Sociale sferen & democratie

In een interview, een tijdje geleden, merkte Wouter Bos op dat mensen beslissingen maken als burger, maar soms ook als werknemer, investeerder of consument, hij verwees hierbij naar het werk van Robert Reich. Dit gecombineerd met de discussie over de toekomst van de functionele bestuurslaag van de waterschappen inspireerde me tot het uitwerken van het idee van een democratie op basis van verschillende sociale sferen. Het idee gaat intellectueel terug op Walzer’s Spheres of Justice. Hij stelt voor dat er in verschillende sociale sferen verschillende principes van rechtvaardigheid gelden. Hoe zou een democratie eruit zien waarbij burgers de kans krijgen om vanuit verschillende maatschappelijke rollen en daarbij horende belangen en principes van rechtvaardigheid te kunnen stemmen?

Je zou je kunnen voorstellen dat er drie belangrijke maatschappelijke sferen zijn: de economische sfeer, de publieke sfeer en de sfeer die betrekking heeft op ruimtelijke ordening. In ieder van deze sferen zijn burgers met verschillende ‘petten’ actief: in de economische sfeer zijn we allemaal werkgevers of werknemers; in de publieke sfeer zijn we allemaal actief als ‘client’; in de milieusfeer zijn we allemaal bewoner. Je zou je kunnen voorstellen dat al deze groepen apart vertegenwoordigd worden. In plaats van één parlement met 150 leden zouden er drie parlementen kunnen zijn met 50 leden.

De Economische Raad zou dan het meest dichtbij komen bij een democratisch verkozen Sociaal-Economische Raad, met daarin een vertegenwoordiging verkozen door alle werkgevers en werknemers. Deze stelt regels aan economische activiteiten en organiseert sociale voorzieningen. In sociaal-economisch opzicht zijn er twee belangrijke tegenstellingen tussen links en rechts (streef je naar gelijkheid of het instandhouden van ongelijkheid? Kijk je naar de belangen van werkgevers of werknemers?), en tussen conservatief en progressief (wil je huidige regelingen behouden of deze hervormen?). Je zou je kunnen voorstellen dat er vier grote partijen zijn: de Arbeiderspartij (AP – conservatief en links voor de gevestigde werknemers), de Cooperatieve Partij (CV – conservatief en rechts, een voorstander van samenwerking tussen werknemers en werkgevers), de Sociaal-Progressieven (SP – progressief en links voor outsiders als ZZP’ers, flexwerkers en jongeren) en de Partij voor Professionals, Zelfstandigen en Werknemers (PZW- klassiek liberaal dus progressief en rechts).

Je kan je ook voorstellen dat als je burgers aanspreekt als bewoners er verschillende belangen gaan spelen. In de Ruimtelijke Raad worden deze vertegenwoordigd. Deze zal zich bezig houden met ruimtelijke ordening, waterstaat, milieu, huisvesting, openbaar vervoer en energie. Het is eigenlijk een soort nationaal waterschap. Dat betekent dat er twee tegenstellingen zullen zijn: tussen groenere en grijzere partijen en tussen rechtsere en linksere partijen. Er zal een partij zijn die zich richt op auto-rijdende huiseigenaren die brede autowegen willen tussen villawijken, winkelcentra en kantoren (‘Huiseigenarenpartij’). Er zal een partij zijn die het opneemt voor OV-gebruikende huurders, die lage huren willen maar ook leefbare wijken en gratis en goed OV (‘Huurderspartij’). Er een partij die oog heeft voor ‘grote’ groene ontwikkeling zoals het klimaat en zich daarom inzet voor OV en groene energie (‘Klimaatpartij’) en een partij die het opneemt voor de bescherming van het traditionele agrarische landschap (‘Landschapspartij’).

De Sociaal-Culturele Raad houdt zich bezig met onderwijs, cultuur, maatschappelijk werk, media, welzijn en zorg. Iedereen is hier consument van als ouder, scholier of patient. In mijn ogen zijn er twee belangrijke tegenstellingen: tussen goedkope, toegankelijke zorg en onderwijs voor iedereen en excellente zorg en onderwijs voor zij die daar wat voor over hebben, en tussen onderwijs en zorg dat gebaseerd is op traditionele waarden als respect voor het leven en het gezin, en onderwijs en zorg dat zo georganiseerd wordt dat dit mensen emancipeert, bevrijdt uit traditionele rolpatronen en in staat stelt om zelf vorm te geven aan het eigen leven. Zo zijn er vier partijen: de linkse Partij voor Arbeidersfamilies, de conservatieve Partij voor Traditionele Families, de progressieve Partij voor Alternatieve Families en de rechtse Algemeen Familiepartij.

Nationaal zouden er twaalf partijen zijn. Voor ieder voorstel moet er gezocht worden naar een meerderheid in de daaraangerelateerde parlementen. Het belastingplan zal door iedereen moeten worden goedgekeurd, regels voor de bouw in de Economische en de Ruimtelijke Raad en de onderwijskerndoelen in de Sociaal-Culturele Raad. Traditionele verbonden zijn misschien niet altijd even sterk: de Arbeiderspartij zal het opnemen voor de belangen van docenten, die niet altijd samenlopen met de belangen van studenten uit de Arbeidersklasse.

Waarom geven we burgers maar één keuze: als werker heb ik misschien andere belangen dan als bewoner, en als ik nu voor ëëm partij kies vanwege bijvoorbeeld het milieu krijg ik ook al hun andere standpunten mee. In een model dat uit gaat van maatschappelijke sferen kunnen we echt kiezen voor onze verschillende belangen en idealen op verschillende onderwerpen.

Reacties zijn uitgeschakeld