met zoveel nadruk in het controversiële getrokken? Ik las het stuk over ‘wokeness’ op de universiteiten in het NRC met stijgende verbazing en irritatie. Dat wil zeggen: wat de studenten te berde brachten klonk allemaal heel vooruitstrevend, en deels herkenbaar. De verbazing trof de manier waarop sommige van mijn collega’s ergens nog steeds vast lijken te zitten in een soort intuïtieve koudwatervrees; de irritatie betrof de frequentie waarmee de woordelijke erkenning van de noodzaak van diversiteit en inclusie bij sommigen steeds maar weer gepaard moet gaan met angstige verwijzingen naar een mythisch ‘klein groepje’ dat mogelijk wel heel erg ver gaat in hun streven naar diversiteit en inclusie. De vrees voor een paar studenten aan de radicalere kant van het spectrum lijkt het zo soms te winnen van de urgentie om daadwerkelijk te veranderen. Dat is onterecht. Niet de splinter, maar de balk is het probleem. De laatste jaren zag ik die balk, met name op het punt van etnische diversiteit, bij herhaling van nabij. Zo sprak ik eens met iemand over uitingen van academici op de sociale media, en pas achteraf realiseerde ik mij hoe iedereen wiens uitingen in dat gesprek omschreven waren als ‘provocatief’ of uitgesproken een kleurrijke migratieachtergrond had. Ik zag biculturele studenten zoeken naar onderwerpen die aansloten bij hun belevingswereld in een intellectuele traditie die hen steeds weer terug naar Europa duwt. Ik zag het ontstaan van een zeer ongemakkelijk gesprek toen een wetenschapper van kleur iets opmerkte over het gebruik van bepaalde etnische parameters in een onderzoek. Ik hoorde, in verschillende contexten, het idee dat universiteiten de laatste jaren echt best heel divers waren geworden, want er werken toch immers tegenwoordig zoveel vrouwen. Ik zag hoe etnische diversiteit in academische beleidsstukken niet gekoppeld werd aan de Nederlandse multiculturele samenleving, maar aan wetenschappers met een internationale carrière. Ik hoorde, bovendien, hoe andere wetenschappers van kleur zich sterk herkenden in de blogs die ik had geschreven over de uitdagingen die ik tegenkwam in mijn eerste jaren aan de universiteit, en over wat mij tijdens een recente sollicitatieprocedure overkwam. Blijkbaar stond mijn ervaring niet op zichzelf. De rode draad: diversiteit en het gesprek daarover zijn voortdurend omgeven door ongemak. Wat gaat hier toch steeds zo mis? Ervaringen van ‘anders zijn’ Het is belangrijk om het beestje zonder terughoudendheid bij de naam te noemen: Nederlandse universiteiten zijn een flink stuk witter dan de samenleving waarin zij opereren. Dat is niet alleen een meetbare realiteit – vergelijk het station of de winkelstraat maar met de universiteitsbibliotheek of de gemiddelde collegezaal een stukje verderop – het is ook een realiteit die volgens mij vrijwel iedere student of medewerker van kleur ervaart – en hoe dieper je doordringt in de academie, hoe groter de discrepantie wordt: onder studenten is meer etnische diversiteit dan onder medewerkers, en onder hoogleraren is de multiculturaliteit veel sterker ondervertegenwoordigd dan onder docenten en promovendi. Deze discrepantie leidt voor velen tot ervaringen van ‘anders zijn’, al ontwikkelt op individueel niveau ieder verhaal zich weer anders. Sommigen zoeken vooral tevergeefs naar een intellectueel perspectief dat ze kunnen koppelen aan wie ze zijn; anderen ervaren primair een gemis aan duidelijke rolmodellen – binnen hun vak, of überhaupt. Weer anderen worstelen vooral met het feit dat ze in hun academische (sociale) omgeving weinig kwijt kunnen (of willen) van hun persoonlijke achtergrond. Menigeen botst ergens tegen de grenzen van bestaande academische of disciplinaire raamwerken, of stuit op onbegrip van de academische omgeving; velen krijgen vroeger of later te maken met stereotyperingen of onhandigheden die impliciet of expliciet teruggaan op hun uiterlijk of naam – niet altijd vervelend, lang niet altijd racistisch (doch soms zeker wel), maar wel altijd resulterend in dat stempeltje – ‘anders’. Institutionele onwetendheid Dat ‘anders zijn’ is niet gratis. Het kost tijd en energie. Het komt voor velen, neer op een nadrukkelijke afwezigheid van gebaande paden en een zeurende aanwezigheid van kleinere en grotere vragen – in combinatie met een diepgewortelde institutionele onervarenheid en onwetendheid die ieder gesprek nodeloos compliceert. Wat je tegenkomt aan vraagstukken, doolhoven en netelige situaties – dat is nog maar de ene helft. De andere helft is dat de multiculturele ervaring voor anderen vrijwel volledig onzichtbaar blijft, en geen logisch gespreksonderwerp is. Waarom zou je het op tafel leggen? Zeker in de academie is er een voortdurende druk om het wel een beetje gezellig te houden: persoonlijke ervaringen zijn voor eigen rekening; ze toch onder woorden brengen is voor eigen risico. Dat veel Nederlanders, ook de progressieve, oprecht denken te leven in een samenleving waarin iedereen even vanzelfsprekend is en totaal verkrampen zodra iemand begint over etniciteit en kleur – het helpt de conversatie niet. Juist om die reden vind ik het uitermate gezond dat er steeds meer studenten en academici opstaan om de gevestigde vanzelfsprekendheden van onze academische cultuur hardop te bevragen. Het is inmiddels toch 2022? Waarom nog steeds zoveel Europa? Waarom nog steeds zo weinig kleur? Waarom nog steeds zo weinig ideologisch bewustzijn? Waarom nog steeds zoveel demografische en intellectuele replicatie? Waarom nog steeds zo exclusief? En ja, op een status quo van gewapend beton mag je best in scherpe bewoordingen schieten: het hoeft niet gezellig te blijven – gezelligheid dient soms ook replicatie en exclusie. Diversiteit en hiërarchie Kleur is slechts één as van diversiteit, maar er is geen reden om aan te nemen dat het op andere vlakken veel beter is: onze academische cultuur laat simpelweg weinig ruimte voor diversiteit en inclusie. Deels komt dat door de steile en verstokte academische hiërarchie, waarbij je pas volledig telt als academisch burger als je een hoogleraarstoga aan mag – bij iedere triomfantelijke foto van een Leids cortège op het Rapenburg realiseer ik mij nadrukkelijker hoe weinig mensen daar lopen met wie ik per ongeluk verward zou kunnen worden, en hoezeer ik, terecht of onterecht, een soort glazen plafond geïnternaliseerd heb. Ik ben niet de enige. Verre van. Natuurlijk moeten we hier zo snel mogelijk wat aan doen: onnodige hiërarchie stimuleert exclusie en exclusie voedt eenvormigheid en replicatie. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat naast vrouwen ook Nederlanders van kleur doorstromen naar hoogleraarsposities – het is nog veel belangrijker dat die hoogleraarsbenoemingen – en alle spreekwoordelijke machtsspelletjes die daarbij voortdurend komen kijken – er wat minder toe doen. Het cortège – en veel andere zaken – zou in toga toegankelijk moeten zijn voor iedere academische burger. Hetzelfde geldt voor promotierecht, en voor de toegang tot lees- en oppositiecommissies. Als je een cultuur van diversiteit en inclusie wil voeden – als je dat echt wil – begin dan zeker ook bij de symboliek aan de top. Dit is extra belangrijk omdat veel vormen van diversiteit niet zo mooi statistisch meetbaar zijn als de verhoudingen tussen mannen en vrouwen – precies het probleem dat veel universiteiten verschrikt constateren nu de roep om etnische diversiteit luider klinkt: er zijn helemaal geen betrouwbare cijfers en – haast ik erbij te zeggen: die gaan er waarschijnlijk ook nooit komen. Minder hiërarchie is de enige manier om de belemmeringen op het terrein van diversiteit en inclusie voor etnische en sociale (klasse) buitenstaanders weg te nemen Intellectuele nederigheid Maar die structuuromslag alleen is onvoldoende. Het belangrijkste, en tegelijk moeilijkste om te veranderen is, volgens mij, de paradox in dit hele verhaal: de mensen die de beslissingen nemen – die vast moeten stellen in hoeverre en op welke manier we curricula daadwerkelijk gaan ‘dekoloniseren’, en die het beleid over diversiteit en inclusie moeten paraferen en bestuurlijk aan de mens (sic) moeten brengen – die mensen behoren nou net vaak tot de groep die het minst van alles aan den lijve ondervonden hebben wat er überhaupt speelt. Tegelijkertijd zijn zij groot geworden in een academische cultuur die het innemen van expertposities wél beloont, maar geen grote meerwaarde ziet in het publiekelijk ventileren van twijfel en het omarmen van andere perspectieven. Bot gezegd: degenen die op dit punt de beslissingen moeten nemen weten er nog te vaak zelf nauwelijks wat van, en zijn niet getraind op het herkennen of publiekelijk erkennen van hun onwetendheid. En toch is juist dat belangrijk. Het grootste pijnpunt rondom diversiteit is de onbalans tussen enerzijds groepen en individuen die jarenlang denken, twijfelen en praten over de manier waarop hun achtergrond doorwerkt in wat ze tegenkomen in de academie – terwijl wat ze zeggen of voorstellen in luttele minuten gewogen wordt door mensen voor wie deze materie soms helemaal nieuw is. Diversiteit en inclusie vragen – van iedereen – een cultuur van oprechte intellectuele nederigheid, en een diep begrip van wat anderen mogelijk tegen kunnen komen als ze rondlopen in onze academische wereld. Dit staat in schril contrast met dat idee van wetenschap als topsport zoals die impliciet en soms ook expliciet door academische instellingen wordt gepropageerd. Een kennisachterstand die zijn weerga niet kent Het is belangrijk perspectief te hebben: verandering is niet onmogelijk, en er zijn de laatste jaren bewegingen in gang gezet die zouden kunnen leiden tot een voorzichtig optimisme dat er in ieder geval een toenemend bewustzijn is over deze problematiek. Maar echte, duurzame verandering begint bij verdieping en begrip. Om die reden stel ik voor dat iedere collega die de aandrang voelt om te waarschuwen voor ‘woke’ of voor een kleine groep mensen die ‘alleen maar bezig is de eigen opvattingen te etaleren’ zich eerst grondig, en gedurende een langere tijd, verdiept in wat studenten en medewerkers op de diverse assen van diversiteit zoal tegenkomen – niet een kwartier, niet een middag, niet een weekje, maar op structurele basis – door te lezen, en door te praten – vanuit de wetenschap dat hun enorme machtsvoorsprong is gekoppeld aan een kennisachterstand die zijn weerga niet kent. Laten we ook afspreken dat deze collega’s tot ze het gevoel hebben dat ze die complexiteit ten volle doorgronden, werken vanuit de aanname dat er potentieel een grote kern van waarheid zit in wat door academische buitenstaanders naar voren gebracht wordt – ook al schuurt en prikt het soms. Want besef goed dat voor sommige van die buitenstaanders universiteiten inderdaad een ontstellend witte plek kunnen zijn – een plek die je klein kan maken, die – ja – permanent schuurt en prikt; een plek, bovendien, waar één dominante groep al eeuwenlang bezig is ‘de eigen opvattingen te etaleren’ – terwijl ze ondertussen zonder noemenswaardige tegenspraak, en net iets te vaak zonder kritische reflectie, hoogwaardige alternatieve intellectuele perspectieven verzwijgen en marginaliseren. Dat is de balk waar het om gaat – wat sommigen ‘woke’ noemen is echt slechts de splinter.

Door: Foto: De Universiteit Leiden heropende op 17 september 1945 - foto publiek domein
Foto: Stefano Pollio via Unsplash

Kijk uit voor het verschrikkelijke wokespook!

Columnisten schreeuwden de afgelopen week om het luidst over hoe gevaarlijk en eng ‘woke’ eigenlijk is. Wouter Louwerens legt uit dat dat nergens op slaat. 

Als we (vooral) rechtse opiniemakers en politici mogen geloven waart er een groot gevaar door Nederland: ‘woke’, oftewel ‘wokeness’. Het schijnt zo te zijn dat we ernstig bedreigd worden door een eng fenomeen dat is komen overwaaien uit Amerika. Maar klopt dat wel? En wat is dat woke nou eigenlijk?

Het begrip woke komt uit Amerika en is slang voor awake; wakker dus. Er bestaat geen eenduidige definitie van het begrip. En in tegenstelling tot wat veel tegenstanders beweren bestaat er al helemaal niet zoiets als een woke-ideologie of woke-beweging. Wie beweert van wel mag haar aanwijzen.

Dat betekent niet dat er geen historische context van het begrip bestaat. Zo had je vanaf 1860 de ‘Wide Awakes’, een jongerenorganisatie van de Republikeinse partij van Lincoln, een beweging met als belangrijke speerpunten arbeidersrechten en de afschaffing van de slavernij. Later, in de 20e eeuw, werd het begrip woke populair gemaakt door popmuziek en de mensenrechtenbewegingen in opeenvolgende decennia. Het stond vooral voor waakzaamheid en bewustzijn betreffende het grote racismeprobleem in de VS.

Lezen: De wereld vóór God, door Kees Alders

De wereld vóór God – Filosofie van de oudheid, geschreven door Kees Alders, op Sargasso beter bekend als Klokwerk, biedt een levendig en compleet overzicht van de filosofie van de oudheid, de filosofen van vóór het christendom. Geschikt voor de reeds gevorderde filosoof, maar ook zeker voor de ‘absolute beginner’.

In deze levendige en buitengewoon toegankelijke introductie in de filosofie ligt de nadruk op Griekse en Romeinse denkers. Bekende filosofen als Plato en Cicero passeren de revue, maar ook meer onbekende namen als Aristippos en Carneades komen uitgebreid aan bod.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Kwetsende bijvoeglijk naamwoorden

COLUMN - Omslag brochure Waarden voor een nieuwe taal

Een van de eigenaardige aspecten van de taalzuiveringsvoorstellen in de brochure Waarden voor een nieuwe taal is de grote aandacht die erin wordt besteed aan het verschil tussen zelfstandig en bijvoeglijk naamwoorden, zonder dat de schrijver de moeite heeft genomen uit te zoeken hoe die termen op school ook weer werden uitgelegd.

De ondertitel van de brochure is Een veilige, inclusieve en toegankelijke taal voor iedereen in de kunst- en cultuursector. Hij is dan ook een goed, helder en uitgewerkt voorbeeld van wat mensen die voor ‘veiligheid’ en ‘inclusiviteit’ staan willen van de taal. Voor de duidelijkheid: dat streven roept bij mij niet meteen weerstand op. Ik wil best wit zeggen in plaats van blank, al ben ik ook weer niet geneigd om er bij anderen op aan te dringen om datzelfde te doen.

Maar het gehannes met die naamwoorden is verbazingwekkend. Kun je je als je over taal schrijft niet een klein beetje verdiepen? Laten we zeggen op het niveau waarop de stof in de basisschool wordt uitgelegd.

De brochure is niet de enige die een obsessie heeft voor de naamwoorden. De auteur verwijst naar een artikel dat vol vuur betoogt dat gehandicapte geen zelfstandig maar een bijvoeglijk naamwoord is, en dat je dus niet moet zeggen dat iemand een gehandicapte is, maar dat die gehandicapt is, of een gehandicapte persoon, zoals hij ook aansluit bij de vraag om niet te spreken over slaven maar de (genominaliseerde) vorm tot slaaf gemaakten te gebruiken. In dat artikel klopt het terminologisch dan nog.