Gelukzoekers. Als je erover nadenkt is het raar dat dat woord in het Nederlands zo'n negatieve klank heeft gekregen. Een gelukzoeker is iemand die iets zoekt dat we uiteindelijk op een bepaalde manier allemaal hopen te vinden: geluk. Niet 'geluk' als in 'een mazzeltje', een lot uit de loterij, een kortstondig vlammetje dat meteen weer dooft, maar 'geluk' als in 'een aangename toestand waarin men zijn wensen bevredigd ziet', zoals meneer Van Dale het omschrijft. Het zal dat verdoemde poldercalvinisme wel weer zijn dat de Nederlander in de weg zit bij het herkennen van de eigen permanente queeste en het waarderen van andermans zoektocht. Want gelukzoekers, dat zijn in ons huidige vocabulaire lieden die iets proberen te krijgen waar ze eigenlijk geen recht op hebben. Gelukzoekers snuffelen volgens de Nederlander aan het plafond van het betamelijke, speuren naar gaatjes en zwakke plekken en proberen door de grenzen van wat het lot hen heeft toebedeeld heen te breken, op weg naar plaatsen waar ze niet horen. Dat moeten we niet willen met z'n allen. Een beetje geluk, prima. Maar je moet het vinden of erdoor gevonden worden, en het vooral niet zelf zoeken.