Mogen ministers langer blijven zitten?
De laatste tijd lijkt het alsof ministers en staatssecretarissen minder snel opstappen na het begaan van één of meer misstappen. Recente voorbeelden hiervan zijn Donner en Verdonk die zich beiden schuldig hebben gemaakt aan de (voormalige?) parlementaire doodzonde: het verkeerd voorlichten van de kamer (oftewel het al dan niet bewust voorliegen van de kamer).
Daarom lijkt het me leuk om eens te kijken naar het hoe en waarom ministers de afgelopen jaren vroegtijdig zijn vertrokken.
Hieronder een rijtje, gedeeltelijk gekopieerd van parlement.com:
Staatssecretaris Bijlhout stapte in 2002 al op de dag van haar aantreden staatssecretaris Bijlhout op vanwege door haar verzwegen betrokkenheid bij milities ten tijde van het bewind-Bouterse in Suriname.
Minister Bram Peper trad in 1999 af vanwege beschuldigingen aan zijn adres over zijn declaratiegedrag als burgemeester van Rotterdam.
Staatssecretaris Linschoten van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vertrok in 1996 omdat de Tweede Kamer de kritiek van een Kamercommissie op zijn beleid inzake het CTSV had overgenomen. Bij het CTSV (College van Toezicht Sociale Verzekeringen) deden zich ernstige bestuursproblemen voor. Bovendien was een advies over ingrepen in de Ziektewet enige tijd door Linschoten achtergehouden.
Roel in ’t Veld trad in 1993 af, doordat hij in opspraak kwam over een door hem tijdens zijn hoogleraarschap uitgeoefende nevenfunctie.
In 1994 was een door de Tweede Kamer aangenomen motie-Dijkstal waarin hen de verantwoordelijkheid voor het IRT-dossier werd ontnomen, voor de ministers Van Thijn en Hirsch Ballin reden om af te treden.
In 1988 en 2002 traden bewindslieden af, vanwege een afkeurend oordeel van een parlemenataire enquêtecommissie. In 1988 waren dat minister Van Eekelen i en staatssecretaris Van der Linden, en in 2002 was dat minister Korthals.
In 1989 trad staatssecretaris Evenhuis af, nadat in de pers berichten waren verschenen over mogelijke onregelmatigheden bij steunverlening aan een bedrijf van een familielid.
In 1982 trad Charles Schwietert al na enkele dagen af als staatssecretaris van Defensie toen bleek dat hij onjuiste informatie had verstrekt over zijn opleiding en officiersloopbaan.
Minister Smallenbroek van Binnenlandse Zaken stapte in 1966 op, nadat hij betrokken was geweest bij een nachtelijke aanrijding onder invloed van drank.
Minister Van Rooy van Sociale Zaken en Volksgezondheid stapte in 1961 op, omdat er bij de regeringspartijen geen vertrouwen meer bestond in zijn beleid. De minister had zwak geopereerd bij de behandeling van de wetsvoorstellen tot invoering van de kinderbijslag. Formeel trad hij af vanwege persoonlijke redenen.
In 1959 was minister Sidney van den Bergh gedwongen om af te treden als minister van Defensie. Van den Bergh was voornemens te trouwen met een vrouw die nog in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld. Haar echtgenoot probeerde daarbij Van den Bergh in diskrediet te brengen. VVD-leider Oud drong er bij Van den Bergh op aan zijn ontslag te nemen.
Staatssecretaris Kranenburg van Oorlog nam in 1958 ontslag nadat in beide Kamers ernstige kritiek op het materieel-aanschaffingsbeleid was geuit. De opstelling van met name de KVP en de ARP in de Eerste Kamer gaf daarbij de doorslag.
In 1950 trad minister Schokking van Oorlog en Marine af, omdat het parlement vond dat hij te aarzelend optrad en onvoldoende gezag had om leiding te geven aan modernisering van de defensie.
Verschillende ministers namen in de tussentijd ontslag wegens vertrouwensbreuken met de eigen of andere regeringspartijen en om persoonlijke redenen.