Bankier & co: herstel uw beroepseer

OPINIE - Hoe herstel je het vertrouwen in de beroepsgroepen die de laatste tijd onder vuur liggen? De grootste stap moeten bankiers & co zelf maken: laat ze hun beroepseer weer hoog houden, stelt  Timor El-Dardiry van denktank Politiek Ensemble

Voor bankiers, medisch specialisten, of bestuurders van woningcorporaties en onderwijsinstellingen is het geen prettige tijd om ’s ochtends de krant open te slaan. Elk van deze beroepsgroepen is de afgelopen jaren publiekelijk onder vuur komen te liggen. Soms is de maatschappelijke onvrede terug te voeren op aantoonbaar wanbeleid, zoals bij de corporatie Vestia en de onderwijsinstelling Amarantis. Andere keren overheerst de indruk dat te veel wordt verdiend in een sector die de samenleving toch al veel geld is gaan kosten, zoals de financiële wereld en de zorg.

Voor hardwerkende mensen in deze sectoren is het af en toe even slikken. Een specialist in opleiding beklaagde zich afgelopen juni in NRC Handelsblad bijvoorbeeld over ‘de publieke opinie over ‘de specialist’, de grote graaier, die blijkbaar liever geld wil verdienen dan mensen helpen en genezen… De opinie verandert pas als men zelf op de stoel van de patiënt heeft gezeten.’

Au.

Sinds een paar jaar wordt de elite van professionals die voor een gedeelte de maatschappij moet dienen, de ‘semipublieke kaste’, steeds meer gewantrouwd. Het aanzien en het respect dat deze beroepsgroepen in het verleden bijna vanzelfsprekend toekwam, zijn voor een belangrijk deel verdwenen. Het maatschappelijk ongenoegen gaat veel verder dan de woede om een paar excessen. Vooral sinds de kredietcrisis wordt betwijfeld of deze kaste überhaupt nog wel het algemeen belang in het oog heeft. Inmiddels wordt de bankier gezien als een parasitaire bonusopstrijker, de specialist als een cynische zakkenvuller en de woningbouwbestuurder als een amateuristische speculant.

Dat klinkt misschien overdreven, maar je hoeft alleen de meeste van de recente verkiezingsprogramma’s te lezen om het te zien: daar staat hetzelfde in íets nettere bewoordingen. Ons land is door ‘onverantwoord gedrag van bestuurders, beleggers en bankiers in grote problemen gekomen’ (SP). Een ‘bankierseed’ moet het vertrouwen in de financiële sector herstellen (CDA). Specialisten verdienen te veel en moeten in loondienst gaan werken (PvdA, SP, GL, D66) of een plafond op honoraria accepteren (CDA). Bestuurders worden civiel aansprakelijk voor (financieel) wanbeleid (PVV en SP). En een bestuurderstoets in de zorg moet vooraf meten ‘of iemand geschikt is’ (PVV). De semipublieke kaste krijgt kortom van links tot rechts – alleen de VVD ontbreekt in het rijtje – een motie van wantrouwen aan de broek. Het publieke belang is bij hen niet vanzelf in goede handen, zo luidt de politieke boodschap, en regels kunnen dat probleem oplossen.

Hoe is het zover gekomen? Op zichzelf is het helemaal niet vreemd om je af te vragen of iemand het belang dat hij zegt na te streven wel écht op het netvlies heeft. Economen en bestuurskundigen hebben twee waardevolle begrippen ontwikkeld die daar iets over zeggen. De eerste is het ‘principaal-agent probleem’. Zodra je iemand anders de opdracht geeft een taak te verrichten, bestaat de kans dat belangen uit elkaar gaan lopen. Vaak weet diegene die de taak uitvoert meer dan jij. Een monteur kan bijvoorbeeld onnodige reparaties opvoeren. Door het principaal-agent probleem kan het voorkomen dat iemand niet volledig in het publieke belang handelt. Zo kunnen zorgverzekeraars onmogelijk van iedere medische handeling vaststellen of deze wel echt nodig is. Uit onderzoek door onder andere het CPB blijkt dat ziekenhuizen met vrijgevestigde specialisten méér behandelingen verrichten dan ziekenhuizen waar specialisten in loondienst zijn. De kans bestaat dat onnodig wordt behandeld om meer te kunnen verdienen.

Moreel gevaar
Het tweede verschijnsel dat gezond wantrouwen rechtvaardigt, is ‘moreel gevaar’. Dat betekent dat het gedrag van mensen verandert als ze doorhebben dat ze niet volledig opdraaien voor de risico’s van hun daden. Iemand met een reisverzekering kan op vakantie bijvoorbeeld achtelozer omgaan met zijn spullen, in de wetenschap dat eventuele diefstal toch wel wordt vergoed. Moreel gevaar is per definitie bijna overal in de semipublieke en de financiële sector aanwezig. Juist doordat een bepaalde organisatie een publiek belang dient, worden de kosten van mislukte avonturen zonder uitzondering op de samenleving afgewenteld. Zodra het misgaat, hebben we als samenleving geen andere keus dan in te grijpen. De maatschappelijke gevolgen van een failliete woningbouwcorporatie of een run op onze grote banken zijn simpelweg te groot om tegen een klungelende organisatie te kunnen zeggen: eigen schuld, dikke bult.

Achteraf is het verbazend hoe lang we hebben gedacht dat deze risico’s makkelijk konden worden afgedekt. In de hoogtijdagen van liberalisering en verzelfstandiging, tijdens de Paarse kabinetten, werden moreel gevaar en het principaal-agent probleem vooral gezien als technische uitdagingen. Simpel gezegd: je formuleert een paar regels, richt een toezichthouder op en klaar is Kees. Met zo’n visie wordt het eenvoudig om semipublieke instellingen zonder veel omkijken op grotere afstand van de overheid te plaatsen, totdat ze bijna uit het zicht verdwijnen.

Voor de beste verwoording van de instrumentele benadering moeten we terug naar de periode dat deze zo populair was, naar het rapport Het borgen van publiek belang van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Dat rapport verscheen in 2000. De WRR onderscheidde twee hoofdvragen. Eerst moest de ‘wat-vraag’ worden gesteld: welke taken moeten als een publiek belang worden beschouwd, waarvoor de overheid eindverantwoordelijkheid draagt? Die moest door de politiek worden beantwoord. Vervolgens kwam de hoe-vraag: hoe kan het publieke belang het beste worden gediend?

En die was ‘veel minder politiek van karakter’. In de woorden van het rapport: ‘Bij de hoe-vraag gaat het immers vooral om pro’s en contra’s van uitvoeringsmodaliteiten, om voor- en nadelen die zich wel laten objectiveren.’ Anders gezegd: laat politici debatteren over welke belangen de overheid moet waarborgen. Voor de bepaling van de manier waarop dat het beste kan, moeten ze gewoon de juiste techniek kiezen.

Maar zo is het niet. Politiek gaat bij uitstek over ‘de manier waarop’. De praktijk bleek dan ook weerbarstiger dan aanhangers van deze technische benadering konden voorzien. Sinds de kredietcrisis is dat duidelijker dan ooit. Want zolang de zon schijnt, merk je niets van een lekkend dak. Maar nu draait de samenleving op voor de risico’s en kosten die eerder werden onderschat, en liggen bestuurders, specialisten en bankiers onder vuur. En dus gaat het politieke debat in weerwil van wat de WRR ooit bedacht helemaal niet meer om de wat-vraag, maar juist om de hoe-vraag: hoeveel risico mag een semipublieke organisatie of een bank nemen? Hoeveel moeten specialisten zelf bijdragen aan hun opleiding? En hoe kunnen we er voor zorgen dat van beloningen niet langer perverse prikkels uitgaan?

Dát is de reden dat die verkiezingsprogramma’s uitpuilden van voorstellen voor nieuwe regels, codes en plafonds voor de semipublieke en de financiële sector. Maar er is opnieuw slecht nieuws. Ook al die regels gaan het probleem niet oplossen. Ja, natuurlijk, soms kan wettelijke regelgeving helpen om publiek vertrouwen te herstellen. De structuur en functie van een organisatie bepalen voor een deel de cultuur. Zo is risicovol gedrag gebruikelijker bij zakenbanken dan bij nutsbanken, dus als je die twee activiteiten scheidt, krijgen spaarders misschien wat meer vertrouwen. Maar in het algemeen kweken regels en codes geen vertrouwen, ze organiseren juist wantrouwen. De hoe-vraag mag dan terug zijn in de politiek, de politieke keuzes dragen nog alles in zich van de technische benadering die tijdens Paars zo populair werd.

Zowel beleidsmakers als betrokken beroepsgroepen verwachten daar te veel van. Neem de Code Banken. Bijna drie jaar geleden ingevoerd, maar Nederlandse consumenten geven de
financiële sector nog altijd een dikke onvoldoende. Bovendien lopen wetten en regels altijd achter op de werkelijkheid. Ze zijn perfect ontworpen om de vorige crisis te voorkomen en bieden daardoor in het beste geval slechts schijnzekerheid.

Hoe moet het dan wel? Vertrouwen krijg je pas wanneer je laat zien dat je bepaalde waarden zó belangrijk vindt dat je die formele regels niet nodig hebt om ze na te leven. Nu zag ook de WRR destijds heus wel in dat institutionele waarden een even belangrijk mechanisme waren om publiek belang te waarborgen als concurrentie, regels en politieke aansturing. Geheel passend in de tijdgeest was de raad echter van mening dat voor het afdwingen van die waarden ‘tal van instrumenten’ beschikbaar waren: kwaliteitstoetsen, tuchtrecht, of zelfs een beursgang. Die technische oplossingen suggereren dat je waarden van buitenaf kunt opleggen, terwijl ze in essentie juist uiterst persoonlijk zijn.

De Britse econoom John Kay schetst hoe het vertrouwen in banken is uitgehold doordat ze zich onpersoonlijker en hyperactiever zijn gaan gedragen. Beloningen zijn steeds meer uitgedrukt in bonussen, en steeds minder in arbeidsvreugde. Het is moeilijk voor te stellen dat meer regulering aan die cultuur een eind zal maken. Integendeel: de financiële sector wordt er alleen maar complexer van, zodat een steeds kleiner wordend kliekje bankiers en toezichthouders nog begrijpt hoe de vork in de steel steekt. In zo’n situatie wordt de positie van de klanten er niet beter op. Kay stelt dan ook voor dat bankieren vooral simpeler moet worden. Terug naar de basis, waarin de belangen van spaarders en bedrijven duidelijk voorop staan.

Maatschappelijke ophef
Kays analyse gaat net zo goed op voor andere organisaties en personen met een publieke functie. Ze zijn vaak hun kernwaarden uit het oog verloren en te zeer gericht geraakt op andere maatstaven voor succes, zoals financieel gewin. Daardoor is de maatschappelijke ophef ontstaan. Maar gelukkig hoef je helemaal niet diep te graven om die kernwaarden te vinden. Ze zitten namelijk juist besloten in die publieke functie en zijn voor veruit de meeste professionals nog steeds een belangrijke bron van motivatie en arbeidsvreugde.

Om er wat te noemen: goed zorgen voor het spaargeld van anderen. Verstandig omgaan met gemeenschapsgeld. Zo veel mogelijk mensen passend huisvesten. Scholieren een goede opleiding bieden. Waarden zoals beroepseer helpen ervoor te zorgen dat het publieke belang samenvalt met het persoonlijke belang van professionals, en zijn dus onmisbare wapens tegen moreel gevaar en het principaal-agent probleem. Als dergelijke principes duidelijk voorop zouden staan, zouden politici het ook niet nodig vinden om steeds opnieuw allerlei regeltjes te bedenken.

Dat de kloof tussen de semipublieke kaste en de rest van de maatschappij de afgelopen jaren groter is geworden, komt voor een belangrijk deel doordat het die kaste niet is gelukt om te laten zien dat de excessen in de krant inderdaad excessen zijn: afwijkende gevallen die heel ver afstaan van de manier waarop de meeste professionals hun vak beleven. Zo
blijft het beeld bestaan van een afgesloten groep die zich meer kan permitteren dan anderen.

Nu zullen de kranten nog wel een tijdje gevuld blijven met verhalen over bonusbeluste bankiers, graaiende specialisten en amateuristische bestuurders. Hun collega’s zouden ook best eens wat vaker en nadrukkelijker afstand mogen nemen van deze gevallen. Niet omdat ze verantwoordelijk zijn voor het gedrag van anderen, maar omdat deze wanpresteerders het publieke vertrouwen in hun vak ondermijnen.

Maar het meest wezenlijke is: zolang de semipublieke kaste niet overtuigend kan laten zien dat het maatschappelijke belang voor haar voorop staat, zullen politici met wetten en regels blijven komen en zal het vertrouwen van burgers niet worden hersteld. Dat kan pas weer groeien als de bankier, de specialist en de bestuurder uitkomen voor hun waarden, en het publiek die waarden kan herkennen in hun gedrag.

Dit artikel is ook in Vonk (Volkskrant) verschenen.

  1. 2

    Een moreel appèl? Problemen oplossen door iedereen op te roepen voortaan wat liever te doen? Wat is dit voor walgelijk CDA stuk dat van elke realiteitszin ontspeend is?

  2. 6

    “De semipublieke kaste”…..voor wie het geen prettige tijd is om ’s ochtends de krant open te slaan.

    Ik had daar ook een mening over, maar die ben ik even kwijt.

  3. 9

    Er wordt in mijn ogen aan een punt voorbij gegaan.
    Als vakman is al jaren mijn ervaring dat mijn professionele mening ter zijde wordt geschoven door de managers.
    Die zijn alleen met geld en eigen positie bezig en zij zijn het publieke belang uit het oog verloren omdat die:
    1 niet in euro valt uit te drukken,
    2 verantwoordelijkheid betreft en alle verantwoordelijkheid wordt stelselmatig vermeden.

    Ook in deze discussie worden beroepseer en vakkennis samen met verantwoordelijkheidsgevoel weggezet als niet van toepassing;
    terwijl iedereen weet, dat onderwijzers, zorgmedewerkers en anderen met een publieke taak niet tot de graaiers (willen) horen en het liefst gewetensvol hun werk zouden willen doen.

    Ik wil niet voorstellen om alle managers aan lantarenpalen te hangen, maar een forse bezuiniging op deze kaste zou de maatschappij weer uit deze vicieuze cirkel kunnen halen en het vertrouwen herstellen.

  4. 10

    Tuchtrecht is een beproefd middel om uitwassen binnen een beroepsgroep tegen te gaan. Maar in tegenstelling tot bijv. artsen en advocaten is er slechts een handjevol bankmedewerkers die zich ‘bankier’ voelen. Maar bovenal hebben bestuurders van financiële instellingen jarenlang ongestoord mogen werken op basis van de perverse financiële prikkels.