Een leven lang leren

DATA - Europese beleidsmakers willen graag dat ook volwassenen naar school gaan, of in ieder geval iets leren. Als beleidsmakers het belangrijk vinden, moet het eerst gemeten worden. En dat is geen eenvoudige opgave. Want wat is leren als je er geen gebouw aan kunt koppelen? In het initiële onderwijs is het gemakkelijk; je meet simpelweg hoeveel mensen geregistreerd staan bij een onderwijsinstelling. Met geavanceerde apparatuur meet je aan- en afwezigheid en als je geluk hebt zijn er goede toetsen die vooruitgang in het leren meten. En ook als ze niets leren, is verblijf in een onderwijsinstelling nuttig, want het stelt de ouders in staat om economisch actief te zijn. Dat is niet cynisch bedoeld, maar één van de maatschappelijke functies van het onderwijs: onderdak bieden. Liefst met een beetje fatsoenlijke luchtkwaliteit en schone toiletten.

Voor volwassenen moet je terugvallen op enquêtes. Waarbij je ook nog onderscheid moet maken in formeel en informeel leren. De Europese Commissie voert om de zoveel jaar een enquête uit. In Nederland is die voor het laatst in 2010 door het CBS uitgevoerd (ik wacht met spanning de resultaten van de CVTS af). In Nederland is er nog een goed meerjarenonderzoek gedaan naar LLL, door het ROA. Het rapport bevat een schat aan inzichten. Een paar opvallende resultaten:

De deelname aan scholing door werkenden en niet-werkenden is in de periode 2004-2010 nagenoeg onveranderd gebleven. 53% van de werkenden gaf in 2010 aan dat ze in de afgelopen twee jaar aan één of meerdere cursussen hadden deelgenomen. Er is een harde kern van een op de vijf werkenden, die gedurende de loopbaan nog nooit een training of cursus heeft gevolgd. Het gaat hier vooral om laagopgeleiden en werkenden in de sectoren horeca, handel en cultuur. Het percentage van de werktijd dat werknemers besteden aan activiteiten waarvan zij kunnen leren neemt gestaag af. De afname tussen 2004 en 2007 heeft zich tussen 2007 en 2010 verder doorgezet. Deze daling doet zich uitsluitend voor bij laag- en middelbaar opgeleiden. De bereidheid om aan scholing deel te nemen is lager als een eigen financiële bijdrage wordt gevraagd en hoger als de training in de baas z’n tijd kan worden gevolgd.

Een leuke grafiek vond ik onderstaande. Het geeft aan welke vaardigheden men belangrijk acht in het werk. De lage score op buitenlandse talen vind ik het meest opvallend. Alle verhalen over globalisering ten spijt: velen van ons redden zich blijkbaar prima zonder kennis van buitenlandse talen.

Uit de antwoorden van de respondenten in 2010 blijkt dat het “omgaan met mensen” het belangrijkste aspect is gevolgd door “vakspecifieke kennis” en “duidelijk communiceren”. Deze volgorde is precies hetzelfde als in 2007.

De figuur laat zien dat er een aantal aspecten is die werkenden interessant vinden, terwijl ze er ook relatief goed in zijn (vak rechtsboven in de figuur). Het gaat hier om analytisch denken, vakspecifieke en technische kennis, nauwkeurigheid, informatie verzamelen en verwerken, omgaan met mensen, organiseren en doorzettingsvermogen. Ook zijn er vaardigheden waar men relatief minder goed in is en die men ook minder interessant vindt. Dit geldt met name voor commercieel inzicht en het werken met computers, maar ook voor vaardigheden op het gebied van talen en schijven (buitenlandse talen, schrijven, presenteren) en time management.

Originele publicatie

  1. 2

    Ja mooie grafiek. Mensen vinden zichzelf vooral goed in zaken die nogal vaag zijn (analytisch denken, omgaan met mensen), maar zodra het neerkomt op concrete (en enigszins meetbare) vaardigheden (schrijven, talen, computers, rekenen, etc.) worden mensen daadwerkelijk geconfronteerd met het feit dat ze er niks van kunnen. Helaas leidt deze constatering niet altijd de tot een relativerend besef wat betreft hun minder makkelijk meetbare vaardigheden.

  2. 6

    Ja, ja, zie je wel, geldt zeker ook voor mij! Trouwens, geldt voor @0 en voor alle alle reacties, goedbeschouwd. En zijn geen paradoxen maar is een dialectisch proces.