Na het conflict

Al sinds jaar en dag pogen universiteiten de wereld van de wetenschap dichter bij het volk te brengen door de zogeheten studium generale. Hoewel het begrip aanvankelijk stond voor een minimale verscheidenheid aan faculteiten en studies waardoor een instituut zich een universiteit mocht noemen, wordt het tegenwoordig meestal gebruikt om een verzameling lezingen en debatten aan te duiden, waarbij verschillende vakgebieden aan de orde komen. Zo biedt ook de universiteit van Utrecht zo’n reeks lezingen aan. Tijdens openbare bijeenkomsten krijgen wetenschappers een podium, waarop ze op toegankelijke manier mogen vertellen over hun onderzoek, waarna de bezoekers vragen kunnen stellen of debatteren over het thema van de avond.

Op 1 oktober was het thema ‘Na het conflict’. Tijdens het symposium, wat mede werd georganiseerd door de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen (SIB) en ontwikkelingsorganisatie Oikos, konden bezoekers aan verschillende tafels in debat gaan met wetenschappers en ervaringsdeskundigen, aan de hand van evenzovele invalshoeken – zoals de rol van kunst, journalistiek en internationaal recht in een postconflictsituatie.

Naming the Dead

De avond werd geopend door prof. dr. Beatrice de Graaf, hoogleraar “Conflict en Veiligheid in Historisch Perspectief” aan de Universiteit Leiden, bij het Centre for Terrorism and Counterterrorism. En daarnaast sinds dit jaar ook officieel Zomergast, wat zeker voor een wetenschapper een mooie “beloning” is en vooral ook een uitgelezen kans om eigen onderzoeksinteresses onder de aandacht te brengen.

In haar inleiding vestigde De Graaf specifiek de aandacht op het project “Naming the Dead”, wat gelijk ook de titel van haar lezing was. Het project is recent gestart door het Bureau for Investigative Journalism en heeft als doel het identificeren van slachtoffers van drone-aanvallen in Pakistan. Op het moment dat het project van start ging, was namelijk van slechts twintig procent van alle slachtoffers van Amerikaanse drone-aanvallen de identiteit bekend. En om een debat over de effectiviteit en de resultaten van deze Amerikaanse oorlogsstrategie goed te kunnen voeren, gebaseerd op zo volledig mogelijke informatie, dienen we te weten wie en wat de doden waren.

Waarheidsvinding

Hoewel de avond in het teken stond van zes zogenaamde V’s die belangrijk zijn in postconflictsituaties – verbeelden, verbinden, vergoeden, verzoenen, vooruitkijken en vergelden – pleitte De Graaf met haar nadruk op “Naming the Dead” voor het toevoegen van een W, namelijk die van Waarheidsvinding. En het Pakistaanse project is bij uitstek een voorbeeld van het achterhalen, registreren en openbaar maken van de waarheid; een proces dat eigenlijk nog voorafgaand aan de zes V’s moet plaatsvinden, dus ook al gedurende het conflict.

Het blijft echter de vraag of waarheidsvinding, zelfs al gaat het om een ogenschijnlijk ondubbelzinnig gegeven als de identiteit van een slachtoffer, altijd gunstig is voor de fragiele verhoudingen in (post)conflictgebieden. Zo moest ik terugdenken aan een zitting in de zaak tegen Ratko Mladic, die ik onlangs bijwoonde, waarin een van de advocaten van Mladic de verklaring van een expertgetuige in twijfel trok. De expert in kwestie had zich bezig gehouden met de identificatie van slachtoffers van de genocide die in 1995 in Srebrenica plaatsvond, maar de advocaat vroeg zich, niet geheel ten onrechte overigens, af hoe men zeker kon weten dat de opgegraven lichaamsdelen niet afkomstig waren uit reguliere graven van begraafplaatsen. En hoe men kon achterhalen of de slachtoffers daadwerkelijk onschuldige burgers waren, en en dus geen strijders.

Het lijken nogal obscene vragen, zeker gezien de omvang van de gruwelijkheden die destijds hebben plaatsgevonden, maar het laat wel duidelijk zien dat in een postconflictsituatie zelfs het identificeren van slachtoffers inzet van een politiek steekspel kan worden.

Openbaren van informatie

Dat er inderdaad spanning bestaat tussen waarheidsvinding en de zes V’s, en met name die van Verzoenen en Vooruitkijken, bleek later tijdens de discussie aan de tafel waar journaliste Lotte van Elp in debat ging met een tiental bezoekers. Ik was ook aan de tafel aangeschoven, omdat ik tijdens mijn eigen onderzoek op de Westelijke Jordaanoever diverse malen met ethische dilemma’s geconfronteerd werd. Het openbaar maken van bepaalde informatie kan namelijk fragiele processen van verzoening en wederopbouw danig verstoren of, op iets kleinere schaal, het leven van individuele informanten in gevaar brengen. En dan gaat het niet alleen om informatie in stukken in een krant, maar net zozeer om artikelen in een wetenschappelijk tijdschrift, ook al hebben de laatste maar een zeer select publiek.

We kwamen er met de deelnemers aan de tafel dan ook niet uit hoe je met dergelijke dilemma’s moet omgaan. Wat wel duidelijk bleek, was dat er geen eenduidige formule te bedenken is voor dit soort gevallen. Blijkbaar zijn het inschattingsvermogen en de ethiek van een journalist (en eventueel een eindredacteur) van doorslaggevend belang.

Hoewel ik, zonder al te postmodern te willen klinken, enkele malen had geprobeerd om het bestaan van (absolute) waarheden te ontkennen, het erop gooiend dat waarheidsvinding, of die nu journalistiek van aard is of niet, altijd onderhevig is aan interpretatie, werd hier niet verder op ingegaan. Jammer, want het gevaar blijft altijd bestaan dat informanten en zogenaamde fixers politieke of andere belangen hebben bij het presenteren of doorsluizen van bepaalde informatie. Zeker in (post-)conflictgebieden.

Verslaglegging

De uiteindelijke conclusie van het rondetafelgesprek was dat de W van waarheidsvinding inderdaad van groot belang is in (post)conflictsituaties, maar dat wij het, omwille van eenduidigheid, als een zevende V zouden formuleren; die van Verslaglegging. Net zoals de Waarheidscommissies in Zuid-Afrika bedoeld waren om alle individuele verhalen en getuigenissen te verenigen in een groot nationaal verhaal, en de vorming van een gedeeld collectief geheugen, dient journalistiek (en wetenschappelijk) onderzoek en de uiteindelijke weergave daarvan een groter doel.

Is het moeilijk om op neutrale wijze verslag te doen van ontwikkelingen in dergelijke situaties, en om te zorgen dat je geen onderdeel wordt van politieke steekspelletjes tussen de betrokken actoren? Absoluut. Maar je mag verwachten dat een verantwoordelijk onderzoeker zijn of haar stinkende best doet om zo objectief, oprecht en volledig mogelijk verslag te doen en om, zonder zelfcensuur toe te passen, zo correct mogelijk om te gaan met gevoelige informatie en met zijn of haar informanten.

  1. 2

    “Is het moeilijk om op neutrale wijze verslag te doen van ontwikkelingen in dergelijke situaties, en om te zorgen dat je geen onderdeel wordt van politieke steekspelletjes tussen de betrokken actoren?”

    Aan die vraag zou ik een g toevoegen. De vraag is niet of het moeilijk is. Dat is voor iedereen duidelijk de vraag is of het überhaupt mogelijk is. Je spreekt altijd bepaalde mensen wel en bepaalde mensen niet, bepaalde bronnen gebruik je wel en andere niet. Hoewel het taak blijft om je ogen nooit te sluiten voor de andere kant van het verhaal, is het de vraag of je ooit volledig neutraal en evenwichtig kunt zijn. Juist in een verhaal als van de aangehaalde Ratko Mladic. De Servische kant is een heel andere dan het verhaal dat de Bosniërs vertellen en daarin volledig neutraal zijn is onmogelijk.