Het Internationaal Olympisch Comité heeft besloten dat vanaf de Olympische Spelen van 2028 alleen “biologische vrouwen” nog welkom zijn in de vrouwencategorie, vastgesteld via een genetische test. Trans vrouwen worden uitgesloten. De maatregel ruikt naar het tevreden houden van de organisator van de volgende spelen, de VS, want de grootste druk en ‘verontwaardiging’ komt daarvandaan.
Maar de officiële rechtvaardiging klinkt bekend: eerlijkheid, gelijke kansen, bescherming van de vrouwensport. Alleen, er bestaat geen robuuste wetenschappelijke consensus dat trans vrouwen structureel een doorslaggevend voordeel hebben in alle of zelfs maar de meeste sporten. Sportprestaties zijn het product van een complex samenspel van training, genetische aanleg, toegang tot faciliteiten, coaching en voeding. Het idee dat één factor, een chromosoom of een verleden, dat geheel domineert, is een simplificatie die vooral politiek bruikbaar is.
Sterker nog, voor veel trans vrouwen geldt dat een medische transitie sportief gezien eerder een nadeel oplevert dan een voordeel. Hormonale therapie verlaagt spiermassa, kracht en uithoudingsvermogen, terwijl botmassa behouden blijft. Wat overblijft is zelden een superieure atleet, eerder iemand die zich opnieuw moet aanpassen aan een lichaam dat minder presteert dan voorheen.
En zelfs de voorgestelde genetische afbakening houdt geen stand. Een XY-chromosoom maakt iemand niet automatisch “man”. Intersekse variaties bestaan en zijn onderdeel van normale menselijke diversiteit. Dat zijn geen uitzonderingen die je weg kunt modelleren; dat is biologie die zich niet laat reduceren tot een binaire aan of uit.