COLUMN - van Mr. Drs. Kees Homan
Terwijl inkomende raketten dood en verderf zaaien onder onschuldige Iraanse burgers hield een bijzonder assertieve Tweede Kamer op 12 maart 2026 een debat, waarin onze grondwettelijke bevordering van de “internationale rechtsorde” en “internationaal recht” centraal stonden.
Minister van Buitenlandse Zaken, Tom Berendsen, had eerder op 2 maart 2026 in de Tweede Kamer al laten weten wel “begrip” te kunnen opbrengen voor de aanvallen op Iran. Op de vraag of die aanvallen in strijd zijn met het internationaal recht antwoordde hij op 12 maart 2026 in de Kamer: “Dat is niet aan mij om te beoordelen,”. “Dit kabinet vindt het internationaal recht belangrijk,” voegde hij daar nog aan toe. “Tegelijkertijd wil ik ook eerlijk zijn dat het internationaal recht niet het enige kader is dat je op deze situatie kunt leggen.” We moeten een meer realistische koers varen, zei hij, en daarin is maar beperkt ruimte voor het internationaal recht. Want uiteindelijk draait het, zo zei hij, om het “Nederlands belang in het buitenland” terwijl we “door de mist van de nieuwe wereldorde varen”.
Hoewel het internationaal recht cruciaal is voor het voorkomen van conflicten en het reguleren van grensoverschrijdende kwesties, staat de naleving ervan in de huidige politieke context dus vaak onder druk.