Bosnisch-Nederlands-Engels-Japans-Koreaans

RECENSIE - Engels is geen echte wereldtaal, dus leert de Bosniër die beter Nederlands dan Bosnisch spreekt het Japans dat vele malen rijker is, en het Koreaans om de vooroordelen van zijn aanstaande schoonouders te bestrijden.

De jonge acteur en theatermaker Vanja Rukavina (bijna 30) heeft een ontdekking gedaan: dat taal nauw samenhangt met cultuur, wereldbeeld en identiteit. Hij is er zo verguld mee dat hij z’n publiek bij aanvang van de voorstelling een 20 minuten durend hoorcollege taalkunde bezorgt staande achter een katheder op het toneel. Dat je even denkt: dit weet ik wel als oudere jongere, waar is de uitgang?

Tot Vanja ineens vanachter z’n spreekgestoelte stapt voor een onophoudelijke snelle en beeldende  stroom aan voorbeelden uit vijf talen vanuit z’n eigen praktijk: met Nederlands als moedertaal vanwege z’n opvoeding in deze cultuur; het Bosnisch dat hij met de nodige fouten spreekt; zijn fascinatie voor het Japans dat hij leert; z’n afkeer van het Engels als onterecht gekwalificeerde wereldtaal; en tenslotte de worsteling om de moedertaal van zijn Koreaanse bruid-in-spe te leren.

Zijn vrouw spreekt vloeiend Engels en in die taal heeft ze hem duidelijk gemaakt dat haar ouders – die Vanja nog nooit ontmoetten – hun aanstaande huwelijk afkeuren omdat hij buitenlander is die hun taal niet spreekt en niet met een ‘normaal’ vak goed verdient. En dus is, ook ongezien, de afkeer al snel wederzijds. Vanja vermant zich en wil een brug slaan door hen in het Koreaans tegemoet te treden. Hij oefent hardop op het toneel.

Maar zijn hart ligt er nog niet, wel bij het Japans, een heel andere taal. Gefascineerd en overtuigend toont Vanja de rijkdom van het Japans en vooral van Kanji-schrift waarin de ruim tweeduizend nog gebruikte tekens ieder een betekenis hebben en in combinatie verschillende betekenissen krijgen op grond van de context.

Zo maakt Vanja ons deelgenoot van een taal waarin context de betekenis bepaalt. Anders dan bijvoorbeeld het Nederlands waarin alles in de woorden en grammatica zelf vastligt. Het doet je als kijker nadenken over de Nederlandse identiteit. Hebben wij de intense drang om alle zo hard mogelijk te benoemen? Hangt dat samen met de cultuur van directheid die buitenlanders bij ons ontwaren? Daar gaat Vanja niet op in.

Wel op de armoede van het Engels, waarvan hij de benoeming tot wereldtaal als onterecht kwalificeert; inclusief zijn afkeer van Amerikaanse en Engelse culturele heerschappij (die hij voor het gemak op één hoop gooit) die daarvan het gevolg is. En nog erger is geworden door internet, Google en Wikipedia. Waardoor wij zo ontzettend veel missen van andere, rijke culturen.

Echt theatraal wordt de voorstelling met dialogen met z’n moeder die Vanja overtuigend naspeelt. En met een intermezzo van heftige muziek en dans, begeleid door woordenstromen op het beeldscherm erachter, waarmee hij de angst uitbeeldt om met z’n identiteit te verdwalen tussen de talen.

Tot dan heeft hij z’n publiek keer op keer op het hart gedrukt om vreemde talen te leren teneinde je wereldbeeld te verrijken en daarmee je identiteit te verbreden. Wat zo hard nodig is nu velen zich terugtrekken op het culturele eilandje binnen de eigen taal- en landsgrenzen.

Om zichzelf vervolgens compleet tegen te spreken met een verhaal over het kerstdiner met z’n louter goed Bosnisch sprekende ouders (waarom spreken ze geen vloeiend Nederlands na al die jaren?), Bosnische zus met Poolse vriend en Vanja met Koreaanse vriendin. Zij uit ineens, na aanhoudend mislukte pogingen om tot iets van conversatie tussen ouderen en jongeren te komen, het woord ‘hvala’. Dit Bosnische woord voor ‘dankjewel’ brengt een gelukzalig gevoel van saamhorigheid aan de kerstdis. Het is genoeg, zo kan het ook, vindt Vanja.

Van dit contrast is hij zich bewust als ik het hem na afloop voorleg: talen leren of op met wat woorden op gevoel elkaar toenaderen? Het een sluit het ander niet uit. Deze vertwijfeling hoort bij kunst, net als Vanja’s persoonlijke worsteling om met het leren van Aziatische talen zich ook die culturen eigen te maken. Kan dat eigenlijk wel?

Taal is geen wiskunde, cultuur geen natuurkunde; met z’n bagage heeft Vanja nog wel wat mooie voorstellingen in petto, zeker over zijn kinderen straks. Graag ‘show, don’t tell’, zonder hoorcollege. Laat dat maar over aan Paulien Cornelisse, toevallig ook Japans sprekend, die vanuit de Nederlandse cabarettraditie over taal. Vanuit het acteurschap van Vanja kan het theatraal zoveel boeiender worden.

Nu al leverde Language (wel een Engelse titel) hem een nominatie op voor de BNG Bank Theaterprijs voor jong theatertalent. De jury roemt de soepelheid waarmee hij z’n taalkennis etaleert: ‘Hij schakelt moeiteloos van de ene naar de andere taal en opent een geheel nieuw venster op communiceren.’

Gezien: Language van Vanja Rukavina, Het Nationale Theater in coproductie met Zaal 4A, gezien op 4 september 2019, Zaal 3, Den Haag, tour in september 2019 en mei 2020

Foto: Sanne Peper

Reacties zijn uitgeschakeld