Het verlies van de aarde

RECENSIE - © Arbeiderspers cover Het verlies van de aarde van Nathaniel RichHet was het finest hour van milieuminister Ed Nijpels: de eerste echte grote internationale conferentie over klimaat werd gehouden in Noordwijk, The Netherlands. De waarschuwingen voor de opwarming van de aarde waren in ons land flink aangeslagen en nu kon dat kleine landje aan de stijgende zee laten zien dat het een voortrekkersrol wilde vervullen.

Daar in Noordwijk zou voor het eerst een harde limiet worden vastgesteld voor de stijging van de CO2-uitstoot. Een ‘stip aan de horizon’, zouden we nu zeggen. De bereidheid was er – of leek er in elk geval te zijn. De Amerikaanse president Bush, leider van de natie die goed was voor pakweg een derde van die uitstoot, had vaak genoeg gezegd hoe belangrijk hij het vraagstuk vond. De verwachtingen waren hoog gespannen. Maar het werd een teleurstelling.

Was ‘Noordwijk’ (in de gure novembermaand van 1989) voor Nederland het begin, in ‘Het verlies van de aarde’ van Nathaniel Rich is de conferentie het einde, het onderwerp van het laatste hoofdstuk.

Rich wil namelijk beschrijven wat vooraf ging, waarom er in de voorafgaande jaren, toen het probleem volkomen duidelijk werd en zelfs de Amerikaanse overheid onder de indruk was van de wetenschappelijke feiten, er uiteindelijk géén basis werd gelegd voor een effectief, dwingend, mondiaal klimaatbeleid. Met als gevolg dat de IPCC (het Intergovernmental Panel on Climate Change, die rond die tijd werd opgericht) uitdraaide op een Circus van de Goede Bedoelingen, waarbij de wetenschap mag zeggen dat de kans dat de mens de oorzaak is steeds waartschijnlijker wordt, de milieubeweging zijn toneelvoorstellingen geeft en de ambtenaren beterschap beloven. De oorzaak voor dit falen moeten we, aldus Rich, zoeken in het Witte Huis.

Achteraf gezien zijn er twee kantelpunten aan te wijzen. Het eerste kantelpunt was niét de ‘ontdekking’ van het antropogene broeikaseffect. Dat was al heel lang bekend; daarover werd in de jaren vijftig/zestig al het nodige gepubliceerd. Rich suggereert dat de ernst van de zaak pas voor het eerst werd ingezien door de Amerikaanse milieuactivist/lobbyist Rafe Pommerance, in 1979, toen hij over de opwarming een korte, cryptische mededeling aantrof in een saai rapport. Maar ingewijden waren er toen al druk mee in de weer. Desondanks start ‘Het verlies…’ met Pommerance’s pogingen politici hiervoor te interesseren. Zeker, de politici wisten van niks. Maar de milieubeweging (inclusief Pommerance) wist tot omstreeks 1980 óók van niks.

De eerste golf van aandacht voor deze dreiging verliep weer halverwege de jaren tachtig. De gevolgen en oplossingen lagen nog te ver weg, vond vrijwel iedereen (ook binnen de milieubeweging). ‘Broeikaseffect’ klonk ook niet dreigend genoeg. Maar toen waren daar ineens de CFK’s, die een gat sloegen in de ozonlaag. Daar krijg je kanker van. Enkele wetenschappers draaiden een verrassend eng filmpje in elkaar dat liet zien hoe elke zomer, jaar op jaar, er een steeds groter ‘gat’ ontstond boven Antarctica.

Dit was een zichtbaar probleem. Een ander voordeel: het was behapbaar. Met de productie van CFK’s waren een beperkt aantal spelers gemoeid. De Verenigde Naties pakte het op en zette alles op alles; de Verenigde Staten lagen dwars (want het was de VN), maar toen hoofdproducent Dupont (die de bui ziet hangen) mededeelde dat het de productie van CFK’s staakte, sloeg Washington om als een blad aan en boom, en benoemde zichzelf tot grote voortrekker op dit terrein. Het klonk alles bij elkaar bijna ideaal: Er was een zichtbaar probleem, een beheersbaar probleem, het bedrijfsleven boog, de politiek boog mee en er kwam een mondiale aanpak. Dat moest voor het broeikaseffect toch ook kunnen. Wetenschappers en activisten zochten samenwerking met de internationale ozonlaag-diplomaten. In de tweede helft van de jaren tachtig werd het bijna vergeten vraagstuk klimaatverandering plots onderdeel van de mondiale diplomatieke agenda.

Er was een tweede kantelpunt, en dat lag in de hete (Amerikaanse) zomer van 1988, wanneer NASA-klimaatwetenschapper James Hansen voor een Senaatscommissie vertelt dat die hete zomer bewees dat klimaatverandering een feit was. Die zomer was het eerste teken. De milieubeweging reageerde euforisch. Hansen haalt alle media. Maar hij zette daarmee ook een gevaarlijke stap. De Amerikaanse overheid moést met een antwoord komen. Olie- en kolenbedrijven sloegen de handen ineen. Oliereus Exxon, die tot die tijd redelijk meedacht over het terugdringen van de CO2-uitstoot, kroop daarna terug in zijn schulp.

En een nieuwe discussie werd geboren. Een hittegolf, dat is het weer. En het weer is iets anders dan het klimaat. Die discussie moest een keer komen, en loopt nog steeds. Hansens opmerking maakte van het tot dan toe redelijk open klimaatdebat een loopgravenoorlog. En de Amerikaanse overheid koos voor de kant van de industrie. Hansen, een ambtenaar, werd zoveel mogelijk de mond gesnoerd. En na enkele schijnbewegingen bleek in Noordwijk waar de Amerikanen werkelijk voor stonden. Als enigen blokkeerden ze toen de totstandkoming van een klimaatakkoord.

Nathaniel Rich benoemt het allemaal – maar tegelijkertijd is ‘Het verlies van de aarde’ zoals dat zo mooi heet deeply flawed. Ten eerste wilde Rich een spannend verhaal schrijven met een held en een boef. Pommerance werd de held, en het Witte Huis (vooral stafchef John Sununu) werd de boef. De lezer krijgt zeker in de eerste hoofdstukken de indruk dat de wereld zonder Rafe nooit van het broeikaseffect zou hebben gehoord. Sununu zélf blijft een vage dreiging op de achtergrond. Rich heeft hem wel gesproken, zo lijkt het, maar dat leverde geen verdieping op. Hij lijkt Sununu één vraag te hebben gesteld, namelijk waarom de VS in Noordwijk dwars ging liggen.

Welnu, volgens Sununu was die hele conferentie één grote leugen. De andere deelnemers zouden zich toch niet aan de afspraken houden. Een antwoord dat veel vragen oproept. Waarom koos het Witte Huis er dan voor om de rol van de grote boeman naar zich toe trekken? Als het toch nooit wat zou worden, waarom dan niet welluidend huilen met de wolven in het bos? En dan is er een diepere vraag: heeft hij gelijk? Waren anno 1989 ook al die andere regeringen niet bereid om écht iets te doen? Wat ging dáár mis? Daarover lezen we niets want ‘Het verlies..’ (en dat is een tweede flaw) is door en door Amerikaans. Buitenlanders spelen hooguit een bordkartonnen rol. Thatcher komt twee, drie keer vaag voorbij. Nijpels uiteraard nooit. Een minister uit de pacific vertelde (dankzij Rafe) dat zijn land volledig onder water komt te staan. Of dan dit vignetje (p.116):

‘Een Nederlandse waterbouwkundige vroeg zich af of het zin had dijken die door recente overstromingen waren verwoest, opnieuw op te bouwen.’

Alles draait om Rafe, zijn makkers en zijn tegenstanders. Het boek gaat eigenlijk ook alleen over hoorzittingen en conferenties. Niet alleen de rest van de wereld, ook de publieke beeldvorming ontbreekt vrijwel volledig. De vraag ‘hoe heeft het zo ver kunnen komen?’ (de boventitel van dit boek) is uiteraard interessant en relevant. Maar ze wordt niet beantwoord. Daarvoor is een veel bredere, meer diepgravende, meer analytische en vooral: minder romantische aanpak nodig.

Nathaniel Rich, Het verlies van de aarde, De arbeiderspers, 224 blz., € 22,50 (ebook 13,99)

  1. 1

    Misschien een volgend boek over de Europese verwikkelingen rondom dit thema en dan het derde deel over de Aziatische tijgers.

  2. 2

    Een beetje context bij die (vermeende) kantelpunten.

    In 1965 kreeg de Amerikaanse president een adviesrapport over milieuproblemen: Restoring the Quality of Our Environment. Elk thema in dat rapport werd beschreven door een subcommissie en er was ook een subcommissie die zich specifiek richtte op CO2 en klimaat.

    In 1968 verscheen het Robinson report: een advies aan het American Petroleum Institute dat waarschuwde voor de klimaatgevolgen van CO2-emissies.

    Er volgenden nog allerlei adviezen (het bekendste is waarschijnlijk het Charney report uit 1979), presentaties, artikelen in wetenschappelijke en populaire media, enzovoort. Dat politiek, of publiek, of industrie, of milieuorganisaties niet op de hoogte waren in 1979 of 1980 is simpelweg niet waar. Het werd alleen niet zo’n urgent probleem gevonden.

    De omslag in de jaren ’80 werd volgens mij niet zozeer door wetenschappers, politici of activisten veroorzaakt, maar vooral door thermometers. De opwarming die tot dan toe een voorspelling was geweest werd in die periode ook echt waarneembaar. Als je het mij vraagt is dat het echte kantelpunt.

  3. 3

    @2: zo’n rapport uit 1968 kon alleen waarschuwen op alleen de grond van het feit dat die commissie was ingesteld om een zorgpuntje te behandelen. Er. Waren. Geen. Gegevens. waar je op kon bouwen.

    Kom nou niet met “met de kennis van toen”.

  4. 4

    Kom nou niet met “met de kennis van toen”.

    Als het over rapporten uit die tijd gaat, maar ik mag niet aankomen met “de kennis van toen”, houdt het wel op. Of bedoel je te zeggen dat het je niet zoveel interesseert wat er toen al bekend was?

    Het broeikaseffect was al lang onomstreden wetenschap in de jaren ’60. De stijging van de CO2-concentratie was ook gemeten. (Dat was tot in de jaren ’50 de meest onzekere factor, omdat niet bekend was hoeveel van de CO2-emissies opgenomen worden door oceanen en biosfeer.)

    Alles wat men wist wees erop dat het op zou warmen als de CO2-concentratie toe zou blijven nemen. Het enige argument dat overbleef om daaraan te twijfelen was de hoop op een onbekende feedback in het klimaat die die opwarming zou dempen.

  5. 5

    @4: Ik zal je nog wat vertellen, “met de kennis van toen” kregen wij op school alleen maar scenario’s van strenge winters hahaha met je broeikas.

    Dus nee, ik geloof niet zoveel van die mierzoete reconstructies en nieuwe meetreeksen waaruit blijkt dat we vroeger tot ons 19e maar 3 hittegolven hadden meegemaakt…

  6. 6

    @5: merkwaardige school zat jij dan op. Ik heb nooit een enkel “scenario” voorbij horen gaan. Klimaat was geen punt, slechts een gegeven. Klimaatzones e.d. Weet wel van de populaire wetenschappelijke artikelen en hoofdstukken in tijdschriften zoals Kijk. De boeken heb ik nog, omdat het weer al mijn interesse had sinds ik ca.10 jaar oud was. Veel leuke plaatjes met simpele verhaaltjes, want wat wil een kind verder? En verrek, daar dus wel sensationele verhalen over komende ijstijden!

    En omdat ik die boeken nog heb en inmiddels niet meer populaire tijdschriften en boeken met plaatjes meer koop, maar mijn info in de wetenschappelijke pers haal en internetplekken bezoek die zich daar op richten, ben ik nog eens gaan checken. En wat bleek? Aan het einde van die snowpocalipse artikelen kwam zelfs toen al de toevoeging dat het onwaarschijnlijk is dat zoiets snel zou gebeuren en dat het eerder zou gaan opwarmen omdat het CO2 gehalte van de atmosfeer aan het toenemen was. Tsja, wie had dat nu gedacht.

  7. 7

    @6: De Kijk ja. Als die in de middagpauze al binnen was moest mijn moeder me naar school jagen omdat ik de tijd weer eens vergeten was. Veel uit geleerd. Echt veel.

    Ooit begon ik weerberichten uit de krant te knippen en in een soort dagboek te plakken. Ik heb het niet lang volgehouden.

  8. 8

    @7: Ja dat vereist nogal wat discipline.
    Lukt me zelfs vandaag de dag niet. In Finland is een weerdagboek zelfs heel gewoon. Sääpäiväkirja boekjes worden speciaal gedrukt voor dat doel en zijn in elke boekhandel te krijgen.

    Ik doe het dus zoals de meesten (en waarschijnlijk zoals ook kneistonie doet) en probeer het me maar te herinneren. Alleen maak ik dan geen sweeping statements over weer uit het verleden. Geen idee meer wat de echte temperatuur was. Heet, koud, nat, alles op gevoel. Gelukkig hebben we het KNMI nog, daar kan mijn “het was bereheet” toch echt niet tegenop.