Politiegeweld in Nederland (1): gebrekkige verantwoording

Nederland demonstreert tegen racistisch politiegeweld, terwijl het kabinet politiegeweld lichter wil bestraffen. Wat weten we eigenlijk over politiegeweld? De cijfers van politie en OM zijn zeer onvolledig en andere cijfers wijzen op een aanzienlijke discrepantie tussen praktijk en registratie. Morgen deel 2: wat er schort aan het wetsvoorstel.

Terwijl in de VS, in Nederland en elders wordt gedemonstreerd tegen racistisch politiegeweld, wil ons kabinet een lagere straf voor agenten die buitensporig politiegeweld toepassen. In plaats van vervolging voor algemeen geweld (doodslag of mishandeling) moeten agenten in de toekomst bij voorkeur vervolgd worden – als ze al worden vervolgd – voor ‘schending van de geweldsinstructie, waarop een maximumstraf van drie jaar gevangenisstraf staat, aanzienlijk lager dan maximaal 15 jaar voor doodslag. Terecht worden hierover kritische vragen gesteld, waarover morgen meer.

Wat opvalt in het wetsvoorstel is dat er geen cijfers worden opgevoerd over het gebruik van (buitensporig) geweld door de politie, alsof de feiten daarover volstrekt irrelevant zijn. Cijfers over politiegeweld zijn nodig om te controleren of de politie verantwoordelijk omgaat met het geweldsmonopolie. Bij het publiceren van het aantal interne meldingen van geweldstoepassingen in 2018 zei politiechef Frank Paauw daarover: “Het is absolute noodzaak om goed te kunnen duiden hoe vaak, waarom en op welke wijze de politie geweld toepast. Om verantwoording af te leggen aan de maatschappij, maar – minstens zo belangrijk – om van te leren.”

“Komt relatief weinig voor”?

Tot zover de theorie, in de praktijk lijkt de politie niet heel erg toegewijd aan het verzamelen van correcte cijfers over politiegeweld. Over de bijna 11.000 interne meldingen zei Paauw: “Als je bedenkt dat de politie vele tientallen duizenden “burgercontacten” per jaar heeft, dan blijft geweldgebruik incidenteel en komt het dus relatief weinig voor in het dagelijkse werk van een agent.”

Deze duiding van de cijfers getuigt van zeer gebrekkig inzicht in hoe deze cijfers tot stand komen. Van de politiechef mag je verwachten dat hij bekend is met het fenomeen ‘dark number’: een deel van incidenten blijft onbekend. Maar Paauw gaat er blijkbaar vanuit dat agenten geweldstoepassing altijd netjes melden en dat de meldingen dus een getrouwe weergave zijn van de realiteit.

In het maatschappelijk debat zien we ook die reflex om te zeggen dat het wel meevalt met politiegeweld, door bijvoorbeeld te wijzen op het relatief lage aantal doden door politiegeweld in vergelijking met de VS. Maar die aantallen zijn niet de enige reden waarom de cijfers over politiegeweld onder een vergrootglas moeten liggen. Het gaat er om dat we kunnen beoordelen hoe goed de politie erin slaagt cijfers hierover te verzamelen zodat we als samenleving een goed beeld krijgen van politiegeweld en de politie daarover ter verantwoording kunnen roepen.

En juist op dit punt kunnen we kritiek leveren: er schort nogal wat aan die cijfers.

Helft doden buiten beeld

Voor zover ik weet zijn er twee openbare bronnen van cijfers over politiegeweld. Het OM publiceert jaarlijks cijfers over dodelijke schietincidenten (zo’n 3-4 per jaar) en de politie publiceert elk jaar het aantal geweldstoepassingen dat intern is gemeld (in 2018 waren dat bijna 11.000 meldingen; cijfers voor 2019 zijn nog niet beschikbaar).

Maar deze cijfers zijn verre van volledig. Omdat het OM alleen schietincidenten telt blijft zeker de helft van het aantal doden dat jaarlijks onder verantwoordelijkheid van de politie valt buiten beeld, stelde Controle Alt Delete vast op basis van nieuwsberichten. In 2019 overleden niet vier mensen, zoals het OM meldt, maar negen mensen onder de verantwoordelijkheid van de politie. Sinds begin 2016 zijn in Nederland in elk geval 41 mensen onder de verantwoordelijkheid van de politie overleden.

Zelden is er veel (media)aandacht voor. Zo overleed op 14 maart 2020 Tomy Holten, die – zo blijkt uit videobeelden – “langdurig met zijn gezicht op de grond werd gedrukt terwijl een agent geknield zat op z’n rug/nek en een andere agent een politieschoen op zijn gezicht had”. Hij had niets strafbaars gedaan en was ongewapend.

Het is mogelijk dat het OM alleen over schietincidenten rapporteert omdat het in die gevallen altijd duidelijk is dat de dood veroorzaakt is door een handeling van de agent, ook in die gevallen dat het rechtmatig was. Bij arrestanten die overlijden tijdens of na arrestatie waarbij ander geweld is gebruikt is dat minder duidelijk. Maar eigenlijk mag dit geen reden zijn om deze gevallen niet te melden, omdat de politie in beide gevallen een zorgplicht heeft voor de arrestant. We moeten als samenleving dus inzicht hebben in alle gevallen waarin iemand overlijdt onder de verantwoordelijkheid van de politie.

Interne meldingen politiegeweld

Een mogelijk nog grotere discrepantie tussen registraties en werkelijkheid zit in de meldingen van geweldstoepassingen die agenten intern doen. Deze discrepantie komt naar voren als we de interne meldingen vergelijken met cijfers uit een enquête die de Inspectie Veiligheid & Justitie eind 2015 uitzette onder andere politieagenten, naar aanleiding van het overlijden van Mitch Henriquez door de nekklem (zie het rapport ‘De nekklem’).

In de enquête is een representatieve groep van bijna 1000 opsporingsambtenaren van de politie, KMar, DJI en nog twee organisaties gevraagd naar hun gebruik van fysiek geweld en specifiek de toepassing van ‘omvatting van de nek’ en ‘verwurging’. Op basis van de enquête komt de Inspectie tot een ‘indicatief’ aantal van bijna 110.000 toepassingen van fysiek geweld per jaar (de definitie van ‘fysiek geweld’ is in de enquête niet nader omschreven). Volgens het rapport kunnen we aannemen dat driekwart van de respondenten bij de politie werkt, dus komt driekwart van de 110.000 geweldstoepassingen voor rekening van de politie: ruim 75.000.

We kunnen ervan uitgaan dat de enquête een ondergrens aangeeft, omdat het aannemelijk is dat agenten die geweld toepassen minder geneigd zijn de enquête in te vullen, zeker in het jaar dat er zo’n ophef was over de dood van Mitch Henriquez. Deze kans van onderrapportage wordt ook gemeld in de bijlage van het rapport.

Fysiek geweld: factor zeven verschil

Er zitten wat haken en ogen aan de cijfers en de Inspectie waarschuwt dat de gevonden aantallen niet gezien moeten worden als exacte waarden maar als een “orde van grootte”. Dus laten we vooral kijken naar de discrepantie van de cijfers op basis van de verschillende bronnen.

De ruim 75.000 geweldstoepassingen die in de enquête worden genoemd kunnen we vergelijken met de ruim 13.000 interne meldingen die in 2015 door de politie zelf werden geregistreerd, oftewel: een factor vijf verschil. Deze cijfers zijn niet helemaal te vergelijken, omdat de politie alle geweldstoepassingen publiceert, inclusief wapenstok en vuurwapen, terwijl de enquête vraagt naar fysiek geweld. Uit het onderzoek van Jaap Timmer blijkt dat in 2010 81% van alle meldingen fysiek geweld betrof. Houden we hetzelfde percentage aan voor 2015 dan komen we op 10.700 meldingen van fysiek geweld. Het verschil tussen het aantal interne meldingen en zelfrapportage in de enquête is een factor zeven.

De nekklem: factor 2,7 verschil

Wat betreft de nekklem is de Inspectie zekerder dat de aantallen uit de enquête voor rekening komen van individuele opsporingsambtenaren. Uit de enquête komen ruim 20.000 nekomvattingen en 10.000 verwurgingen naar voren. Driekwart hiervan komt voor rekening van de politie: 15.000 nekomvattingen en 7.500 verwurgingen per jaar. Overigens zegt ruim 70% van de ondervraagde medewerkers dat ze in het voorafgaande jaar geen nekklem hebben toegepast, deze aantallen komen dus voor rekening van een kleine 30% van de agenten.

Het lijkt me dat de nekklem gezien het geweldsniveau intern gemeld moet worden. Hoeveel nekklemmen er in 2015 werden gemeld weten we niet, omdat de cijfers die de politie jaarlijks publiceert niet worden uitgesplitst naar type geweld. We weten wel, op basis van oudere cijfers in het onderzoek van politiesocioloog Jaap Timmer, dat in 2010 in een kwart (26%) van de fysieke geweldstoepassingen de nekklem/wurggreep werd toegepast (in 2005 was het percentage 43%). Van alle meldingen in 2010 betrof 81% fysiek geweld, dus van alle meldingen is 21% een nekklem/wurggreep.

Stel nu dat dit percentage in 2015 hetzelfde is, dan betreffen 21% van de 13.207 meldingen de nekklem/wurggreep: dat zijn er 2.773. Dit kunnen we vergelijken met de 7.500 verwurgingen die uit de enquête komen. Het verschil tussen het aantal interne meldingen en zelfrapportage in de enquête is een factor 2,7.

Geen actuele cijfers

De cijfers over de nekklem zijn belangrijk, omdat over deze techniek continu discussie is. In reactie op het recente voorstel van D66 om de nekklem te verbieden zegt Hans Schoones, voorzitter van politiebond ANPV, deze week: “De nekklem is in Nederland geen algemeen geweldsmiddel. Het wordt vrij beperkt en marginaal ingezet, eigenlijk alleen het echt niet anders kan.” Maar inzet van de nekklem was vóór 2016 ook uiterst middel – zoals elke geweldstoepassing (“belangrijkste wapen is de mond”, aldus de politie).

Jaap Timmer zei in juli 2015, vlak na de dood van Mitch Henriquez, al dat de nekklem op de politieacademie wordt afgeraden maar dat de techniek door agenten toch wordt toegepast. Toch blijkt uit de enquête die eind 2015 is afgenomen dat de nekklem door de politie zo’n 7.500 keer per jaar wordt toegepast. Na dit onderzoek van heeft de politie een landelijke instructie ingevoerd om verwurging te voorkomen, wat zou kunnen betekenen dat de nekklem nu inderdaad minder vaak wordt toegepast. Het punt is: er zijn vanaf 2016 geen cijfers beschikbaar, dus we weten gewoon niet wat de huidige stand van zaken is (zegt ook de politie zelf, aldus de NOS).

Discriminatie

Tot slot is er het probleem dat we bijzonder weinig weten over politiegeweld in relatie tot discriminatie. De cijfers die het OM en de politie publiceren zeggen niets over de afkomst of huidskleur van burgers tegen wie het geweld gericht was.

De meest recente cijfers hierover vinden we weer bij Controle Alt Delete, die op basis van nieuwsberichten hebben gekeken naar de vermeende afkomst van de overledenen: van de 33 mensen die in de jaren 2016-2019 overleden onder verantwoordelijkheid van de politie heeft 18% een ‘wit uiterlijk’, 43% een ‘niet-wit’ uiterlijk en van 39% is het niet bekend. Ook vermeldenswaardig is dat in meer dan de helft van de gevallen sprake was van ‘verward gedrag’.

Dit komt redelijk overeen met oudere cijfers uit het onderzoek van Jaap Timmer (bron, p.184), hoewel ook hij niet over volledige cijfers beschikt. In de periode 1998-2000 waren 5 van de 11 dodelijke slachtoffers ‘allochtoon’ en zes ‘oorspronkelijk Nederlands (autochtoon)’ – bijna de helft dus. Van alle 52 personen die in die jaren door politiekogels zijn geraakt, al dan niet dodelijk, is iets meer dan de helft allochtoon. Van 50 van de 67 dodelijke schietgevallen uit de periode 1978-2000 kon Timmer de afkomst achterhalen: 30 procent van de slachtoffers was van ‘allochtone’ herkomst [*].

Op grond van deze twee bronnen kunnen we in elk geval vaststellen dat er gegronde reden is tot zorgen over discriminatie bij de toepassing van geweld door de politie. Registratie door de politie zou zich ook hierop moeten richten.

Geen beeld van of visie op politiegeweld

Kortom, het lijkt erop dat de eigen meldingen van geweld door de politie een behoorlijke onderschatting zijn van het daadwerkelijke gebruik van geweld door de politie. In een recente beschouwing van de uitbreiding van geweldsbevoegdheden met less-than-lethal geweldsmiddelen formuleren Otto Adang, Bas Mali en Jaap Timmer principes voor een maatschappelijk verantwoorde en geaccepteerde uitoefening van het geweldsmonopolie, bijvoorbeeld dat geweld een uiterst redmiddel moet zijn en dat de geweldstoepassing moet plaatsvinden vanuit de kernwaarden van de rechtsstaat. Daarnaast is het ook belangrijk dat “een visie op de hantering van het geweldsmonopolie niet [is] gebaseerd op de waan van de dag, onderbuikgevoelens of beeldvorming maar op empirisch gefundeerde feiten en analyses”. Daarvoor is een betere registratie van geweld door de politie essentieel.

Het gebrek aan een visie op politiegeweld karakteriseert ook het huidige wetsvoorstel om de straf voor buitensporig politiegeweld te verlagen. Daarover morgen meer in deel 2.

Lees hier het vervolg: Politiegeweld in Nederland (2): fundamentele vragen

[*] Het is lastig deze cijfers te vergelijken omdat Timmer de CBS-definitie hanteert – afkomst op basis van het geboorteland van het slachtoffer of zijn/haar ouders – en Controle Alt Delete een indeling hanteert op basis van ‘niet-wit’ versus ‘wit’ uiterlijk. Timmers definitie neemt mensen met een niet-wit uiterlijk van latere generaties niet mee en mensen die voor ‘witte Nederlander’ kunnen doorgaan maar in het buitenland zijn geboren wel.

Er is nog een onderzoek naar politiegeweld dat weer een andere indeling gebruikt. In dit onderzoek naar 38 overlijdensgevallen (periode 2005-2016) waarbij de politie fysiek geweld gebruikte (schietincidenten niet meegenomen) komt naar voren dat 84% een ‘Kaukasisch’ uiterlijk heeft en 68% de Nederlandse nationaliteit (inclusief dubbele nationaliteit). Van 148 incidenten in 2015-2016 waarin vergelijkbaar zwaar geweld door de politie werd gebruikt, maar de arrestant niet overleed, had 40% een ‘Kaukasisch’ uiterlijk en 85% de Nederlandse nationaliteit (inclusief dubbele nationaliteit). Het is niet precies duidelijk hoe ‘Kaukasisch’ hier is gedefinieerd.

  1. 1

    Caucasian is een leenwoord dat gezien de herkomst (van dat woord) zeer te denken geeft. Het wekt bij mij de indruk dat men zich door het vocabulaire van een Amerikaanse spreker heeft laten leiden.
    In een Nederlandse context is een verwarring met Russische/Georgische criminelen niet uitgesloten.
    De aandacht wordt sowieso teveel van het eigenlijke probleem afgeleid door telkens weer een andere benaming voor dezelfde groep of hetzelfde probleem te introduceren.

  2. 2

    Goed artikel, wat nog ontbreekt is de wet die momenteel bij de eerste kamer ligt, ter goedkeuring.

    quotes:

    “In die wet wordt onder andere geregeld dat politieagenten een aparte status krijgen en in een speciale rechtbank, de zogenaamde ‘Blauwe Kamer’, zullen worden berecht als ze zich tijdens hun werk schuldig maken aan overmatig geweld. ”

    “Straks, als die wet er doorheen is, kunnen ze (de politie) alleen vervolgd worden voor het overtreden van hun ambtsinstructie.”

    https://www.lilithmag.nl/blog/2020/6/3/tweede-kamer-neemt-wetswijziging-lagere-straffen-bij-politiegeweld-stilletjes-aan

    https://www.vice.com/nl/article/g5pqdj/wat-is-er-aan-de-hand-met-dat-wetsvoorstel-over-politiegeweld

  3. 5

    Met dit voorstel komt er een specifieke strafuitsluitingsgrond voor opsporingsambtenaren die geweld hebben toegepast in de rechtmatige uitoefening van hun taak en daarbij hebben gehandeld volgens de geldende regels, de Ambtsinstructie. Overtreding van de bij de functie behorende geweldsinstructie wordt wel strafbaar.

    https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34641_geweldsaanwending

    Op zich vind ik wel redelijk dat agenten niet strafbaar zijn als ze zich aan de instructies houden.
    De vraag is op dit moment wel hoe die instructies eruit gaan zien.
    (volgens de 1e link van #2 is dit niet bekend:
    https://www.lilithmag.nl/blog/2020/6/3/tweede-kamer-neemt-wetswijziging-lagere-straffen-bij-politiegeweld-stilletjes-aan)

    En ik vind ook dat, als een agent de instructies niet naleeft, er normale vervolging mogelijk moet zijn voor alle delicten.
    Als ik de 1e link goed begrijp, kan dat ook (volgens Groen Links).

    Als er opzet in het spel is en een agent dus buiten ambtsinstructie heeft gehandeld, kan een agent gewoon net als nu worden vervolgd en zwaarder worden bestraft dan met de instructie in dit wetsvoorstel.

    Veel hangt natuurlijk af van de praktijk (hoe vaak wordt tot vervolging over gegaan, hoe beoordeelt een rechter of geweld binnen de instructies valt), en ik heb de indruk dat geweld door de politie bij het OM niet erg serieus genomen wordt.

  4. 6

    En andersom is het zo dat als je een agent per ongeluk even aanraakt, dat als poging tot doodslag kan worden uitgelegd.

    Ik begrijp hieruit wel dat in een voorkomend geval van politiegeweld je de agent dus minimaal met z’n tweeën moet benaderen: een overhoort de diender over de geweldsinstructie, zoals die op dat moment wordt toegepast op zijn familielid/vriend/relatie/medemens en de ander filmt het.

  5. 7

    @6: “En andersom is het zo dat als je een agent per ongeluk even aanraakt, dat als poging tot doodslag kan worden uitgelegd.”
    Dit steekt mij dus enorm. Geregeld zie je dan zo ergens in een nieuwsmedium dat een (niet zelden onterechte) arrestant veroordeeld wordt voor mishandeling als een agent tijdens de arrestatie een enkel verstuikt of een arm verrekt, terwijl diezelfde arrestant vaak echt door de politie mishandeld is tijdens zijn arrestatie, zonder enige consequentie (want gepaste “middelen” gebruikt volgens de ambtsinstructie).

    Zie ook Mitch Henriquez, van de vier agenten die bovenop hem zaten, hem met pepperspray volspoten en en hem sloegen terwijl hun vijfde collega Mitch dood wurgde is er uiteindelijk geen enkele veroordeeld (en de wurger kwam eraf met een voorwaardelijke straf). Het zit er dik in dat Mitch, had hij zich in zijn doodstrijd op de één of andere manier uit de verwurging weten te wringen, zelf wel veroordeeld zou zijn geworden voor mishandeling, omdat dat noodzakelijk met geweld had gemoeten, gezien de hoeveelheid geweld die de vijf agenten op hem toepasten.

  6. 8

    @2: En het was al zo dat ze bij misdaad alleen door hun eigen vrindjes in het korps beoordeelt moeten worden. Als die vinden dat hun vrindje niet verdacht is, dan word de Politiepersoon niet als verdachte aangemerkt want “Dat is een Stigma”.

    Je verzint het niet!

    Was de Nederlandse staat maar zo bang voor andere vakbonden.

  7. 9

    Nou, nou. Hier valt nog wel wat op aan te merken.

    In de eerste plaats is het doel van het kabinet is niet primair om agenten lichter te straffen. Het kabinet, en ook OM en politie, wil een aparte status voor agenten. Een status waardoor ze niet direct als verdachte worden aangemerkt als besloten wordt om tot vervolging over te gaan. Dat klinkt misschien vreemd, maar is dat opeens veel minder als je in ogenschouw neemt dat die aparte status er al is voor bijvoorbeeld militairen, artsen en advocaten. Die worden allemaal door een apart instituut beoordeeld als ze bij de uitoefening van hun werk fouten maken.
    Voor de volledigheid: dat wetsvoorstel kwam er (o.a.) nadat een Limburgs lid van een arrestatieteam tot 2 jaar cel werd veroordeeld omdat hij schoot op een auto waarin een man zat die werd verdacht van een aantal ramkraken. Een krankzinnige uitspraak die leidde tot ongeloof en woede. Binnen de politie, maar ook binnen de maatschappij.

    In de tweede plaats wordt een belangrijk detail van het wetsvoorstel (gemakshalve?) buiten beschouwing gelaten: “De regeling in dit wetsvoorstel voor strafbaarstelling van overtreding van de geweldsinstructie is alleen van toepassing wanneer een opsporingsambtenaar de geweldsinstructie schendt door een inschattingsfout of onvoorzichtigheid. Naast deze voorgestelde regeling kan het Openbaar Ministerie nog steeds gebruikmaken van bestaande wetgeving om een opsporingsambtenaar te vervolgen voor geweldsdelicten als mishandeling en doodslag. Dit kan het geval zijn wanneer een opsporingsambtenaar de geweldsinstructie met opzet overtreedt, bijvoorbeeld bij het disproportioneel toepassen van verwurgingstechnieken. Het Openbaar Ministerie bepaalt welk strafbaar feit ten laste wordt gelegd.”

    In de derde plaats is er sprake van verkeerde framing, o.a. door de woorden van Paauw (bewust?) verkeerd uit te leggen. Paauw doet niet anders dan benadrukken hoe belangrijk cijfers zijn. En, inderdaad, dat de politie gelukkig in de meeste contacten met burgers nog altijd niet hoeft over te gaan tot gebruik van geweld. Dat zou wat zijn, zeg.
    Stellen dat hij een dark number niet kent is een veronderstelling die nergens op is gebaseerd. Agenten zijn VERPLICHT geweld te melden. Altijd. Slaat hij met zijn wapenstok? Melden. Gebruikt hij pepperspray? Melden. Trekt hij zijn wapen? Melden, ook als hij niet schiet. Het melden van gebruik van geweld is net zo gewoon als het dragen van een uniform of het halen van koffie. Dus Paauw gaat er terecht vanuit dat agenten geweld netjes melden. Is het systeem waterdicht? Vast niet. Maar die registratie is in ieder geval een stuk betrouwbaarder dan een getal, verkregen uit een enquête waar mensen gevraagd wordt een schatting te geven.
    Bovendien: word je als agent betrapt op het verzwijgen van gebruik van geweld, dan kun je rekenen op disciplinaire maatregelen. Te stellen dat de daadwerkelijke geweldstoepassing 7 maal zo hoog zou liggen dan nu bekend is ronduit ridicuul. Als dat waar zou zijn, zou de legitimatie van onze politie heel wat meer ter discussie staan dan nu het geval is.

    In de vierde plaats wekt het stuk de indruk dat er in Nederland een flink aantal doden valt door toedoen van de politie: ‘Sinds begin 2016 zijn in Nederland in elk geval 41 mensen onder de verantwoordelijkheid van de politie overleden. Zelden is er veel (media)aandacht voor. Zo overleed (…) Tommy Holten, die (…) “langdurig met zijn gezicht op de grond werd gedrukt terwijl een agent geknield zat op z’n rug/nek en een andere agent een politieschoen op zijn gezicht had’. ‘
    Het aantal doden onder verantwoordelijkheid van de politie is echter iets héél anders dan doden door politiegeweld. Zo kan een aangehouden verdachte in het cellencomplex komen te overlijden door een hartaanval. Viel die verdachte onder verantwoordelijkheid van de politie? Ja. Overleed hij (of zij, dat kan ook nog) door politiegeweld? Nee. Wat het in het stuk aangehaalde Controle Alt Delete zelf overigens ook opmerkt: “Dit betekent volgens Controle Alt Delete niet dat al deze mensen omgekomen zijn door nalatig handelen van de politie, of dat de politie in deze zaken strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het betekent wel dat ze overleden zijn bij of vlak na hun arrestatie en dat hier grondig onderzoek naar gedaan moet worden om dit te voorkomen voor in de toekomst.”
    Waarom is de media-aandacht voor een dergelijke zaak eigenlijk maatgevend? Dat een zaak weinig media-aandacht krijgt, betekent niet dat de politie zonder meer overgaat tot de orde van de dag. Het overlijden van een verdachte of zwaar lichamelijk letsel wordt altijd onderzocht door de Rijksrecherche.
    En nog iets: Tommy Holten was dan wel ongewapend, hij rende ook door de supermarkt, viel mensen lastig en weigerde de winkel te verlaten. Hij had dus wel degelijk iets strafbaars gedaan, namelijk de openbare orde verstoren. Daarna verzette hij zich tegen zijn arrestatie, waarna agenten zich genoodzaakt zagen hem tegen de grond te drukken.

    Waren de voorgaande vier punten nog niet genoeg, bij de passage over discriminatie breekt mijn klomp pas echt. Wat gegoochel met cijfers – waarbij opnieuw de ‘onder verantwoordelijkheid van de politie’ klakkeloos wordt meegenomen – en bam, zorgen om discriminatie. ‘sprake van verward gedrag’ (lees: drank, drugs, psychose, etc.)? Doet niet ter zake. Context? De representatie van het aantal mensen van allochtone afkomst in criminaliteit (en dus misschien wel een vergrote kans om met de politie in aanraking te komen)? Irrelevant. Mijns inziens kan deze uitspraak de wetenschappelijke toets niet doorstaan.

    Kortom, het lijkt erop dat mevrouw Van Eijk geen idee heeft waar ze over praat. Sterker nog, ik weet het wel zeker.

  8. 10

    @9:
    Het kan kloppen dat artsen en advokaten door een apart instituut beoordeeld worden als zij bij hun werk fouten maken.
    Een zorginstelling heeft een klachtenregeling, de orde van advocaten kan iemand uit zijn ambt zetten enz.

    Maar volgens mij kunnen artsen en advokaten door een gewone rechtbank veroordeeld worden als zij een strafbaar feit begaan.

    (zelfs als hun acties al door een “apart instituut” beoordeeld zijn).

  9. 11

    @10: En dat kan nu ook nog steeds, zoals ik in mijn reactie ook schrijf:
    “Naast deze voorgestelde regeling kan het Openbaar Ministerie nog steeds gebruikmaken van bestaande wetgeving om een opsporingsambtenaar te vervolgen voor geweldsdelicten als mishandeling en doodslag. Dit kan het geval zijn wanneer een opsporingsambtenaar de geweldsinstructie met opzet overtreedt, bijvoorbeeld bij het disproportioneel toepassen van verwurgingstechnieken. Het Openbaar Ministerie bepaalt welk strafbaar feit ten laste wordt gelegd.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren