Ongelijkheid doet roesten (2)

Rutte zei een tijdje geleden: “Wij hebben geen armoede, wij hebben lage inkomens”. Ik heb het hier ‘het liegen van de waarheid’ genoemd. Kijk naar de bootvluchtelingen van Lampedusa en schaam je. Tegelijk ontkent Rutte een vraag, die er voor een groot deel van de mensen in het land wel degelijk toe doet, namelijk hoe de rijkdom in dit land wordt verdeeld. Dat is de klassieke vraag in de politiek: door Lasswell ooit samengevat in de vraag: ”Who gets what, when and how”.

“Geen armoede, maar lage inkomens”: ik probeer me het Haagse kantoor of de kroeg voor te stellen waar deze soundbite bedacht is. Het moet de ambtenaren of de politici buitengewoon veel genoegen hebben gedaan, toen ze deze boodschap vonden. Het is dicht bij de waarheid, een feitelijke opmerking en hij gaat voorbij aan de impliciete vervolgvraag of die inkomens misschien te laag zijn en of weer iets mee zouden moeten. Maar inderdaad, wie krijgt wat, wanneer en hoe?

Op mijn tekst van vorige week met deze titel werd gereageerd volgens een oud grapje: ”Ik heb kennis, jij hebt een mening, hij heeft een ideologie.” Als er iets is waar wij ideologisch over denken, dan is het wel het thema gelijkheid in de samenleving. Heeft Thatcher nu het vrije westen gered of heeft zij de ongelijkheid in Engeland sterk bevorderd? Het is maar welk deel van de realiteit je wilt zien en wat je wegfiltert. Waarom zijn we zo selectief in wat we zien?

Ik ben bang dat ik het antwoord niet weet. Maar ik weet wel dat je altijd toegankelijk moet zijn voor feiten, die je verrassen of waar je weerzin tegen voelt. De ongelijkheid in Amerika is tijdens Clinton wat afgenomen, maar het geld valt daar al decennia omhoog.  De analyses van bijvoorbeeld Paul Krugman zijn daarover helder. Maar ook Wilkinson en Picket hebben daarover informatie.

Nederland steekt daar relatief gunstig bij af: de trend in de ontwikkeling van ongelijkheid toont een vlakke lijn, al is de vrees dat die zal gaan toenemen. Maar kamerlid Irrgang en econoom Irrgang lagen een paar jaar geleden met elkaar overhoop toen het om de klimmende inkomensongelijkheid ging. Het is allemaal onzin, wist Stef Blok van de VVD. Maar is het wel de goede vraag? Misschien moeten we ook zonder historische ‘zwarte pieten’ weer eens kijken naar de ongelijkheid.

Het SCP geeft een reeks van GINI coëfficienten, die wijzen op een redelijk stabiele en lage ongelijkheid in Nederland. (SCP tabel uit k-bericht DNB 2008)

En het risico op armoede neemt bij ons door het beleid in de inkomensoverdrachten behoorlijk af.  (Vergelijk b.v. NL met het gemiddelde van de 27 landen van de EU)

Waarom is de ongelijkheid van betekenis? Het boek van Richard Wilkinson en Kate Picket, “The spirit level, why equality is better for everyone” (Penguin, 2010) geeft een verbluffend antwoord op die vraag. Niet hoe rijk de samenleving is heeft invloed op de levensverwachting, de criminaliteit, de volksgezondheid of het alphabetisme, maar de mate waarin die rijkdom gelijk (of eerlijk) verdeeld is. Samenlevingen met een groter verschil tussen rijk en arm zijn slechter voor iedereen. Bewijzen de auteurs dat? Het lijkt er wel op. Wilkinson en Picket gebruiken alleen officiële onderzoeksdata van anderen, zo mogelijk uit internationale organisaties, omdat dan de vergelijkingen tussen landen niet worden beinvloed door definities en verwerving en verwerking. De beweringen die zij doen zijn genuanceerd. Zij maken diagrammen van punten: als die op een as liggen, kan worden gesproken van een sterk causaal verband.

Zo vinden zij een sterke correlatie tussen ongelijkheid en gezondheids- en sociale problemen (fig 2.2) en tussen ongelijkheid en welzijn van kinderen. (fig 2.6)

Maar de koppelingen tussen maatschappelijke kwalen en het gemiddelde nationale inkomen levert veel minder op. (fig. 2.3) De USA scoort slecht, Nederland, Japan en  Zweden en Noorwegen goed.

De relaties hebben niet te maken met de totale welvaart of inkomen per hoofd.  De USA hoort tot de rijkste landen ter wereld, met het hoogste inkomen per hoofd, maar heeft de laagste gemiddelde levensverwachting van de ontwikkelde landen en scoort voor criminaliteit en moord aan het einde van de schaal. Ongelijkheid zorgt voor ziekten: obesitas en stress-gerelateerde ziekten hebben een markante correlatie met ongelijkheid.

Wilkinson en Picket lijken ook zelf verrast te zijn: hoe kruipt ongelijkheid onder onze huid? Wat er toe doet is, zeggen zij, waar wij staan ten opzichte van anderen in de samenleving. Zij voeren als  ondersteunende redenering  onderzoek van o.a.  Frans de Waal aan, over de samenleving van apen. Daar is de sociale strijd rond voedsel en vrouwtjes bepalend voor de het gevecht om de rangorde: wie staat waar in de sociale orde?

De Israelische filosoof Margalit zegt dat een fatsoenlijke samenleving bestaat wanneer de instituties de burgers niet systematisch vernederen. Dat is geen nieuws, maar het sluit opmerkelijk goed aan bij de opvattingen in de studie van Wilkinson en Picket. Ongelijkheid verdeelt, ongelijkheid doet pijn. De kwalen die ongelijkheid met zich brengt, kosten ons een vermogen.

Het onderzoek wijst uit dat Den Uyl het niet slecht zag. Economisch en politiek is er ongetwijfeld veel niet goed gegaan, maar met zijn inzicht in de sociale verhoudingen was niet veel mis. Ideologisch is dit een slotsom die bevredigend is, maar wat doen beleidsmakers hiermee? De Scandinavische landen en Nederland horen tot de egalitairste ter wereld en scoren prima op alle welzijnsprestaties, die door Wilkinson en Picket zijn onderzocht.

Maar wij liggen wakker van de zorgkosten, de volksgezondheid, de obesitas, de drugsproblemen, de criminaliteit. Misschien zou wat andere interesse, b.v. in de richting van meer gelijkheid, de samenleving beter laten functioneren en ontspannen maken.

foto IISG

  1. 1

    Het lijkt mij vrij verklaarbaar waarom niet het totale GDP maar een gelijkere verdeling tot hogere gemiddelde resultaten voor de gehele bevolking zorgt.
    Elke investering in minder welgestelden heeft veel meer resultaat. Elke extra investering in welgestelden levert daarentegen relatief weinig op.
    Neem bijvoorbeeld het effect van een minimaal zorg-niveau voor de onderlaag. Het aandeel dat de rijken van dat geld extra zouden kunnen besteden weegt daar in de welvaart statistieken lang niet tegenop.
    Vergelijkbaar met het klassieke voorbeeld van het effect per geïnvesteerde dollar in ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen.

  2. 2

    Boeiend artikel. Boeiend onderzoek ook van Wilkinson en Picket. Dat Den Uyl het goed zag is irrelevant. Het gaat erom dat politici en kiezers het in de tegenwoordige tijd goed zien. Dat ze verstandig zijn en zich niet laten vereppelen.