Recensie | Blood, sweat and tears

RECENSIE - Het nieuwe boek van oud-journalist Harry van Wijnen, over Winston Churchill en Engeland in de Tweede Wereldoorlog, verdient geen plek op het non-fictieschap.

De Tweede Wereldoorlog in het algemeen en Winston Churchill in het bijzonder zijn zowel dankbare als moeilijke onderwerpen om een boek over te schrijven. Aan de ene kant is er zeker geen gebrek aan dramatisch materiaal om een aangrijpend verhaal aan op te hangen; aan de andere kant: over beide onderwerpen is inmiddels een ontelbaar aantal boeken geschreven. Het getuigt dus van een flinke dosis lef dat nog eens dunnetjes over te willen doen.

Harry van Wijnen, de auteur van Blood, sweat and tears, heeft echter al ruimschoots zijn sporen verdiend in het schrijversvak. Zo was hij parlementair redacteur van Het Parool en redacteur bij NRC Handelsblad. Tevens was hij bijzonder hoogleraar perswetenschappen aan de Erasmus Universiteit en schreef hij verschillende boeken over de relatie tussen koningshuis en pers.

Het hier besproken werk is, zo schrijft Van Wijnen, ‘eensdeels een monografie van het staatkundige leiderschap van Winston Churchill in de jaren 1940 en 1941, anderdeels een geschiedenis van de miraculeuze overleving van Engeland onder maandenlange nachtelijke bombardementen en een gelijktijdige dreiging van een Duitse invasie.’

Origineel is deze insteek natuurlijk niet. Datzelfde geldt voor het bronnenmateriaal waarop Van Wijnen zijn verhaal baseert. Archiefmateriaal komt er niet aan te pas. In plaats daarvan gebruikte Van Wijnen voornamelijk de dagboeken en persoonlijke herinneringen van een klein aantal overbekende (en overbestudeerde) figuren, waaronder George Orwell, Evelyn Waugh, Virginia Woolf en John Colville (Churchills privésecretaris). Hoewel Blood, sweat and tears qua originaliteit dus geen prijs verdient, kan een goedgeschreven, rechttoe-rechtaan verhaal over Groot-Brittannië’s donkerste maanden niettemin de moeite waard zijn.

Blood, sweat and tears is echter allesbehalve rechttoe-rechtaan. Sommige hoofdstukken zitten vol schijnbaar willekeurig gekozen, weinigzeggende anekdotes over Churchill. Zo krijgen we het nodige te horen over het vuurwapen van zijn lijfwacht (in eerste instantie een .45 automatic en later een .32 Webley) en ook een flinke lap tekst over een confrontatie tussen Churchill en de bemoeizuchtige maitresse van Paul Reynaud, minister-president van Frankrijk. In andere hoofdstukken is Churchill echter grotendeels afwezig en moeten we het doen met de persoonlijke herinneringen van een eveneens willekeurige groep individuen uit de Engelse upper class.

Op de een of andere manier is het verbindende element in dit alles Churchills onverzettelijke standvastigheid. Van Wijnen meet deze karaktertrek breed uit door Churchills heldhaftige optreden voortdurend te vergelijken met dat van zijn voorganger, de altijd slappe Neville Chamberlain. Die keuze resulteert echter in een aantal merkwaardige passages. Toen Churchill op 10 mei 1940 Chamberlain opvolgde als prime minister werd, zo schrijft Van Wijnen, ‘met onmiddelijke ingang’ met de voorgaande vredesdiplomatie gebroken. Dat de Britse regering, onder aanvoering van de zogenaamd onverbeterlijke appeaser Chamberlain, al op 3 september 1939 Duitsland de oorlog had verklaard wordt voor het gemak maar niet vermeld.

Nog vreemder wordt het als Van Wijnen op pagina 28 beweert dat – indien Chamberlain niet door Churchill zou zijn opgevolgd – eerstgenoemde de daaropvolgende maanden ‘ongetwijfeld gebruikt [zou] hebben om de kansen voor een vredesregeling met Hitler verder te onderzoeken.’ Op pagina 225 komt Van Wijnen echter met de ‘onthulling’ dat Chamberlain (die deel bleef uitmaken van Churchills oorlogskabinet) zich in de zomer van 1940 juist verzette tegen het aanknopen van diplomatieke gesprekken met Duitsland en Italië. Overigens kan dat nauwelijks een verrassing heten. Na Hitlers bezetting van de Tsjechische rompstaat in maart 1939 had Chamberlain zijn appeasementpolitiek immers voorgoed opgegeven.

In Van Wijnens optiek bleef Chamberlain echter hoe dan ook een ‘politieke schildpad’ die – om het visuele plaatje compleet te maken – ‘ineengedoken’ zittend maar schraaltjes afstak bij een heldhaftig orerende collega-parlementariër in volledig admiraalsuniform.

Churchill ondertussen, zo wordt in ronkend proza duidelijk gemaakt, ‘was […] de fighting spirit in persoon, de tegenpool van wankelmoedigheid en toegeeflijkheid, de verpersoonlijking van Britse vechtlust en de onverschrokkenheid van John Bull.’

Alsof dit nog niet genoeg is, weet Van Wijnen over de etentjes die Churchill in zijn buitenhuis organiseerde het volgende te melden:

Er was geen gast die niet onder de indruk raakte van Churchills analyse van de internationale situatie en van de historische parallellen die hun gastheer aan tafel of onder een wandeling in de tuin besprak. Ook de kat was een disgenoot die de volle aandacht van Churchill kreeg […]

Hoogdravend proza is echter niet eens Van Wijnens ergste zonde. Hoe ongeloofelijk het ook mag klinken, de auteur van Blood, sweat and tears – toch heus een boek over de Tweede Wereldoorlog – lijkt geen flauw benul te hebben wie vanaf wanneer tegen wie vocht. De volgende passage, afkomstig van pagina 138, illustreert dat aardig:

Dat wil niet zeggen dat alle Engelsen die op 20 juni 1940 naar Churchills radiotoespraak luisterden (twee dagen na het debat in het Lagerhuis) het optimisme van de Britse premier deelden. Het probleem van Churchill was dat de Engelsen hun angsten en zorgen behielden zolang hij geen militaire successen in de woestijnen van Noord-Afrika kon presenteren. Dat probleem was ouder dan zijn premierschap, want hij had het al bij zijn aantreden in de boedel van het vorige kabinet aangetroffen.

Kortom: op 20 juni 1940 is het moreel van de Engelse bevolking niet optimaal omdat er gedurende de laatste maanden nog geen militaire successen in Noord-Afrika waren behaald. Heel vreemd is dat echter niet: Italië, de enige asmogendheid met Afrikaanse bezittingen, had Groot-Brittannië en Frankrijk pas tien dagen eerder, op 10 juni, de oorlog verklaard – en het zou nog tot februari 1941 duren voordat de eerste Duitsers in Noord-Afrika zouden arriveren. Hoe de Engelsen, nog voordat Churchill in mei 1940 prime minister werd, militaire successen ‘ in de woestijnen van Noord-Afrika’ hadden moeten behalen is dan ook volstrekt onduidelijk.

Evenzo citeert Van Wijnen uit de dagboeken van een Engelse artillerie-officier die in de winter van ’40/’41 over het Duitse leger beweert dat ‘zij al een half jaar in de woestijn [bivakkeren]’. Zoals hierboven aangegeven is dat volstrekt onmogelijk. De Engelse artillerist in kwestie moet zodoende over de Italianen en niet de Duitsers hebben gesproken. Van Wijnen heeft het niet in de gaten. Heel intensief zal hij die dagboeken dan ook wel niet hebben bestudeerd.

Afgezien van dergelijke overduidelijke chronologische blunders, zit Blood, sweat and tears vol met talloze kleinere fouten en vergissingen. Zo plaatst Van Wijnen de Italiaanse vloot in Oran, laat Engelse vliegtuigen tijdens de Battle of Britain beschikken over schietstoelen (een technologie die nog jaren op zich zou laten wachten) en beschrijft hij Lawrence of Arabia onterecht als ‘de kolonel van het Imperial Camel Corps‘. Op zichzelf zijn dit soort vergissingen nog wel overkomelijk. Het is echter het ontstellende aantal van dergelijke slordigheden dat Blood, sweat and tears zo onverteerbaar maakt.

Er is overigens één relatief kleine vergissing die het verdient voor het voetlicht te worden gebracht. Op pagina 180 schrijft Van Wijnen:

De RAF had op dichte mist gehoopt: in dichte mist konden de Engelsen met hun ‘terreinvoordeel’ hun tegenstanders in de lucht immers verrassen.

Het zij Van Wijnen vergeven dat hij niet weet dat in 1940 – gezien de stand van de toenmalige techniek – bij dichte mist in het geheel geen operationele vluchten werden uitgevoerd. Deze constatering doet echter de vraag rijzen waar Van Wijnen bovenstaande claim vandaan haalt. In feite is deze bewering zodanig bizar (‘Terreinvoordeel’ in de lucht? Bij dichte mist?) dat er eigenlijk maar één mogelijkheid is: niet gehinderd door enige kennis of zelfs maar logica zoog Van Wijnen zo maar wat uit zijn duim.

Dit is een harde conclusie, maar niettemin de enige die – wat mij betreft – hout snijdt. Bovendien heeft deze aanname als bijkomend voordeel dat hiermee Van Wijnens talloze andere fouten kunnen worden verklaard: hij deed maar wat. Het enige dat blijkbaar telde is dat er een lekker weglezend verhaal uit voortkomt. The facts be damned. Iemand zou voor de grap eens moeten terugkijken naar zijn werk als parlementair verslaggever.

Blood, sweat and tears verdient dan ook zeker geen plek op het non-fictieschap. Degene die iets meer over Churchill en de Tweede Wereldoorlog wil weten zal aanzienlijk beter af zijn met een uurtje rondneuzen op Wikipedia. Is nog dertig euro goedkoper ook.

Harry van Wijnen, Blood, sweat and tears – Churchills onwrikbare geloof in de overwinning / ISBN 978-94-600-3606-4 / gebonden / € 29,95 / 352 pagina’s

Foto: Capt. Horton/War Office (Wikipedia)

  1. 3

    Dat gezeik over Chamberlain ook altijd. Ja, hij was de man van de appeasement, maar tegelijkertijd zorgde hij voor een gigantische opbouw van het leger. Zonder dat had Churchill met al zijn standvastigheid geen schijn van kans gehad.

  2. 4

    @2:

    Wat minder vermakelijk is: er wordt wél dertig euro gevraagd voor dit soort bagger.

    Daarnaast vind ik het een behoorlijk schokkende gedachte dat een (voormalig) bijzonder hoogleraar perswetenschappen een overduidelijk wanproduct produceert.

    Óf er zijn dingen veranderd in Van Wijnens werkwijze sinds-ie met pensioen is, óf de vaderlandse pers is een lachertje.

  3. 5

    ‘Churchills heldhaftige optreden”??
    Hij is de drijvende kracht achter de terreur bombardementen op Dresden en Hamburg om het aantal slechtoffers zo hoog mogelijk op te voeren, militair zinloos en te zien zijn als oorlogsmisdaden.
    Helaas overwinnaars worden zelden vervolgd.

  4. 6

    De boektitel luidt wel ‘Blood, sweat and tears’ tussen enkelvoudige aanhalingstekens. Dat mag dan in het Engels een gangbare uitdrukking zijn, net als het Nederlandse equivalent bloed, zweet en tranen. Maar in die historische toespraak zei Churchill “blood, toil, tears and sweat”, deze vier in die volgorde.