Goed volk | Kleften, poëtische bandieten

COLUMN - Ik heb bijna al het werk van schrijver en avonturier A. den Doolaard in de kast staan, maar voor zover ik heb kunnen nagaan heeft hij nooit over de Kleften in het noorden van Griekenland geschreven, hoewel hij deze lieden volgens mij toch bijzonder interessant en sympathiek zou hebben gevonden. Maar Den Doolaard was meer gecharmeerd van de Griekse eilanden en schreef voorts over de enigszins vergelijkbare Bulgaarse Komitadji in Macedonië en de moordenaars die in het vooroorlogse Joegoslavië als gevolg van bloedwraak de bergen invluchtten: zie het overbekende De herberg met het hoefijzer.

De Kleften (ook gespeld: Klephten, vertaling van het Griekse Kléftes, enkelvoud Kléftis, van het werkwoord kléptein (stelen), waren in eerste instantie Grieken die in de vijftiende tot en met de negentiende eeuw op de vlucht voor het gezag van die tijd, de Ottomaanse bezetter, de bergen in vluchtten. Deze vluchtelingen hadden meestal iets op hun kerfstok, dat niet zelden met bloedwraak of schulden te maken had, maar waren ook niet bepaald vriendjes van de Turken. Ze klitten samen tot een aparte bevolkingsgroep met een eigen cultuur op het gebied liederen/poëzie, muziek, dans en zelfs eten. De meeste Griekse restaurants in Nederland serveren een schotel die kleftiko wordt genoemd: ‘in de stijl van de Kleften’.

Ze mengden zaak vaak met de Sarakatsáni, Griekse nomadenherders die eeuwenlang geïsoleerd in de bergen hebben geleefd (veel beroemde Kleften waren Sarakatsáni). Antropoloog John Campbell (Oxford) heeft het in zijn betreffende artikel in de bundel Minorities in Greece (2002) in één adem over ‘The Sarakatsani and the klephtic tradition’.

Vrijheidsstrijders

De Kleften zijn niet alleen populair geworden als vrijbuiters die buiten de wet leefden, maar vooral als vrijheidsstrijders die de strijd met de Turkse bezetter aangingen. Ze werkte daarbij regelmatig samen met de Armatoloi, een soort Griekse huurlingen die weliswaar benoemd waren als handhavers door het Turkse gezag, maar in de praktijk eerder samenwerkten met de Kleften en regelmatig deserteren om zich bij de rebellerende bandieten te voegen.

Vrijheidsstrijdende Kleften

De Turken hebben zich aan dit soort benoemingen wel vaker een buil gevallen. Zo werkte de Albanese veldheer Ali Pasha officieel voor de sultan van Istanboel, maar regeerde vanuit het Griekse Ioannina als een soort warlord over een eigen rijk, los van de Ottomaanse en Griekse belangen. Het werd hem tenslotte fataal, maar hij was toen al hoogbejaard. Hij werd gedood in een kloostertje op het eilandje in het meer van Ioannina door de Kleft Koljas.

De lezer zal begrijpen dat de term ‘Kleften’ niet eenvoudig eenduidig te definiëren valt. Men kan zich het beste een voorstelling van hen maken door op de benaming de etiketten Grieken, vrijbuiters, verzetsstrijders en bergen op te plakken. Maar het waren ook bandieten en rovers. Omdat ze geen eigen middelen hadden overvielen en bestalen ze reizigers en stalen ze lammeren en geiten van de bewoners uit bergdorpjes om in hun vleesbehoefte te voorzien. Maar ze speelden in de achttiende en vooral negentiende eeuw een niet te onderschatten rol in de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog. De Griekse generaal Yannis Makriyannis (1797–1864) refereerde aan de Kleften en Armatoloi in zijn memoires (eerste uitgave 1907) als de ‘gist van vrijheid’.

Yannis Makriyannis

Eigen cultuur

Zoals gezegd hadden de Kleften een eigen cultuur waarin balladen, de kléftika tragoúdia, een hoofdrol speelden. Ze handelden over het algemeen over de heldendaden en dood van een specifieke Kleft of groep Kleften, of over de het leven van de Kleften in het algemeen. De balladen waren het populairst in Epiros, Thessalia en de Peleponnisos. Logisch, dit waren de Griekse landstreken met de bergen waarin de Kleften zich verborgen hielden.

De bekendste Kleftenballade is getiteld ‘De strijd tussen de Olympos en de Kissavos‘ (de Kissavos is het kleinere broertje van de Olympos die een kleine duizend meter lager is en enkele tientallen kilometers ten zuiden van de Olympos ligt), waarvan het thema waarschijnlijk ontleend is aan een klassiek Grieks motief zoals dat tot uiting komt in een lied dat toegeschreven wordt aan de lyrische dichteres Kórinna, die leefde tussen 522 en 443 voor Chr, en waarin een wedstrijd tussen de bergen Helikón en Kithairón wordt beschreven.

De Tsjechische componist Antonín Dvořák schreef onder meer een liederencyclus getiteld ‘Drie moderne (Griekse) gedichten‘; ‘Tři novořecké básně’, opus 50 op teksten van Václav Bolemír Nebeský, getiteld ‘Koljas’, ‘Nereidy’ en ‘Žalozpěv Pargy’. De wakkere lezer zal de naam Koljas hebben herkend.

Onderzoek

Naar de Griekse volksliederen uit die tijd en met name naar de Kleftenballaden is het nodige onderzoek gedaan. Het fenomeen van de Kleften is goed gedocumenteerd: vanaf de zeventiende eeuw en mogelijk zelfs vroeger. De Kleftenliederen behoren tot de, weinig verrassend, dimotiká tragoúdia, hetgeen gewoon ‘volksliederen’ betekent.

De bestudering hiervan heeft met twee specifieke problemen te kampen. Ten eerste gaat het om een orale traditie die pas in de negentiende eeuw gedeeltelijk werd opgetekend waarbij men zich direct moet afvragen in hoeverre de opgetekende versies van de prototypen afwijken. In de tweede plaats: de optekening van de liederen werd in eerste instantie ter hand genomen door filhelleense Europese verzamelaars en pas rond 1830 voortgezet door Griekse literatoren, waarbij de vraag moet worden gesteld in hoeverre hun optekeningen ingegeven waren door nationale overwegingen en wat de invloed daarvan was op de integriteit van de optekeningen.

Vijf soorten volksliederen

In navolging van de peetvader van dit vakgebied, Nikolaos Politis (1852-1921) onderscheidt men heden ten dage vijf soorten Griekse volksliederen:

  1. de paralogés, liederen gesitueerd in een min of meer onbepaald mythologisch of historisch verleden;
  2. de akritiká tragoúdia, dezelfde als de voorgaande, alleen gecentreerd rond de held Digenís Akrítas, waarvan de volksliederen hun oorsprong vinden in het gelijknamige epos uit de tiende of elfde eeuw;
  3. de isoriká tragoúdia, liederen over belangrijke feitelijke historische gebeurtenissen, met name de val van Constantinopel (1453), het nationale Griekse trauma;
  4. onze kléftika tragoúdia en tenslotte
  5. overige, waaronder meer lyrische liederen (de andere zijn meer van narratieve aard) als liefdesliederen, ballangschapsliederen, religieuze liederen, kinderliedjes et cetera.

Ten aanzien van (3): ik was benieuwd of het lied ‘O tres piteulx’ getoonzet door Guillaume Dufay (ca 1400-1474), gebaseerd zou kunnen zijn op een ‘isoriká tragoúdi’, maar uit nader onderzoek bleek dat de tekst van dit werkje gebaseerd is op twee perikopen uit het bijbelboek Klaagliederen. Het geeft wel een indicatie in hoeverre de verovering van Constantinopel, inclusief de belangrijkste kerk van het christendom, de Aya Sofia, door de Turken, niet alleen voor het oosten maar ook voor het westen een traumatische gebeurtenis was. In het huidige Griekenland is deze gebeurtenis nog hoogst actueel.

Volkspoëzie

De classificatie van Politis is overzichtelijk, waarom ik het hier ook heb weergegeven, maar in de praktijk veel te grof aangezien de klassen niet zo strikt te scheiden zijn en bij nader inzien door elkaar lopen. Zo kunnen Kleftenliederen zowel tot de ‘paralogés’ als tot de ‘isoriká tragoúdia’ behoren. Of het kan gewoon een liefdesliedje zijn. Onderzoeker Roderick Beaton (Folk Poetry of Modern Greece, 1980) kwam tot de conclusie dat het systeem van Griekse volksliederen dynamisch was: volkse zangers putten voor hun improvisaties uit een uitgebreid repertoire van motieven, thema’s, verhaallijnen en taalkundige formules, maar hierbij fabriceerde men individuele creaties, zodanig dat er sprake was van de schepping van een heel nieuw verhaal of de herwerking van bestaande motieven tot nieuwe motieven.

De betekenis en functie van de ‘dimotiká tragoúdia’ uit de Ottomaanse periode was nauw verbonden met dieper liggende culturele waarden en aspiraties en vormden zo de ruggengraat van de Griekse culturele continuïteit tijdens de Turkse bezetting.

De Kleftenliederen zijn wat dat betreft een treffend voorbeeld. De liederen vallen – conform de Kleften zelf – in twee groepen uiteen: de oudere liederen uit de zeventiende en achttiende eeuw en de liederen die ontstaan zijn tijdens de Griekse onafhankelijkheidsoorlog. De oudste liederen vertonen geen sporen van nationale betrokkenheid, maar geven uiting aan bepaalde culturele waarden en aspiraties, waaronder het ideaal van de absolute persoonlijke vrijheid onder zowel het wettelijke gezag dan wel het gezag van de bezetter. Historisch bezien is de betrouwbaarheid gering. De nationalistische lezing van deze liederen is een gevolg van de romantische en nationalistische negentiende eeuw.

Hoe de liederen klonken

De Kleften bestaan niet meer en hun levende liedcultuur is ‘gefossiliseerd’. Het op schrift stellen van de dynamische orale traditie heeft deze de das om gedaan maar aan de andere kant tot op zekere hoogte gered. Liederen en dansen van de Kleften worden nog steeds uitgevoerd, al is het maar in een restaurant voor toeristen. Wie enig idee van de ‘kléftika tragoúdia’ wil hebben bekijke de volgende filmpjes op YouTube: hier, hier, deze met oude afbeeldingen, deze uit 1986 en tenslotte hier, met voor wie Nieuw-Grieks kan lezen de nodige info over de Kleften.

Reacties zijn uitgeschakeld