Het tentenkampje bij de Aula van de TU Delft is inmiddels verdwenen. Op de plek waar studenten twee weken lang protesteerden tegen de Israëlische samenwerkingen van hun universiteit, verschenen maandag symbolische graven, ter nagedachtenis aan gedode Palestijnse wetenschappers. Maar ook de overige symbolen van het protest waren geen lang leven beschoren. Nog geen 24 uur nadat de studenten hun tenten hadden opgebroken, waren het Palestijnse huisje en de geplante olijfboom alweer verwijderd. Volgens de actievoerders heeft de universiteit bovendien het spandoek weggehaald waarop haar medeplichtigheid aan de genocide werd aangeklaagd.
Sinds 5 oktober protesteerde Delft Student Intifada op de campus. De studenten hadden zelfs een klein Palestijns huis gebouwd, als symbool voor de huizen die Israël dag in dag uit in de bezette Palestijnse gebieden verwoest. Hun eis: verbreek de academische banden met Israëlische instellingen die bijdragen aan genocide, bezetting en apartheid.
De universiteit heeft inmiddels een afweging gemaakt. De conclusie is opmerkelijk: met de huidige kennis zou de TU nooit aan bepaalde samenwerkingen zijn begonnen. Toch mogen de meeste gewoon doorlopen, omdat stoppen te veel impact heeft op de eigen universiteit en medewerkers. Bij twee projecten waaraan ook een Israëlisch defensiebedrijf deelneemt, wil de universiteit de samenwerking wél beëindigen. Die projecten lopen binnenkort toch al af, dus dat was een stap zonder al te veel gevolgen.
Morele bezwaren tegen een genocide omzetten in consequenties is kennelijk bijzonder ingewikkeld zodra er bestaande contracten, onderzoeksbelangen en institutionele verplichtingen in het spel zijn. Dan mag een genocide elders hier vooral geen pijn doen.
Bij de studenten ligt dat blijkbaar eenvoudiger.
Op 16 oktober ontvingen de demonstranten een brief van het College van Bestuur. Daarin werd hun opgedragen de demonstratie nog diezelfde dag te beëindigen. Een van de aangevoerde redenen: de actievoerders hadden zonder toestemming elektriciteit van de universiteit gebruikt. Volgens het bestuur was daarmee het eigendomsrecht van de TU geschonden, wat strafbaar zou zijn.
Het is een ronduit lachwekkend contrast. Bij samenwerkingen met Israëlische instellingen waarvoor de universiteit achteraf zelf ernstige morele bezwaren ziet, moeten zorgvuldig alle belangen worden afgewogen. Bij het gebruik van wat elektriciteit door een handvol protesterende studenten weet het bestuur onmiddellijk waar de grens ligt. Eigendomsrecht is eigendomsrecht.
Zelfs als de studenten tijdens de relatief zachte oktoberweken elektrische verwarming hebben gebruikt, zullen de kosten tegen de inkooptarieven van een grootverbruiker vermoedelijk beperkt zijn gebleven tot enkele tientjes. Op het totale elektriciteitsverbruik van een technische universiteit is zo'n hoeveelheid waarschijnlijk niet eens van de normale schommelingen te onderscheiden.
Volgens haar eigen demonstratierichtlijnen hecht de TU Delft grote waarde aan het demonstratierecht. Demonstreren hoort bij een universiteit, mag confronterend zijn en zelfs tijdelijk verstorend. De universiteit benadrukt bovendien dat er voldoende ruimte moet blijven om verschillende visies tot uitdrukking te brengen.
Daar valt het optreden na afloop van het tentenkamp moeilijk mee te rijmen. De studenten hadden hun tenten vrijwillig opgebroken. Hun protest was vreedzaam beëindigd. Toch verdwenen vrijwel onmiddellijk het Palestijnse huis, de olijfboom en ook het spandoek. Dat laatste is extra opmerkelijk, omdat de TU Delft in haar eigen richtlijnen expliciet ruimte biedt aan spandoeken met politieke boodschappen. Maar blijkbaar alleen bij doelen waar de universiteit het mee eens is.
Natuurlijk betekent demonstratierecht niet dat iedere constructie permanent op universiteitsterrein mag blijven staan. Maar wie, als universiteit, zegt zoveel waarde te hechten aan protest, zou ook enig respect mogen tonen voor de symbolen waarmee studenten hun kritiek uiten. Zeker wanneer het protest niet langer tot overlast leidt. De haast waarmee de overgebleven uitingen zijn verwijderd, roept op zijn minst de vraag op hoeveel ruimte de universiteit daadwerkelijk wil bieden aan kritiek op haar eigen handelen.
Een universiteit waar studenten worden opgeleid om kritisch te denken en maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen, zou dergelijke tegenspraak toch moeten kunnen verdragen en tolereren. Zelfs als die tegenspraak zich niet beperkt tot een keurig ingediende petitie of een debat in een collegezaal.
Natuurlijk mag de universiteit kleinzielig grenzen stellen aan het gebruik van haar voorzieningen. Alleen is het opmerkelijk hoe voortvarend het bestuur hier 'principes' weet te handhaven tot op de komma, terwijl het bij de eigen samenwerkingen met Israël juist zoveel begrip toont voor praktische bezwaren, en daarmee voor een genocide.
Misschien kunnen de studenten voortaan beter een Europees onderzoeksconsortium oprichten om hun telefoons op te laden. Dan wordt het beëindigen van de stroomvoorziening vermoedelijk een 'complexe morele afweging'.