Quote de la Nuit – Een persoonlijk betoog

Geloven ziet in de eigen intentionaliteit (..) het gevaar van de fixatie op één mogelijk standpunt. De ‘werkelijke’ wereld wordt daarmee tot beeld. Dat wil de gelovige voorkomen. Zoals eerder gesteld, wordt hier aangenomen dat ook de gelovige zoekt naar een ‘adequaat symbolisch sub-universum’ – een beeld van de wereld dat correspondeert met de ‘werkelijke’ gesteldheid van de wereld. Zoals we ook al zagen is het woord ‘beeld’ daarbij eigenlijk al niet meer adequaat. Het woord ‘beeld’ houdt immers als vanzelf al een fixatie in. Daarom wordt geloven hier geduid als een ‘zich verhouden tot’ en niet als een ‘beeld van’ de wereld.
Nu zou tegengeworpen kunnen worden dat juist een religiositeitsbegrip waarin de rol van de eigen intentionaliteit ontkend wordt – zoals hier inderdaad gebeurt – wel tot de allergrootste en meest onverantwoordelijke dwalingen móet leiden. Immers, steeds zal de gelovige voor de oorsprong van zijn geloof wijzen op iets dat buiten hem ligt. Vanwege het ontbreken van de eigen intentionaliteit van de gelovige móet zijn geloof wel waar zijn. Dit kan leiden tot het allerergste extremisme!
Dit gevaar wordt echter door het eigen geloof genuanceerd voor zover daarin de notie van het transcendente wordt gecultiveerd. Voor zover geloven niet op zoek is naar ‘een beeld van’ maar ‘zich verhoudt tot’ de wereld mág het zich geen beeld maken. En voor zover in dit geloof transcendentie met niet-intentionaliteit of omgekeerde intentionaliteit wordt verbonden, kán het geloven zich ook geen beeld maken. Immers, zodra iets tot een beeld wordt, treedt het uit het domein van het religieuze of transcendente.

Perf bedrijft keiharde wetenschap op Panzerfaust (incl. niet-geraadpleegde literatuur)

  1. 3

    De auteur komt na een lange omweg uiteindelijk uit bij de hedendaagse filosoof Marion, die verdedigt dat een geloof altijd het transcendente, dat wat niet grijpbaar is, ons overstijgt zal moeten koesteren, en dat het als geloof zichzelf opheft wanneer het denkt dat transcendente in woorden of symbolen te kunnen vangen.
    Het grappige is dat de godsdienstfilosofie daarin gelijk op loopt met de theologie, waarin (vanuit een ander perspectief) ook weer veel aandacht is gekomen voor dat wat we nu jnuist niet kunnen zeggen, dat wat ons blijft ontsnappen.

    Het is allemaal waar, denk ik, en buitengewoon belangrijk. Uiteindelijk is er in de conclusie ook weinig nieuws. In de zesde eeuw v. Chr schreef Jesaja al: “U bent een verborgen God”, en ook op allerleiandere plekken in Oude en Nieuwe Testament wordt over de uiteindelijke ongrijpbaarheid gesproken. Of, in de woorden van bisschop Augustinus: “Si comprehendis, non est Deus”: Als je het begrijpt, is het in ieder geval niet God.

  2. 4

    Maar ook de wetenschap zoekt een ‘adequaat symbolisch sub-universum’:

    ‘Tengevolge van onze mogelijkheid om de taal te manipuleren, kunnen wij ook de wijze waarop het verschijnende aan ons zal gaan verschijnen, op grondige wijze beïnvloeden. Om een voorbeeld te noemen: door een wetenschappelijke taal te hanteren, constitueren wij de werkelijkheid tot wetenschappelijk denkveld. De verschijnende werkelijkheid valt niet samen met het denkveld van bijv. de natuurwetenschappen. Wij constitueren de werkelijkheid tot wetenschappelijk denkveld. Wij kunnen datgene wat wij in beschouwing wensen te nemen, afbakenen van datgene wat wij buiten beschouwing wensen te laten. Het woord is een machtig middel tot zelfbeperking die tot betere beheersing voert. Ook wanneer wij de werkelijkheid zien, betasten, proeven is er sprake van een beperking, maar deze beperking hebben wij niet zelf in handen. Vandaar mogen wij daar het woord ‘zelfbeperking’ niet gebruiken. Van de mogelijkheid tot zelfbeperking die ons dank zij de taal gegeven is of liever, die wij onszelf geven door taal te ontwerpen, leven de wetenschappen. Overigens wordt deze zelfbeperking niet uitsluitend in de wetenschappen aangetroffen. Ook de humorist en de satiricus beperken zichzelf door middel van het woord.’

    R.C. Kwant, Mens en expressie, 1968

  3. 5

    Boeiend betoog. Wereldbeeld, verbeelding, verwereldlijking. Een noodzakelijke tussenstap is natuurlijk ‘vertaling’, dwz gebruik maken van taal, en enthousiasme, dwz zich verliezen in een beeld (oorspronkelijk: zich verliezen in God, godsdienstwaanzin).

    ‘Als de waarheid niet in ons subjectieve denken zelf mag zitten, als het géén eigenschap kan zijn van onze eigen ideeën, maar een eigenschap van gedachten uit een andere wereld is, die we moeten vatten, dan kun je over een theorie over wat waarheid nou eigenlijk is niets meer zeggen dan: “Ik heb de gedachte gevat.” Daarnaast kun je zeggen: “Ik weet zeker dat hij waar is.” Het belang van dergelijke uitspraken valt echter te betwijfelen. Dat wordt dan ook veelvuldig gedaan, want er zijn heel veel mensen, en die hebben allemaal hun eigen mentale processen, fouten en vooroordelen. Daarom ontkomen we niet aan het formuleren van prescriptieve theorieën op basis van “de gevatte waarheid”. We geven daarmee “een schets van wat wij waar willen noemen.” We mogen echter niet de fout maken, deze theorieën te presenteren als de waarheid zelf. Dat mag zelfs Frege niet. Met het formuleren van theorieën stellen we dan ons subjectieve denken veilig. Want ons subjectieve denken, we hebben het eigenlijk zo lief.’ (Volg de link gedachte op http://www.humblisme.nl)

  4. 6

    Jongens,

    Wat een hoop bullshit wordt in de filosofie uitgekamd. Een gelovige is niets anders dan een beest, zoals alle andere mensen. Alle filosofie die over andere dingen spreekt dan over de dierlijkheid van de gelovige ontstaat ook als gevolg van deze dierlijkheid. De mens met zijn beestachtige overlevingsinstinct probeert zichzelf een aparte plek in het heelal toe te kennen, zichzelf als bijzonder, als superieur te beschouwen. Deze trek heeft twee voordelen. (1) de mens voelt zich daarbij lekker. (2) de mens vindt daarmee een excuus voor zijn misdaden tegen de andere beesten en tegen de andere mensen. Want, denkt de mens in zijn drogredenachtige gedachten, als je superieur bent, dat geeft je meer rechten en rechtvaardigt je misdaden.

    Dit is het enige waar je iets zinnigs kan zeggen zowel over de mens als over de gelovige. De rest is ledige lucht malen.

Quote de la Nuit

“Let me say what I think your problem is. You can use these harsh terms, but you are dealing with something new, and the question is, does the statutory monopoly that Congress has given you reach out to that something new. And that’s a very debatable question. You don’t solve it by calling it ‘theft.’ You have to show why this court should extend a statutory monopoly to cover the new thing. That’s your problem. Address that if you would. And curtail the use of abusive language.”
Rechter John T. Noonan vindt dat de advocaat van MGM (muziekuitgevers) zich in het hoger beroep tegen Grokster/Morpheus van demagogisch taalgebruik bedient. De uitkomst van deze rechtszaak zal van groot belang zijn voor de toekomst van peer-to-peer bestandsuitwisselprogramma’s.

Reacties zijn uitgeschakeld